Hoeren & snoeren in de Algarve: het afvoerputje van Europa

Eigenlijk wilde ik nu een vlammend vertoog schrijven over Artikel 1. Ik ontwaakte namelijk met een gruwelijke odol, surfte in mijn zijden pyama (en uiteraard op pantoffels) in een reflex stante pede naar pornhub.com maar botste in cyberspace boven op een kiekje van de twee kakelverse lijstduwers van Artikel 1: Gloria Wekker en Anja Meulenbelt. De titel van mijn polemiek had ik al: ‘De Negerpartij, want dan hoor je er bij’.

Meteen rezen er twee problemen: technisch gezien is Artikel 1 geen Negerpartij omdat Anja Meulenbelt veel is maar geen negerin. In het beste geval is ons gefossiliseerde fenomeen een helper whitey en een lady wigger. Daar staat dan weer tegenover dat Anja geen mudshark en chocolate chaser is die een weekje gaat trommelen in Gambia. Ondanks haar seksuele persuasie (wil de lezer dit weten?) gelooft Anja heilig in het alpha advantage die de zwarte man heeft over de witte man. Bovendien is de zwarte man van Anja, net als de getinte man, nooit boos. Alleen blanke mannen zijn boos. Witte man stout. In de hoek staan nou! Overigens verbindt het triumviraat Simons-Meulenbelt-Wekker de belangen van de Zwarte Piet Moet Dood Beweging met die van Hamas, een verschijnsel wat zich in een iets andere vorm al voordeed in Amerika.

Het tweede probleem van mijn essay was de titel en de premisse. Is Negerpartij een pejoratieve, kwetsende term? In keurige linkse Spaanse kranten wordt een Afro-Spanjool gewoon negro genoemd, en in de linke Portugese pers heet een Afro-Lusitaniër preto. Negro en preto betekenen zwart. Nada mas/nada mais en niemand die er kwaad van denkt.

Ik heb even gegoegeld om precedenten te zoeken en kwam terecht bij de in 2011 opgerichte Surinaams Georiënteerde Negerpartij (SGNP). Volgens de statuten is/was de SGNP een partij die gericht is Creoolse Nederlanders van Surinaamse afkomst. Het staat niet-Creolen vrij om lid te worden van de SGNP onder de voorwaarde dat men haar grondslag en beginselen onderschrijft. Enfin, deze keurige partij, van zwarte mensen, door zwarte mensen en voor zwarte mensen, werd meteen wegens discriminatie aangeklaagd door het Proefprocessenfonds Clara Wichmann. Enfin, leest u het zelf maar.

Na rijp beraad met mijn chef Kev besloot ik het onderwerp te laten vallen. Toen viel mijn oog (beng!) op een HP-artikel van mijn dierbare collega Jan Smit.

Ik wist van zijn snode plannen om de feestdagen door te brengen in mijn Algarve maar de snoodaard sloeg mijn wijze raad in de wind en ging alles op eigen houtje doen. Met catastrofale gevolgen. Deze aanval op mijn biotoop smeekt om een close read, vrienden van Lusitanië! Allez hop!

De aanstaande en ik waren tijdens de jaarwisseling met vrienden in Portugal, de habitat van José Rentes de Carvalho en – uiteraard – onze eigen Don Arturo.’
Beroepsmopperaar Zé is de felste Algarve-hater die er is! In zijn Reiseführer Portugal. Een gids voor vrienden wijdt hij slechts een paar bladzijden aan de reet van Portugal. Nog minder tekst dan Portugal heeft in de Michelin-gids van het Iberisch Schiereiland! Mijn grote vriend Gerrit Komrij die ik elke dag mis nam die strandallergie van hem over, hetgeen resulteerde in deze historische commercial.

Overigens moet ik hier vermelden dat ten tijde van de dictatuur van meneer Salazar ambtenaren, onderwijzers en ander schoon volk meteen naar de Algarve werden gedeporteerd als ze wat te klagen hadden. De Algarve was dus de Goelag Archipel maar dan met lekker weer.

We bivakkeerden in de buurt van Paderne, een dorpje van anderhalve man en een paardenkop dertig kilometer boven Albufeira. Het was er qua klimaat aangenaam toeven – een winterzonnetje, gemiddeld zo’n 18 graden, net te koud voor een duik in het zwembad. Maar daarmee is alles dan ook wel zo’n beetje gezegd.’
Paderna is de voormalige leprakolonie van Portugal. Leprozen uit Angola en Mozambique werden hier na aankomst in de haven van Portimão meteen in quarantaine gebracht. Paderna is tevens het genetische afvoerputje van de Algarve, vandaar het hoge gehalte bochelaars, klompvoeten, waterhoofden, hazelippen en open ruggen. Omdat dit natuurlijk veel kommersjele sekswerksters aantrok, werden syfilis, en met name een hardnekkige Oost-Timorese variant van de harde sjanker, even snel verspreid als het ebola-virus en het spreekwoordelijke lopend vuurtje.
Paderne is daarom het openluchtmuseum van de regio alleen sluiten ze rond de Kerst want ook de fysiek-uitgedaagden hebben – na jarenlang bakkeleien met de Freaks of Nature Vakbond – rest op een snipperdag.

