Een beeld zegt evenveel als 960 woorden

Sommige mensen schrijven over hun verleden alsof het ze live overkomt. Ontzettend knap vind ik dat. De laatste dagen lees ik bijvoorbeeld Kees Fens, die met zijn herinnering min of meer hetzelfde doet als B.A. Baracus met twee elastiekjes en een motormaaimachine. In Fens’ penseelvoering verandert ieder hoopje as in een nerveus rokende oom met een gelende snor en de blik van een oude otter. Ik kan dat niet. Voor mij is een hoopje as geen stukje, maar iets waar een doekje overheen moet. Mijn verleden leeft niet, het beweegt niet, het ligt muurvast te meuren in foto’s die op hun beurt weer in het cement van Hema-fotoboekjes zijn gegoten. Het verleden is een van die dingen waarvan ik zeg: streep eronder.
(Als het even kan, laat ik het rusten. Het verleden, bedoel ik. En als het verleden niet wil rusten, dan help ik het een handje. Bijvoorbeeld door ’s nachts een groot gat in het Moreelsepark te graven, het er met trauma’s en frustraties en al in te flikkeren en het daarna weer dicht te gooien.)
Soms duikt het verleden opeens weer op, ook als dacht je dat het meters diep onder de grond lag, met een compleet rondreizend kleinkunstfestival erbovenop. Wat dat betreft lijkt het verleden op die coyote in de Roadrunner-cartoons. Nog zo’n entiteit die het ene moment nog met twaalf staven dynamiet in zijn kont een ravijn in rent en het volgende alweer verkleed als Thierry Baudet met een koffertje zwakzinnigheden aan je deur komt kloppen.
De coyote van mijn verleden is mijn moeder. Ze is al een tijdje op rooftocht door alle Hema-fotoboekjes. Ze is de goudzoeker van ons familieverleden, al zitten er in haar zeef geen gaatjes. De buit legt ze onder het alziend oog van de familiescanner en zo wekt ze het verleden hortend en stotend weer tot leven, te beginnen in mijn mailbox.
Een paar weken geleden stuurde ze me weer wat brokjes particuliere historie.
‘Je eerste foto,’ luidde het onderwerp.
In de bijlage zat een bibberig plaatje. Het waren twee mensen op een terras, dat zag ik, maar ik zag het omdat ik het wist. Voor de argeloze beschouwer was het vermoedelijk meer een fleurige Rorschachtest.

Vijfhonderdwoordengrens (hier nog niet)

Ze zeggen wel eens: een beeld zegt meer dan duizend woorden. Zeggen ze wel eens. Dat een woord soms ook meer kan zeggen dan duizend beelden, zeggen ze dan weer nooit. Vermoedelijk omdat ze (wie ze ook zijn) ook wel weten dat dat je reinste kletisca is. Nee, wat dat (wat?) betreft, sta je als mens van het woord mooi onderaan de verkeerde boom te blaffen, zoals het fraaie Engelse spreekwoord (vertaald) luidt. Wie heeft er nou niet liever een beeld dan duizend woorden? Niemand. Een paar hardcore Fensfans misschien. That’s it. Ze zeggen niet voor niets: tijd is geld.
(Dat alles wat beelden zeggen kunnen vervolgens ook weer woorden zijn, woorden die je onmogelijk door beelden kunt vervangen, omdat je anders aan de gang blijft; daar denken ze niet aan.)
(Om u een idee te geven: deze kolom is daarnet heel smoothjes over de vijfhonderdwoordengrens gegleden. U bent dus nu op een halve foto. Doorzetten!)

(Gaan we nog over sport schrijven, Heinen? Geduld, geduld. (En kap eens met die haakjes! Ol raait.))
Afgelopen weekend werden de Zilveren Camera’s uitgereikt aan allemaal mensen die op hun zesde al prima een fototoestel stil konden houden. Talenten, kortom. Winnaar in de categorie ‘Sport’ was Joris Knapen, over wie meteen werd doorverteld dat hij nog niet tot de gevestigde orde behoorde, en dat hij tot voor kort nog een fotowinkel in Baarle-Nassau had. (Dit alles op de toon waarop je in de kroeg het verhaal vertelt van een vriend van een vriend van een bekende, die in zijn garage ooit een ufo binnenkreeg, voor een APK’tje).
Goed, Joris Knapen dus. Zijn foto van een vallende Julian Alaphilippe in een tijdrit in de voorbije Tour leverde hem de prijs op. De renner hangt horizontaal in de lucht, hoofd eerst, zoals de Engelsen dat zo treffend zeggen. Zijn fiets hangt nog aan zijn schoenen als een hardnekkig stuk kauwgom, terwijl zijn handen al de puntige rotswand hebben bereikt waar de rest van het lijf de volgende tel hardhandig mee in aanraking zal komen.
Al had ik duizend woorden tot mijn beschikking, ze zouden nooit voldoende zijn om alle elementen in de plaat recht te doen.
Een schitterende foto. Wat heet: een ongelofelijke foto.
Wat heet: een volkomen ongeloofwaardige foto.
Tegen de NOS zei Knapen dat hij ’s ochtends al voelde dat de wind op dat punt zijn auto door de wind werd gegrepen.
‘Dus jij hebt eigenlijk op een valpartij gewacht?’
‘Nee…’
‘Nou…?’
‘Onbewust misschien wel.’

Bijna duizend

Jammer. Een extra vraagje was volgens mij genoeg geweest. Genoeg om Joris te laten toegeven dat hij speciaal voor die tijdrit die dag zijn nieuwste accessoire tegen een pijnboom had gezet, precies op die plek. Dat het een föhn van twee meter hoog was. Dat hij die reuzeföhn via een Canadees postorderbedrijf voor Heel Grote Mensen had besteld. Dat hij zijn fotowinkel in Baarle-Nassau zo zat was en dat hij zo graag een legendarische foto wilde maken. Dat hij net zo lang had gewacht tot er een renner voorbijkwam die licht genoeg was. En dat hij meteen wist dat dit De Foto was. En dat hij toch geen vreugde kon voelen. En dat hij later, in een uitvoerig interview met Fotografie (‘Het meest veelzijdige fotomagazine van Nederland’), beweert dat iedere sportfotograaf van Nederland met dergelijke hulpmiddelen werkt. Dat je niet meer zonder kunt, in de niet-aflatende strijd met alle amateurfotografen ter wereld.
Dan hadden we een beeld gehad van hoe zo’n beeld tot stand komt, u en ik en zij ook.
Nu moeten we het met woorden doen. Minder dan duizend. Ook dat nog.