Peter Sagan, koning onder de prinsen (Hoezee! De lente begint!)

Op zes kilometer van de finish van Kuurne-Brussel-Kuurne, verreden op een vergetelijke, potloodgrijze zondag (‘Een dag die we ook best schriftelijk hadden kunnen afdoen,’ zou Frank Snoeks zeggen), vroeg voorganger Michel Wuyts de aandacht. ‘De slotcross van het seizoen, de Kleicross in Lebbeke, is gewonnen door Dieter Vanthourenhout. Dit even tussendoor.’
Ook de somberste winters lossen uiteindelijk spoorloos op in de lente. Officieel gebeurt dat op 20 maart, maar in werkelijkheid is het voorjaar natuurlijk dit weekend al begonnen. Wuyts zei het zaterdag, tijdens de verrukkelijkste aller Omlopen (Het Nieuwsblad, meisjesnaam: Het Volk), nog een beetje bedremmeld, alsof hij de kriebels die het afbrokkelen van de winter met zich meebrengen niet had voelen aankomen.
‘Het is het voorjaar, José.’
O, wat een vooruitzicht.
O, wat had ik er zin in.
O, wat verheugde ik me.

Geen haver
De Omloop, Kuurne… Voor wie van de koers houdt, lijkt het alsof de wereld ieder jaar een beetje opnieuw begint. Misschien heeft het ermee te maken dat die winterstop zo lang duurt. Honderd dagen. Honderd dagen zijn genoeg om je te doen vergeten wat het ook alweer was dat je zo fijn vond. Alles (inclusief jijzelf) kan in de tussentijd zomaar veranderd zijn… Uiteindelijk verandert er nooit wat, en juist dat stemt de wielerliefhebber zo gelukkig. Het is die combinatie, die verse, heldere lucht en de vertrouwdheid van namen, stemmen en Vlaamse vergezichten, die van het Openingsweekend een feestweekend maakt. Vergelijk het met het wakker worden op de ochtend van je vijfde verjaardag, het aperitief in je eerste sterrenrestaurant, de warming-up voor de WK-finale. Het is het begin van iets wat lang genoeg duurt om niet direct bezorgd te hoeven zijn over het einde ervan.
(Ik verheug me trouwens maar zelden zo op dingen. Tactiek. Verwacht niet teveel en Optie 1) je krijgt gelijk of Optie 2) het valt mee. Dit jaar verheugde ik me geheel tegen mijn gewoonte in zo op het Openingsweekend dat ik het fysiek voelde. Een soort tintelen was het, ergens tussen mijn knieën en mijn ellebogen. Kennelijk had ik het erg nodig).
Twee dagen lang bivakkeerde ik in de Vlaamse Ardennen, gewoon, thuis voor de tv. Ik had de wind in het gat op dat enerverende rotstuk na de Lange Munte, terwijl ik met thee op de bank lag. Ik reed van Denderwindeke naar Merelbeke met een zak ribbelchips op mijn buik. Ter hoogte van de Hunnehemsesteenweg had ik een akker voorsprong en drie parochiezalen achterstand. Ik verroerde geen vin en toch had ik de beste benen van de hele flat.
Het viel niet tegen. Natuurlijk viel het niet tegen. De enige manier waarop het Vlaamse Openingsweekend kan tegenvallen, is als het niet doorgaat. Als je honderd dagen nauwelijks te eten krijgt, eet je ook alles dankbaar op wat ze je voorzetten. Al is het een trog haver.
Dit Openingsweekend was geen haver. Meer een 48-urig all you can eat-buffet met louter heerlijkheden. Geen beschimmeld stuk stokbrood, of een terrine lauwe satésaus met een vel, nee. Dit was pizza en pannenkoeken en garnalencocktails met extra mayonaise en frambozensloffen en cheesecakeslippers. Dit was je helemaal misselijk eten en toch nog eens langs die warmhoudplaten sjouwen. Tegen je zin opscheppen en bijvullen, omdat de gulzigheid de slag binnen in je definitief gewonnen heeft. Omdat je niet weet hoe lang je het hierna weer met droog brood moet doen. Omdat je niet weer wanneer Peter Sagan weer achter de pannen staat.
Tja, Peter Sagan. Ik ben al een tijdje geleden opgehouden met hem te beschrijven. Aan beschrijvingen van Sagan is geen eer te behalen. Het is nooit bloemrijk genoeg. Bovendien kun je de ene dag uitermate to the point zijn bovenkant vergelijken met de bassist van Aerosmith en zijn onderkant met twee vleeskleurige sequoia’s, een dag later ziet hij er alweer uit als Raspoetin, of de in een grot wonende neef van Thierry Baudet. Niet bij te houden voor een eenvoudige sportcolumnist. Ook niet voor iemand anders trouwens.
Enfin.

