Waarom linkse humor niet leuk is

Zo luidde de titel van mijn vertoog voor de Anil Ramdas Essayprijsvraag van de Groene Amsterdammer. Nu moet u weten dat ik tien jaar voor het oudste tijdschrift van Nederland heb geopinieerd, hetgeen niet in mijn voordeel werkt bij de jury.

Omstreeks 1990 werd ik in opdracht van de legendarische hoofdredacteur Martin van Amerongen gerecruteerd door het diverse duo Stephan Sanders en Anil Ramdas. Dat kostte de Groene 20 bier en 20 zeer oude genevers bij café Oosterling aan de Utrechtsestraat te Mokum (en een geeltje voor dope). Toen was ik om en verbrak ik mijn betrekking als razende reporter bij de Panorama en de Aktueel.

Het thema voor de prijsvraag is ontleend aan twee centrale begrippen in het denken van Anil Ramdas: identiteit en beschaving. Ramdas schreef uitgebreid over de migrantenervaring, over de nostalgie naar een verleden dat nooit heeft bestaan. Dat brak hem lelijk op toen hij Handelsblad-correspondent werd in India, een onhygiënisch oord waar de whisky peperduur is en een beschaafd mens als ik dood noch levend gevonden wil worden.

Welnu: ik woon zelf al een derde van mijn leven in het buitenland en heb dus meer migrantenervaring dan Kuzu, rapper Boef en Sylvana bij elkaar. Maar mij hoor je niet klagen over mijn gastheren. Ik woonde in Libanon, Jodonia, Paraguay, Brazilië en Maastricht en altijd paste ik mij aan. When in Rome, act like the Romans & ’s lands wijs, ’s lands eer (d.w.z. ieder land heeft zijne bijzondere zeden en gewoonten, die men geoorloofd en welvoeglijk acht; vgl. mlat. mutantur mores, quando mutantur honores).

Ik ben dus niet zo wappie als Dolly Bellefleur die een gendervrij toilet eist in Kaboel of Nancy Holten die in het hol van de leeuw de wereldberoemde Zwitserse koebellen wil verbieden. Het bipolaire yogaborderlinertje – vermoedelijk heeft haar mannie een leuke cent maar niet voldoende poeplappen om haar met een glaasje sherry in een eigen galerie te parkeren – is nog brutaler dan een willekeurige mohammedaan die een alcoholverbod wil op de Oktoberfeesten in München.

Ik pas mij altijd aan, als de gezegdelijke strontvlieg op de muur.

Bon, mijn embryonale essay droeg dus de confronterende titel: ‘Waarom linkse humor niet leuk is’. Mijn uitgangspunt was de gewichtige studie van de oude Sigmund Freud: Der Witz und seine Beziehung zum Unbewußten en ik eindigde mijn relaas bij de oudejaarsconferentie van Claudia de Breij, die een soort marathoncommercial voor GroenLinks was. Het efemere geintje kostte de VARA 250.000 euro en ik ben te beschaafd om nu goedkope Josefine Mutzenbacher & Ruby Rubacuori-grappen te maken.

Overigens vind ik het verheugend nieuws dat Claudia (die bij mijn weten VVD stemt) is toegetreden tot de rechtse kerk hetgeen haar natuurlijk niet op stel en sprong geestig maakt. Ik kijk uit naar het moment dat ons aller Dolfje Jansen de bende der VARA-Myrmidonen verlaat en onvervalste negergrappen gaat maken zoals Neerlands Hoop In Bange dagen dat vroeger deed.

Ik ben eens gaan grasduinen in mijn humorarchief en sloeg steil achterover van de racistische humor (onder een progressieve denkmantel) van de jaren zestig en zeventig: Koot & Bie die gastarbeiders bespottelijk maken, Gerard Cox die de draak steekt met Surinamers, Ton van Duinhoven die onze gele vrienden degradeert tot poepchinezen, etc. etc.

Humor – ook al werd die voorgestoofd in de keukens van de KRO, VARA of VPRO – was dus altijd rechts: de spot drijven met lichamelijke afwijkingen zoals de bochel, het waterhoofd, de klompvoet, de open rug en de hazenlip en last but not least, de etniciteit. Maar ook Toon Hermans, Wim Sonneveld, Wim Kan, Henk Elsink en vooral de Mounties waren rechts.

