Bjorn Kuiper en de zoektocht naar De Gehurkte Man

Ik denk de laatste week maar aan een ding: waar in godesnaam is De Gehurkte Man? Die vraag zit daar dankzij Bjorn Kuiper, zoon van Hennie. Voor een fotoboek over de carrière van zijn vader is Bjorn Kuiper op zoek naar de man voor wie zijn vader in de finale van Parijs-Roubaix moest uitwijken en op een puntige kassei reed. Gevolg: Kuiper lek, Mart Smeets een zenuwinzinking en een legendarisch ‘televisiemoment’.
‘O! Van zijn fiets af! En nu?! Lekke b-! O! Wiel! Band eraf! Oooooooo! Wat is dit erg! Verschrikkelijk! Dit is…! Ooo!’ (Voor zijn bijdrage aan de Nederlandse literatuur in de vorm van dit gedicht zal Smeets eind 2017 in Brussel worden gehuldigd door koning Filip van België).
Uiteindelijk kwam het allemaal primadeluxe in orde: Kuiper won Parijs-Roubaix en zal eeuwig voortleven als Een Nerveus Klappende Man in een Noord-Franse berm. Dat was, zonder De Gehurkte Man, nooit gelukt.

Bjorn Kuiper was afgelopen week overal. (Nou ja, overal: hij was overal waar ik net keek. Wat dat betreft is Bjorn Kuiper voor mij wat de omvallende boom in het woud was voor Plato: valt die boom ook om als je niet kijkt?). Op Twitter, bij de NOS en bij Omroep MAX. Op Zoek Naar De Gehurkte Man.
Signalement: gele jas, bril en een rode tas. En ‘vermoedelijk een Fransman of een Belg.’ Ton Ojers, het voormalige amateurvoetbalorakel van RTV Noord-Holland, zou zeggen: ‘Ik wens je geen succes, want ik denk dat het niks wordt. Toch wens ik je succes.’

The One and Only Hurking Man
Kuipers actie is inmiddels viral gegaan als de betere griep. Tot aan België en Frankrijk zijn ze op de hoogte van L’Homme Acroupissand.
O, wat zou ik hem graag zijn, De Gehurkte Man. Gewoon, Bjorn Kuiper opbellen en niets zeggen, maar meteen heel hard gaan huilen. Of een bewogen foto van Hennie in een envelop stoppen, plus een stomerijbonnetje van 13 april 1983. Of anders rechtstreeks naar DWDD spurten om op hoge toon alsnog mijn plek in de sportgeschiedenis op te eisen. Gele jas op tafel en roepen: ‘Deze parka heeft alles gezien!’
(Alleen al om het woord ‘parka’ op televisie te kunnen uitspreken zou ik De Gehurkte Man willen zijn). Maar helaas: in april 1983 was ik -2,5 en vroeg of laat gaan mensen -1 en -1,5 bij elkaar optellen.
Goed, ik val dus af. Maar wat te doen met al die mannen die best De Gehurkte Man geweest zouden hebben willen kunnen mogen zijn? Die gaan zich de komende dagen bij Bjorn Kuiper melden, dat kun je op je vingers natellen. Na iedere oproep in Opsporing Verzocht schijnen er altijd wel mensen (mannen, bijna altijd mannen – mannen zijn gek) zichzelf telefonisch als dader te melden. Vaak bekennen ze in een moeite door de moord op Kennedy. Ik denk die mensen te begrijpen. Ze zien de achterdeur van de wereldgeschiedenis open staan en glippen naar binnen.
‘Met Kuiper!’
‘Hallo! Ik ben De Gehurkte Man! Hallo?!’
‘Dat is geweldig nieuws. En u spreekt nog Nederlands ook. Heeft u een foto van dat bewuste moment? Misschien kunnen wij elkaar snel ontmoeten?’
‘Eeehh…. Ik zal het aan de begeleiders hier vragen. Of het mag.’

