Een brief aan Arthur van Amerongen

Kleedkamerpraat voor het bejaardenhuis

Geliefd collega-columnist, zuipschuit, geleerd man, ironicus, visionair. Ik houd van je, maar je moet weg.

Je bezet zoals zoveel middelbare witte mannen te veel plekken in de media. Met altijd hetzelfde kunstje. Als ik de dikke laag witte schilfers heb weggekrabd, de praatjes-psoriasis die over je woorden ligt, blijft er iedere week dezelfde column over. Het eeuwig stoffig cynisme, seksisme en racisme. Stiekem toch neger zeggen. HOEI. Die Tuur durft het maar. Ouderwetse incontinentiehumor, die maar net de gemiddelde kleedkamergrap overstijgt. Daarom is het misschien ook zo populair. Trek-eens aan-mijn-vingercolumns voor boze witte mannen. Maar het wordt zo, zoo sleets, Tuur. Het begint inmiddels zoveel slijtplekken te vertonen, dat je de leegte erachter te pijnlijk kunt zien. Nihilistische spotgrollen die eigenlijk altijd ongevaarlijk blijven. Zoveel mogelijk foute, platte woordjes bij elkaar zetten, meer is het niet.

En daar is dan nu een heel boek van. Het Grote Foute Jongens Boek. Dit weekend breeduit in alle kranten uitgemeten. 286 pagina’s slap gelul. Je kunt net zo goed meteen in huize Morgendood aan de bar gaan zitten. Ik heb het hier liggen, want ik sta erin.

Dit is wat ik in jouw boek schrijf:

“Dit is er weer eentje voor op de boekenberg hoor. Een boek vol kleedkamerpraat voor je aanleunwoning. Je kunt ze ook meteen naar De Slegte brengen. Het ‘foute jongens’ boek. Twee bejaarden die zichzelf nog jongens noemen. Dat is ongeveer net zo charmant als Hitler met strikjes. En dan dat fout. O guttegut. Nou dames, berg je maar hoor. De zichzelf overschattende schrijfseniorenbrigade komt eraan. Houd je rokjes in bedwang en je petticoats vast. Don Dreumes wil er met zijn tequilakleffe pootjes onder graaien, want ooh hij is zoo fout. Zo lekker ondeugend, joh. Oi, oi, oi. Fout is het stout voor mannen, vermoed ik. Maar dan nog net een tikkie takkie kansarmer. Al niet leuk toen het nog leuk was, zeg maar. Van Amerongen die al sinds jaar en dag mijn plek in de krant bezet houdt, door iedere week precies dezelfde column vol zuur katerbraaksel te produceren. Haatbait voor de woedende witman. Jankblank zeurberichten van een middelbaar erectieprobleem op pootjes. Die iedere dag met zijn stomdronken rotterattekop op een wankel keukenkrukje gaat staan, zodat hij net bij Facebook en Twitter kan, waar hij zijn doldwaas hilarische nijlpaardplaatjes post, om die dan vervolgens met een dikke politica te vergelijken. Eeenig. Waar hij onder de noemer ‘satire’ zijn xenofobe bangbullshit post, die door zijn holhoofdige volgers echt geloofd wordt. Waar hij ons iedere dag op de hoogte houdt van welk wijf hij al dan niet geil wordt. Daar word IK dus niet geil van. Wie denkt er aan mij? God in ieder geval niet toen hij Van Amerongen schiep. En die Hoogland. Die ken ik helemaal niet. Foute jongens. Ik kan niet genoeg gottegotten om duidelijk te maken hoe treurig ik het vind. Op de voorkant in je incontinentieslip. Na midlife is het leven op, heren. Leer dat toch es. Met je malle kleurboek. Fout. Pff. Denken dat iemand daar op zit te wachten. Dat is pas fout.”

Gisteren was ik in de Balie om te spreken over mannelijke identiteit. Jij was er ook. Daarvoor gingen we gezellig eten en praten. Althans, jij praatte, ik luisterde. Dat ben je zo gewend. Je begint iedere zin met ‘nee’, wist je dat? Later tijdens het debat waren er mannen die bevlogen spraken over waar ze in geloofden en voor vochten. Jij haalde schamper je schoudertjes op en schonk jezelf nog een whisky bij. Je viel nog net niet van het podium. Je grote foute jongenscollega Rob Hoogland gaat over de avond schrijven, geloof ik. Transgenders, queers, LHBTGQ’ers. Wat moet je ermee als gemiddelbare witte man? Schokschouderen en wat nukkige grappen maken in de zoveelste jankblankcolumn. Iedereen die anders is een circusact noemen. Dat zijn jij en Hoogland natuurlijk zelf ook. Kijk maar naar de voorkant van dat boek. De reus en de kabouter.

Je moet plaats maken, Arturo. Voor juist die bevlogenen, de gepassioneerden. Een nieuw, fris geluid. Vrouwen, allochtonen, transgenders, mensen van heel veel kleur. Van de regenboog. Ik ken jou geprovocatuur nu wel: niets doet er toe, schenk me nog eens bij, er was ooit een hoer met één been en herpes.

Het Grote Foute Jongens Boek. Uitgever: Pepper Books

Ik houd van je, Don Turio, maar je moet vertrekken. Ik weet, je bent ook een buitenstaander, maar zelfs buiten moet je weg. Want je hebt die rol uitgespeeld. Je bent lief. Mijn eigen twitter-gotchi. Stuurt me ’s nachts per dm liedjes in ruil voor wat beschonken aandacht. Je hebt humor en bent zelfspottief, anders laat je me dat stuk niet schrijven in je boek.

Je weet veel, hebt veel geleefd, gezien, overal gewoond, alles in je neus gestopt en iedereen geneukt. Maar je bent steekwoorden geworden. Zoals wij allemaal als we onze passie verliezen. Als die bevlogenheid, die ik gisteren bij die mannen in de Balie zag, langzaam uitdooft. We bereiken allemaal dat punt waarop we stoppen en toch doorleven, waarop we onszelf niet meer kunnen vernieuwen en toch nog werk maken. Een columnist moet dan opstappen, zijn plek afstaan aan degene die het verst van hem afstaat. Arthur, liefje. Jij mannelijke Eva van Liere. Je moet ophouden. Ga met pensioen. Stap op. Je zei gisteren dat je geen boek meer wilde schrijven, geen roman. Doe het wel alsjeblieft. Jij weet alles al, maar je vertelt het ons niet meer. Zeg ons weer eens iets. Wat je nu doet is de woorden anus, aambei, Sylvana en Jostiband iedere week tot een nieuw woordlapje haken en nooit meer echt, echt iets raken.