De rest van het land leek uitgestorven. Het sardineblikjesmuseum in Portimão, de overdekte markthallen in Loulé, volgens Rentes de Carvalho een van de zeldzame must sees in de Algarve: allemaal gesloten. Zelfs de horeca-uitbaters in Portimão, een soort Zandvoort, maar dan erger, waren merendeels met sabbatical.
Hier heeft collega Smit een punt. Genoemde attracties zijn vreselijk en hij mag nog in zijn handen wrijven dat ze dicht waren. De belangrijkste culturele trekpleisters van de Alarve zijn de diverse waterpretparken (helaas dicht in de winter), de zielige dierentuin van Lagos en de hoeren langs de N125, tussen Almancil en Albufeira (te herkennen aan Moldavische, synthetische glitterkledij en klapstoeltje. Nooit meer dan 50 pop, onbeschermd is 10 procent duurder).

Alleen een Italiaan was aberto. Binnen gooide een puistige puber de menukaarten al gapend op tafel. Pas toen een Portugese deerne vergezeld van haar opa en oma de zaak betrad en zijn hormonen begonnen op te spelen bleken de stembanden van de knaap ineens toch intact.
Nooit naar de Italiaan in de Algarve. Nunca. De enige Italiaanse kok die ik vertrouwde buiten Italië was Mario in Wijderwormer en die is dood. Ik geef niet graag mijn best kept secrets weg maar vooruit, hier wat spaarzame culinaire tips van Don Arturo: Rui Marisqueira in Silves. Casa do Povo te Santa Luzia. Noélia e Jerónimo in Cabanas. O Monte Velho te Umbria en last but not least Vila Joya in Albufeira.

Waar het nieuwe jaar in te luiden was de kwestie die ons puzzelde. Het strand van Albufeira, waar een dj het feest zou opleuken en een vuurwerkshow op het programma stond, gooide hoge ogen. Vraag was alleen hoe daar te geraken. Heen met de bus zou nog wel lukken. In de eerste uurtjes van 2017 terug leek godsonmogelijk.
Ik ben op 31 december gewoon om negen uur naar bed gegaan. Het vuurwerk in het bezopen Albufeira bezoeken staat gelijk aan dronken en met een brandende sigaar de kruitfabriek van Muiden binnen te wandelen.

Taxi’s voldoende.
Daar heeft collega Smit opnieuw een punt. De Algarve is een paradijs qua taxi’s. Spotgoedkoop en gesoigneerde oudere Portugese taxista’s die je vrouw niet voor hoer uitschelden, je niet oplichten, geen oerend hard koranreciet draaien in hun hoerensloep, je blindegeleidehond niet aan stukken hakken en je niet eerst naar een tapijtjesfabriek van hun broer rijden.

‘Tijdens de wandeling passeerden we tal van leegstaande huisjes. Sommige nog deels gemeubileerd – met klerenhangers en al. In gedachte was ik bij Don Arturo. Een groentetuin, een paar honden als gezelschap, een zonnetje, een botequim (bar) op loopafstand, af en toe een stukje schrijven om de gas-, elektra- en waterrekening te kunnen betalen: Portugal was misschien toch zo gek nog niet.’
In de Algarve kan een fatsoenlijk man als ik mooi oud worden en opdrogen. We hebben 3800 zonuren per jaar, 220 kilometer maagdelijk strand, alcohol en sigaretten kosten geen drol en een kilo blauwvistonijn kost maar een joetje. Voor een jonge vent als collega Smit is de Algarve niks. Zo’n jongen van Jan de Wit moet naar Paraguay! Ik heb nog wel wat leuke tips maar die durf ik hier niet en plein public op te schrijven.

‘Maar een knallende ruzie vlak voor vertrek bracht ons weer bij zinnen. Toen we ’s ochtends rond half acht de auto wilden inleveren bij Drive on Holidays, de verhuurder, kwam een van de medewerksters ons al schreeuwend tegemoet lopen. “You have to pay 30 euro’s. You are to early. Our office is open at eight o’clock!”
Perplex stonden we. Half acht hadden we toch afgesproken? Van die regeling was ons niets verteld. Bovendien: het kantoor was nu toch open, zij was er nu toch – binnen zat nog een collegaatje uit haar neus te eten. Dus, wat was nu het probleem. Om negen uur vertrok ons vliegtuig…’
Auto’s huren op de luchthaven van Faro is een crime. Je wordt aan alle kanten genaaid. Ze geven je een volle tank bij aankomst en rekenen daar 100 euro voor terwijl dat eigenlijk 50 euro kost. Soms vragen ze een borg van 5000 euro. Je bent minimaal een uur kwijt bij de balie, in een rij van lallende tokkies, en in de zomer ben je zo twee uur kwijt. Dat is gevoelig tijdverlies voor een loonslaaf die na 2 weken bakken weer naar de baas moet. Tip van Tuur: huur voor een tientje een ootootje van een Nederlander in de Algarve. Zwart en het scheelt dus een boel papierwerk.

‘Na veel verbaal geweld over en weer kwam het uiteindelijk toch nog goed. We haalden de vlucht. Maar Portugal: dat was eens, maar nooit weer.
Mucho respeto Don Arturo!’
Ruiterlijk en com muito respeito accepteer ik het compliment van collega Smit. Volgende keer mij bellen, vriend! Ik ken de krochten van de Algarve, de eenbenige hoeren en de drugsdealers, de crackhuizen en de Angolese transgenderfadista’s, de hanengevechten in de slums van Lagos. We kunnen we ook nog op illegale tonijnjacht, met harpoen en we sluiten het avontuur met een geil concert van mijn favoriete Algarviaanse band, uiteraard met een paar pilletjes in de mik! Até breve, amigo!