Maar aan die Gehurkte Mannen dacht ik niet deze week.
Ik dacht aan De Enige Echte Gehurkte Man. The One and Only Hurking Man – het klinkt als een door Giel Beelen het graf ingeprezen Brits garagebandje.
Hij leeft vast nog, die man – dat moet, voor het verhaal. Hij moet inmiddels op de een of andere manier toch ook lucht gekregen hebben van Bjorn Kuipers queeste. Wie weet is hij intussen een beroemd fotograaf, een Corbijnachtige in een penthouse in New York. Een oude boer met wifi-angst. Of een gesjeesde makelaar die namens het Vlaams Belang in een of andere gemeenteraad zit. Dat is zo geweldig aan de zoektocht van Bjorn Kuiper: hoe langer hij duurt, hoe langer de fantasie tijd heeft om warm te draaien.

Hurken
Ik zie een vertegenwoordiger in houdbaar broodbeleg voor me. Net gepensioneerd. Heeft nog maar pas de potten pindakaas en de pakken chocoladevlokken aan de wilgen gehangen en vult zijn dagen nu met het oplossen van sudoku’s en het schrijven van bezwaarschriften. Ze willen de weg door het dorp verbreden, maar dan kennen ze hem nog niet. Misschien zit hij in het bestuur van de klaverjasclub. Of is hij daar juist uitgezet vanwege zijn anarchistische ideeën? Mogelijk – de toedracht van zijn vertrek is nooit helemaal opgehelderd. Er wordt wel over gepraat in het dorp. Maar ja: in het dorp wordt zoveel gepraat.
Martin. Zo heet hij. Martin, op zijn Frans uitgesproken, met zo’n zeurende zucht aan het eind. Nooit getrouwd. Had-ie best gewild, maar het kwam er niet van. Hij was slim genoeg om te gaan studeren. Kunstgeschiedenis, dat interesseerde hem. Maar ja, hoe gaan die dingen? Hij kreeg die baan aangeboden en je was blij als je wat had, toen. Zijn ouders vonden het ook het beste. Hij neemt ze niks kwalijk, ze hadden het beste met hem voor. En het was mooi werk, eerlijk, en het betaalde prima.
Aan de muur in zijn woonkamer hangt een Mondriaan. Een poster hoor, geen echte. Hij houdt van de eenvoud, de felle kleuren. Het leven in het dorp is grijs, altijd geweest, de kleur van een regendag. Hij kijkt elke dag wel even naar het schilderij-dat-eigenlijk-een-poster-is. Hij kijkt ernaar zoals andere mensen naar een spelletjesprogramma op televisie kijken. Soms alert, alsof het schilderij een raadsel is dat oplossing behoeft. Een andere keer afwezig, als een verveelde scholier. Vroeger hield hij van sport. Voetbal, tennis, biljart. Koers. Daar ging hij altijd heen, als het een beetje in de buurt was tenminste. Maar dat doet hij al lang niet meer.
Martin staat op de bovenste trede van de keldertrap als hij de deurbel hoort. Lekker laten gaan, denkt hij. Hij heeft nog werk te doen, beneden. Die foto’s ontwikkelen zichzelf niet.
Nog een keer die bel. Een dreinerig geluid, doordringend. Daarna: gebons op het glazen ruitje van de voordeur.
‘Martin! Martin! Ben je thuis? Je bent thuis, ik weet dat je thuis bent!’
De buurman. Roger. Ook op z’n Frans. Roger en Martin knippen twee keer per jaar samen de heg. Verder spreken ze elkaar eigenlijk nooit.
‘Martin! Doe open! Man, je wordt gezocht! Je staat in de krant, ik zag het meteen aan je rode tasje.’
Nog steeds staat Martin op de bovenste tree van de keldertrap, zijn rechterhand klemt zich rond de houten leuning. Hij werpt een blik op het rode tasje dat onder de kapstok hangt en denkt over wat er zou gebeuren als hij de leuning los zou laten. Dan fluistert hij ‘Kwiepèèèèr’ en zakt langzaam door zijn hurken.