Jules Deelder: ‘Populairder na mijn dood? Haha, nóg populairder?’

In gesprek met de dichter van de inktzwarte humor

Jules Deelder (72) is dichter, nachtburgemeester van Rotterdam en schreef het poëzieweekgeschenk: Rotterdamse Kost. Wij spraken de dichter met zijn inktzwarte humor over vergadertaal, schrijfmachines en het hiernamaals: “Niks om bang voor te zijn, tenzij het licht je door Eneco in rekening wordt gebracht.”

U schreef het poëzieweekgeschenk Rotterdamse Kost. Waar gaat deze bundel over?
“Het gaat over de Rotterdamse cultuur en is geschreven in spreektaal, zoals het klinkt in de volksmond. Rotterdamse Kost gaat ook over eten. Je kunt tegenwoordig niks meer doen of er moet bij gevreten worden. Driekwart van de wereld lijdt aan de geeuwhonger en hier zit iedereen te koken. Ja, ik vind dat wel onweerstaanbaar komisch.”

Is humor, het thema van de poëzieweek, een zeldzaam element in de poëzie?
“Je moet inderdaad niet bij de poëzie zijn, als je wil dat er wat te lachen valt. Kijk, het vogeltje zingt zoals het gebekt is. Ik zou niet weten hoe het is als je geen gevoel voor humor hebt. Dat lijkt me niet meevallen, eerlijk gezegd. Bij mij komt het vanzelf. Als je humor bedenkt is het nooit leuk. Er zijn genoeg dichters die in de kleedkamer grappen maken en vervolgens, enigszins plechtig, het podium oplopen. Totaal andere figuren worden het dan. Dat ik denk, doe me een lol.”

Welk beeld van Rotterdam probeert u in uw werk te schetsen?
“Het zijn taferelen uit het dagelijks leven, maar ook uit het verleden. Het gedicht Opoe Herfst gaat bijvoorbeeld over de oudste bewoner van Rotterdam. Zij stierf vlak na de oorlog. Een prachtig begrip; Opoe Herfst. Maar om nou bij elk gedicht een voetnoot te plaatsen met zo’n verhaal. Ik wil niet alles hoeven benoemen. Al die grote woorden die aan inflatie onderhevig zijn: respect, vriendschap, liefde! Het betekent toch geen reet meer? Die woorden worden veel te makkelijk gebruikt. Als ik iemand hoor over respect word ik al bevangen door een universeel wantrouwen. Trouwens, zo’n Leonard Cohen-tekst, waar nu iedereen het over heeft, ik heb dat altijd zo’n nare gast gevonden. En nou blijkt ineens iedereen een bewonderaar te zijn.”

Cohen is nu eenmaal veel in het nieuws nadat hij vorig jaar overleed.
“Ja, dat is ook weer waar. Maar dat iedereen dan opeens achter zo’n vent aanloopt.”

“Nee, nee, nee, ik heb altijd de schurft gehad aan telefoons.”

Misschien groeit uw populariteit ook wel na uw dood.
“Haha, en nóg populairder zijn dan nu? Dat lijkt me bijna onmogelijk als dichter. Ach joh, dat zal me een worst wezen. Ik heb best een paar aardige gedichten en verhalen geschreven. Die worden vast nog wel gelezen, als de Nederlandse taal over honderd jaar nog bestaat.”

Zou u het jammer vinden als de taal uitsterft?
“Ja, maar dat zou dan ook niet voor niks zijn. De vergadertaal viert tegenwoordig hoogtij. ‘Nou heren, we hebben weer ontzettend geëvalueerd’. Dat is taalgebruik om dingen te verhullen, niet om te verduidelijken. De taal heeft geen verbeeldende functie meer. Met een virtual-realitybril zit je al in een andere wereld. De voortschrijdende technologie en de computers nemen de rol van de verbeelding over.”

Tikt u uw gedichten niet uit een op een computer?
“Nee, Ik ben niet online. Ik heb nog twee elektrische schrijfmachines kunnen scoren. Ik hou van het beeld van de zwarte letters op het witte papier. Zeker met gedichten. Ja, jezus, ik krijg diezelfde kick niet als ik op een wit scherm zit te koekeloeren.”

