Vertel iedereen over de gracieuze kalmte van Mo Farah

Eigenlijk zou Frank Heinen vandaag moeten schrijven over Roger Federer, Barcelona-Betis of Željko Petrović

Het liefste zou ik vandaag over Roger Federer schrijven. Over dat hupje na die allesbepalende challenge. Het jongetje dat zijn knikker over de tegels in de richting van het potje ziet kruipen. Die blik… spanning die oplost in totale opluchting. Over die ene backhand halverwege de vierde set had ik willen vertellen, zo’n slag waarbij de bal met het blad uit een onmogelijke hoek wordt geveegd en in een laatste krachtsinspanning over het net geschetst, ‘de baan uit’. Geen toeval, maar totale beheersing. Het liefst zou ik me vandaag weer tot David Foster Wallace wenden om me te helpen verklaren waarom tennis me zo vaak gestolen kan worden, terwijl het zien spelen van Roger Federer een haast bovennatuurlijke ervaring is.
Maar Wallace noch Federer kunnen me hier verder helpen. (Bij Wallace moet ik altijd denken aan zijn begrip ‘morele volwassenheid’: het besef dat het leven je niets verschuldigd is, dat het lijden vele vormen aanneemt, dat niemand ooit nog zoveel om je zal geven als je moeder en dat het hart van de mens een sul is.)

Hoe graag zou ik ook schrijven over het gehannes van Barcelona, gistermiddag tegen Betis. Over een niet gegeven doelpunt en over Sierd de Vos en zijn handige tip om een specifiek hotel in Sevilla te boeken en dan om een kamer op de vijfde verdieping te vragen. Dan kun je namelijk, aldus Sierd, vanuit je raam zo op het veld kijken. Dat ik de naam van dat hotel heb opgeschreven, maar dat ik die hier niet nogmaals ga opschrijven, omdat dan alle lezers van HP/De Tijd om een kamer op de vijfde verdieping gaan vragen. (Ik vind u heel vriendelijk, maar vooral op afstand – laten we die in stand houden.)
Dat ik Sierd geloof, zoals ik ook nog altijd geloof dat hij in het stadion zit, terwijl ik weet dat hij in een kast in Hilversum zit, tussen een ouwe zwabber en twee dozen vol gesigneerde exemplaren van zijn eigen biografie. Dat het niet altijd gaat om wat je wordt verteld, dat niet de gepresenteerde werkelijkheid van belang is, maar de waarheid die je er zelf van bereid bent te maken.
Dat ging dus ook niet.
Ik had zo graag geschreven over Željko Petrović, en zijn opwekkende pas de deux met Joep Schreuder zondagmiddag. Dan had ik iets verteld over Željko’s  bril, die ik ook graag zou willen hebben, al mankeer ik niets aan mijn ogen. Dat het een bril is die succes afdwingt, dat zie je meteen. Dat ik dringend op zoek ben naar een hypotheekadviseur en dat ik Zeljko Petrovic direct in de arm zou nemen, zelfs al zou hij me een ADO-hypotheek-met-Chinese-constructie willen aansmeren. Misschien had ik er iets aan kunnen toevoegen over de nieuwe voetbalschool van Tommie Beugelsdijk – zo’n alinea schrijft zichzelf. En anders over Bas Dost, de enige man ter wereld die de ballen erin fronst. Over de Marcoiaanse omhaal van Dolberg.
Het was een weekend om het te hebben over de schitterend-stramme stylo van Joris Nieuwenhuis, over de dikke lagen pratsj op het gezicht van Wout, over modderworstelen op wereldniveau. Over Mathieu van der Poel die vijf, zes, zeven keer achter elkaar ‘leuk’ zegt, een uur pech heeft en dan moet huilen. Over Marianne Vos, met haar unverfroren chagrijn dat me op de een of andere manier altijd ontroert (‘Wat ga je nu doen?’ ‘Een tijdje balen.’).

Maar dat lukt dus niet.
Ik moet het hebben over Mo Farah. Ik heb nooit eerder geschreven over Mo Farah, ondanks zijn ongelofelijke verhaal en ondanks zijn enorme erelijst. Misschien had ik het eerder moeten doen, maar beter laat dan nooit.
Farah is een Brit. Geboren in Mogadishu, gevlucht naar Groot-Brittannië, een van de beste atleten ooit geworden, naar de VS verhuisd en een paar weken geleden nog tot ridder geslagen. Nu traint hij in Ethiopië en weet hij niet zeker of hij zijn land nog in kan.
Of hij zijn kinderen snel weer kan ontmoeten.
Mo Farah is moslim. Hij vertelt daar niet vaak over. Sinds dit weekend is zijn persoonlijke overtuiging plots politiek. Gisteren zei Farah er het volgende over:
I was welcomed into Britain from Somalia at eight years old and given the chance to succeed and realise my dreams. I have been proud to represent my country, win medals for the British people and receive the greatest honour of a knighthood. My story is an example of what can happen when you follow polices of compassion and understanding, not hate and isolation.”
De gracieuze kalmte van iemand als Mo Farah, daar kun je alleen maar met verbazing naar kijken. Erover vertellen, erover schrijven. Geen idee of het helpt, waarschijnlijk niet. Maar het valt allicht te proberen. Je moet wat.