Boedapest zegt nee tegen de Olympische Spelen: wie volgt?

Er is hoop voor de wereld — ja, zelfs voor de overspannen, door het Grote Geld ziekgemaakte sportwereld. En het goede nieuws komt nota bene uit Boedapest. Uit de hoofdstad van het land dus waar de populist Viktor Orbán journalisten en andersdenkenden al jaren de mond snoert. Naast de muur die Orbán langs de grens liet bouwen, hebben de burgers van Boedapest een virtuele muur uit de klei getrokken in de vorm van een grandioos Nee tegen de Olympische Spelen van 2024. Een referendum maakte dat vrijdag duidelijk.

Wat het nog mooier maakt is dat de beweging die het referendum tegen de organisatie van de Spelen wist af te dwingen jong is. Leider András Fekete-Györ is een 27-jarige advocaat. De meeste van zijn volgelingen zijn geboren rond 1989, in de tijd dat Muren nog víelen. Zij vinden de Spelen te duur — Boedapest kan de benodigde miljarden volgens hen veel beter gebruiken voor andere zaken dan voor stadions die na twee weken sportieve jubel waarschijnlijk staan weg te rotten, zoals nu in Rio.

Murenbouwer Orbán verheugde zich enorm op de Spelen. Uiteraard, dat doen alle leiders sinds Adolf Hitler in 1936 liet zien hoe je mega-sportevenementen als de Spelen kunt gebruiken om er internationaal goede sier mee te maken.

De keuze voor de Spelen van 2024 zal, als zich geen nieuwe kandidaat-stad meldt, alleen nog gaan tussen Parijs en Los Angeles. Een verheugende trend. Voor de Spelen van 2008 (Peking) waren er tien mogelijke gaststeden, voor die van 2012 (Londen) negen en voor 2016 (Rio) zes. Voor de Spelen van 2020 (Tokyo) hadden zich nog maar drie steden gemeld.

Twéé aspirant-steden voor 2024: nog even en niemand wil het volkomen uit de hand gelopen toernooi nog in huis halen. Dat krijg je ervan als het steeds groter en duurder moet, als de infrastructuur steeds omvangrijker en moderner moet zijn, als er meer mensen en media naartoe moeten kunnen, als het kortom een prestigeproject is geworden die weinig met sport en veel met zaken doen en nationaal aanzien te maken heeft.

De laatste berichten uit Rio tonen aan hoe ontwrichtend de organisatie van het Coca Cola-event kan zijn: het Olympisch Dorp is een spookstad, stadions staan er leeg en grauw bij, het gras is bruin en in de sloppenwijken, die aangepakt zouden worden dankzij de Spelen, loopt de drek als vanouds langs de huisjes naar beneden. Verhalen over schulden en corruptie hebben de bevolking gedesillusioneerd achtergelaten. De Winterspelen van Sotsji — het naoorlogse sporttoernooi dat het meest aan dat van Hitler deed denken — hadden natuurlijk nooit gehouden mogen worden. Alleen zieke sportverdwaasden willen skiën in de subtropen.

Laat de Nolympia-beweging van Boedapest een vervolg krijgen. Laat het protest uitzwermen over de wereld. Niet toevallig zeiden de Hamburgers twee jaar geleden ook al nee tegen de Olympische Onzin. Historisch gesproken ligt het goede voorbeeld voor het oprapen: Amsterdam 1928. Dat was sober en vriendelijk en niks grootschalige pr. Als WK’s voetbal en Olympische Spelen die twee Nederlandse weken nu eens als voorbeeld zouden nemen, dan zou de sport weer toegankelijk en behapbaar worden. Het gaat voorlopig niet gebeuren, maar als dagdroompje werkt het prima.