Zaterdag was Sagan zoveel beter dan de rest dat hij niet won – de echte wielerliefhebbers onder u begrijpen wat ik bedoel. Al spoedig na de finish ging de mare dat hij direct was doorgereden naar een toilet en daar sputterend in verdwenen was. Wat hij daar deed, werd aan de verbeelding van de kijker overgelaten. Eenmaal bevrijd nam hij plaats op een van de krukjes achter het erepodium. Ik zag hem voor het eerst sinds oktober. Sindsdien had hij een soort tuintje op zijn kin gekweekt dat ze in low budget-kinderseries vaak gebruiken voor een baron of een graaf. Op de vraag of hij soms ziek was, antwoordde Peter Sagan: ‘No. I think it’s normal for people to on toilet.’
(Ook aan een beschrijving van de stem van Peter Sagan waar ik mezelf niet meer. U, lezer, kunt met een heliumballon en wat opgewekt gekruid Poetin-Engels een heel eind komen).
What’s your analysis of the race?’ vroeg Renaat Schotte.
Peter Sagan keek een tijdje naar de microfoon op de manier waarop een sinaasappel naar een citruspers kijkt. Uiteindelijk piepte hij: ‘It’s good.’
De microfoon bleef nog even hangen ter hoogte van zijn mond, maar toelichting kwam er niet.
Even later, in het Sporza-aquarium, liet hij zijn krukje zakken tot de laagste stand. Daar zat hij, de reus vermomd als dwerg, kin op de desk, het haar als ongewassen gordijnen aan weerszijden van zijn blekig gezicht. Was hij stoned? Oververmoeid? In de war? Was hij zijn hersenen voorgoed verloren in een Dixi bij de finish? Nee, hij was gewoon wat pret aan het maken. Plotseling richtte hij zich op, richtte zich tot Sep Vanmarcke, met wie hij in de kopgroep had gespeeld als een reusachtige kat met een babymuis, en vroeg: ‘Why you don’t attack?’
Because,’ antwoordde Vanmarcke vaderlijk, ‘we said we’d go for a sprint.’
En Sagan, op de toon van Henk Krol die zijn eigen pensioenplan nog eens narekent: ‘O.’

Genoeg
Zondag won Sagan de tweede helft van het openingstweeluik. Hij walste zijn tegenstanders plat, liet ze terugkomen en vernietigde ze vervolgens met pijnlijke nonchalance in de sprint. Daarna graasde hij een handje Gummiberen uit de hand van zijn verzorger en stelde vast dat hij blij was met deze overwinning. Even wachtte ik tot hij op zijn hoofd ging staan en met zijn baard-ternauwernood-in-de-keel-stemmetje zou zeggen dat hij er compleet ondersteboven van was. Maar dat deed hij niet. Er kwam ook geen nabeschouwing met Eddy Planckaert, geen analyse met Nick Nuyens en ook geen aan Tom Boonen opgedragen mis.
Op Sporza gingen ze verder met veldlopen.
Ik wilde het graag jammer vinden, maar wist ook: het was genoeg geweest. Voor dit weekend dan toch.