In onze tijd – zo poneerde ik in mijn essay – vallen de Mannen van de Radio, Hans Teeuwen, Theo van Gogh, Sjaak Bral en Ron Brandsteder in de categorie Rechtse Humor (al zit Ron meer in het poep & piessegment).

Als exponent van de linkse humor voer ik Dolf Jansen aan. Die is niet leuk omdat hij volstrekt geconformeerd is aan de eisen van de VARA-humorgestapo. His masters voice dus. Als Dolf een grap heeft gemaakt, rent hij als een speer (pun intended) naar Francisco van Jole van de VARA-Kulturkammer. Jole brult dan: die grap over die raketgeleerde uit Somalië vind ik kwetsend, kan daar niet iets geestigs over Wilders en Trump voor in de plaats?

Enfin, ik zat in mijn studeerkamer te ploeteren en te ploeteren en naar de Atlantische Oceaan te staren. Het essay verzandde, ik had teveel hooi op mijn vork genomen. Ik ging bij mijzelf te rade, een goedkope maar probate oplossing. Om wat moet ik nou precies lachen. Ja, om mijn absolute helden Derek and Clive!

En wat ik dan ook weer keigrappig vind, is dat Sylvana vandaag 12 ruggen moet schokken om mee te kunnen doen aan de verkiezingen met haar Negerpartij Trio Penotti. Het is toch van de gekke dat het gouddelfstertje haar spaarcentjes in haar buideltje houdt en op Facebook schaamteloos bedelt gelijk een Indiër zonder benen en met lepra in New Delhi. Leest en huivert!

Help ons! Een politieke partij oprichten kost veel geld. Om je een idee te geven: van reiskosten tot pennen, van huur van spreekzalen tot een kantoor, het loopt al snel op! Alleen al het inschrijven in de kieskringen kost meer dan 10.000 euro en we willen natuurlijk ook nog een actieve campagne voeren. Elke euro helpt!’

Toen ging ik maar eens kijken naar de samenstelling van de jury van de Anil Ramdas Essayprijsvraag. Ik schrok mij wezenloos! Ik was kansloos! Stephan Sanders (voorzitter), Karin Amatmoekrim (schrijver van Het gym, Tenzij de vader), Sjoerd de Jong (NRC Handelsblad), Sheila Sitalsing (de Volkskrant) en Xandra Schutte (De Groene Amsterdammer). Diverser kon een jury niet zijn, al ontbrak er een invalide gehandicapte. Wellicht hadden ze Koos Alberts moeten uitnodigen, dan was het plaatje compleet geweest. Die is blank, oud en best wel boos, met al dat manisch gescheur.

Ik ging mijn kansen berekenen en kwam tot de conclusie dat de meeste juryleden mij goed gezind zijn, temeer omdat ik nogal veel compromitterende informatie over ze koester. Mijn grootste obstakel zou echter Sjoerd de Jong worden. Over hem schreef ik ooit in de Volkskrant: ‘Ik ben dol op de ombudsman van NRC Handelsblad. Ik ken de beste man niet maar vermoedelijk draagt hij knickerbockers, spencers, juchtlederen schoeisel, een geruite pet van Burberry, rookt hij pijp en leest hij voor het slapen gaan aforismen van Godfried Bomans, een en ander vergezeld van een kopje Darjeeling. In zijn overlijdensbericht herinnerd zal worden als een gemoedelijke kerel die in zijn vrije tijd haiku’s dichtte, een luisterend oor was en de grap niet schuwde want ‘een dag niet niet gelachen is een dag niet geleefd.’

Ik kon het dus schudden. Het viel mij overigens op dat Bas Heijne niet in de jury zit van de Anil Ramdas Essayprijsvraag. De winnaar is dus al bekend. Ik kom verdorie nog aan toe niet eens in aanmerking voor de Pim Fortuynprijs, tenzij Grote Foute Jongen oom Rob Hoogland in de jury zit. Ben ik eigenlijk wel rechts genoeg?

Sjaak Bral verwerpt in een schriftelijke reactie een rechtse humorist te zijn.

Beeld: VARA