Piet Keizer (1943-2017) was en bleef een mysterie

Voetbalster stond liever niet dan wel in de krant

Vul het zoekvakje van YouTube in met ‘Piet Keizer’ en je krijgt geen filmpje van belang te zien. Afgezien van een haastig in elkaar gezet in memoriam heeft nooit iemand de moeite genomen een fatsoenlijke herinnering aan Keizer te uploaden. De dribbels van Johan Cruijff kun je er zien, de safes van Jan van Beveren, de afstandsschoten van Arie Haan, maar naar de ‘schaar’ van hun illustere generatiegenoot Keizer moet je zoeken.

Piet Keizer is dus een van de weinige sterren uit de jaren zestig die geleidelijk is weggezakt onder het stof van de geschiedenis. Keizer zelf heeft daar nooit mee gezeten. Als er iemand was met een hekel aan persoonsverheerlijking, dan hij wel. Zijn sublieme oog voor het spel, zijn aan krankzinnigheid grenzende passeerbewegingen, zijn loepzuivere vrije trappen: in tegenstelling tot sommige dichters zag de onberekenbare linksbuiten er de poëzie niet van in. De anti-ster ging er haast prat op dat hij zonder publiek even geïnspireerd speelde als in een vol stadion. Hij stond liever niet dan wel in de krant.

Afscheid

De meest bezongen Nummer Elf uit de vaderlandse geschiedenis was een levend mysterie. Altijd haakte hij op een schimmige manier af. In 1974 verdween hij gefrustreerd uit de feestende mensenmassa na terugkeer uit West-Duitsland, waar het Nederlands Elftal tot ieders verrassing vicewereldkampioen was geworden. Gefrustreerd omdat hij als 31-jarige niet meer had kunnen meekomen.

In oktober van dat jaar hield hij het zomaar voor gezien bij Ajax, de club waarmee hij drie Europa Cups had gewonnen. Een onduidelijk conflict met de trainer maakte dat hij nooit meer een bal wilde aanraken. Rolde een bal zijn kant op tijdens het kijken naar een voetbalwedstrijd van zijn zoon, zei hij enkele jaren later, dan deed hij een stapje opzij. De ontboezeming werd een berucht, want huiveringwekkend, citaat. Je kon het niet geloven maar het scheen echt waar te zijn.

Benefiet

In 1997 organiseerde Keizer een benefietwedstrijd voor de weduwe van zijn plotseling overleden ex-ploegmaat Dick van Dijk. En hij deed mee. Ik ernaartoe, want een magisch moment — Pietje raakt na al die jaren weer bal aan! — zou mijn deel worden. De bal rolde na enkele minuten zijn kant op, en toen hij er een trapje tegen gaf, ging er een siddering door de menigte. Op een amateurveld ergens in Gouda de mensen in vervoering brengen met een trapje van niks: alleen de hele groten kunnen zoiets bereiken.

Ruim tien jaar later leek Piet Keizer opnieuw schimmig af te haken. De directie van Ajax wil hem niet langer als technisch adviseur. Wat daar allemaal achter de schermen speelde zou nooit helder worden, en dat hoefde ook niet van hem. Weer veel later werd hij erelid en wéér later zegde hij dat lidmaatschap weer op omdat hij het, zoals wel vaker in zijn leven, niet met de gang van zaken eens was. Eigenzinnig was en bleef hij, tot longkanker aan alles een definitief einde maakte.

Een doorwrochte documentaire, een spannende biografie is het minste wat hij verdient. Of hij het daar in de Hemel der Voetballegenden nu mee eens is of niet.