Koekeloert u wel op een mobiele telefoon?
“Nee, nee, nee, ik heb altijd de schurft gehad aan telefoons. Als de telefoon bij mij thuis gaat, is mijn eerste impuls om niet op te nemen. Dat mensen in zo’n korte tijd verslingerd zijn geraakt aan zo’n ding. Als ze hier godverdomme met z’n tweeën aan een tafeltje zitten praten ze nog liever via die telefoons. Dat is toch waar? Internet is een zegen, maar het is een even grote bron van ellende. Je kent trouwens de theorie dat het internet een buitenaardse uitvinding zou zijn dat hier gedropt is?”

“Zonder geheim is er geen klote aan.”

Gelooft u daarin?
“Nou, die chips! Daar komt het toch door? Die chips worden steeds kleiner, maar wat er wel niet allemaal op past! Ik bedoel, het internet is toch een toevallige ontdekking geweest. Iemand dacht: ‘Shit! Wat gebeurt er nou!’ De digitale wereld wordt gepresenteerd als iets geweldigs, zo van dit is het! Ik merk het ook met digitale muziek. Oude muziek is anders opgenomen, dat heeft een bepaalde gelaagdheid. Alle dynamiek is er tegenwoordig uit. Dat is het werk van perfectionisten, terwijl schoonheid en ontroering altijd in het imperfecte schuilt.”

Bent u zelf een perfectionist?
“Ach, ik wil wel een goed gedicht schrijven. Je moet zo’n tekst terugbrengen tot de essentie, zodat het oproept wat niet neergeschreven staat. Het moet een soort geheim bevatten. Zonder geheim is er geen klote aan. Zo belangrijk is het trouwens niet. De wereld is kleiner dan een zandkorrel als je het vergelijkt met wat ons omringt. We stellen geen reet voor. Als ik dood ga gaat het hier toch gewoon door? Dat is ook leven na de dood. Maar zo wordt het nooit bekeken. Als je dood gaat, gaat het licht aan. Ja tuurlijk, dan gaat het aan! Dan blijkt dat we hier in het duister hebben gelopen.”

Heeft u een voorstelling van leven na de dood?
“Het alles en het niets. Daar kom je vandaan en daar ga je weer naartoe. Het is zo’n witgeverfde loods met neonlicht. Je verdwaalt erin, omdat je niet kan zien waar de hoeken zijn. Niks om bang voor te zijn, tenzij het licht je door Eneco in rekening wordt gebracht. Haha, maar zo is het hoor, dat heb ik wel een paar keer meegemaakt. Ik had laatst een moment, dat ik even terugging. Je verliest je ego als je een goeie trip hebt, maar ook als je dood gaat. Het zou toch teleurstellend zijn als je hetzelfde zou blijven. Dat persoonlijke voortbestaan, nee, dat hoeft voor mij niet. Misschien in mijn gedichten. Er was een dichter die zei: ‘Maar ik zal heerlijk in mijn vers herrijzen’. Willem Kloos. Heeft goede gedichten geschreven. Een paar hoor, maar dat is genoeg. Eentje is al genoeg. Er komen de laatste tijd trouwens massaal dichters bij, online vooral, ja daag!”

Telt online-poëzie niet mee voor u?
“We hadden ooit in Rotterdam een literair tijdschrift. Kreeg ik opeens een brief: het ging helemaal online. Sindsdien bestaat het voor mij niet meer. Waarom niet allebei? Gedrukt én online. Zij gaan ervanuit dat iedereen maar online is. Toen het nog wel werd gedrukt heb ik af en toe best een paar gasten met talent voorbij zien komen. Ik heb er nou geen zicht meer op. Het blijft dun gezaaid hoor, het echte talent. Ik zie het in de poëzie niet terug.”

 Is het moeilijk om het tegenwoordig succes te hebben als dichter?
“Ach, dat is met het hele boekenvak. Het zou afgelopen zijn met het gedrukte boek. Er zijn vorig jaar meer boeken uitgebracht dat het jaar daarvoor, maar dat zijn voornamelijk kookboeken. En de poëzie? Als ze al poëzie uitgeven, dan hoor ik dat het tegenwoordig is teruggelopen naar hooguit een oplage van 500 exemplaren. Je kunt al niet meer veel hoger reiken als dichter. En hoe meer je schrijft, hoe minder je weet. We gebruiken allemaal dezelfde zesentwintig letters, het ligt er maar aan hoe je ze achter elkaar zet.”