Leraren stemmen overwegend links: hoe erg is dat?

Uit een enquête van de Algemene Onderwijsbond blijkt dat de meerderheid van hun leden links, of op zijn minst progressief stemt. Deze leden zijn voornamelijk (86 procent) onderwijzers. De vraag of dit een probleem is, werd door AD-journalist Wierd Duk op Twitter geplaatst en meteen door hemzelf voorzien van een zijn antwoord. Hij vond het ‘onwenselijk’. Hoe problematisch is het dat docenten overwegend links zijn?

Duk werd afgelopen weekend in de Volkskrant nog uitgebreid besproken als prominente opiniemaker. Toen de uitslag van de enquête gepubliceerd werd, sprong hij direct in die rol met de volgende tweet:

De tekst gaat door onder de tweet.

Vervolgens gebeurde er iets onalledaags op twitter: er volgde een inhoudelijke discussie. Dit zorgde er allereerst voor dat Duk verder uit kon leggen wat hij er dan onwenselijk aan vond. Zo veronderstelt hij dat de politieke oriëntatie van onderwijzers invloed heeft op hun lessen, hetgeen hij baseert op ‘de vele mails die ik krijg (-), die mening wordt er volgens kinderen en ouders te pas en te onpas ingepompt.’ Maar bovenal wil Duk ‘een afspiegeling van de samenleving voor de klas.’ Duk maakt duidelijk zijn punt, maar krijgt ook voldoende tegenstand, en nog met onderbouwing ook.

Is D66 wel links?

Onder meer SP-voorzitter Ron Meyer kaartte aan dat Duk de cijfers wel erg vrij interpreteert. Het is maar net wie je als links bestempeld.

De tekst gaat door onder de tweet.

Duk neemt D66 mee in zijn optelsom van linkse partijen. De Dagelijkse Standaard noemt D66 zelfs ‘keihard links’, maar daar zijn ze dan ook volgens analyses het Nederlandse Breitbart voor. Het is maar zeer de vraag of Alexander Pechtold er mee akkoord zal gaan als je hem als leider van een linkse partij noemt. En ook in het Kieskompas staat D66 (net) rechts van het midden.

D66 is de grootste partij onder docenten met liefst 27 procent. Als je deze procentpunten aftrekt van het totaal van 77 blijft er slechts 50 procent over. Dat is al een stuk minder uitgesproken. Ander opvallend detail: Duk rekent de Partij voor de Dieren en 50plus niet mee in zijn optelsom van linkse partijen.

Rechtse mensen in het onderwijs

Een suggestie die op Twitter voorbij kwam, was het omdraaien van de vraag. Waarom willen rechtse mensen eigenlijk niet in het onderwijs werken? Het antwoord van Duk ging over rechts. Rechtse mensen zouden goed willen verdienen, en dat geld is er niet in het onderwijs. Hoe dat geld er wel komt is dan net weer een heikel punt, voor rechts Nederland. Ook dit werd vakkundig aangekaart op Twitter:

De tekst gaat door onder de tweet.

Flink investeren in onderwijs is namelijk een ‘links’ punt, als we D66 net zoals Duk links noemen. De twee grootste partijen onder de docenten zijn D66 en GroenLinks, bij uitstek partijen die willen investeren in het onderwijs. Wanneer je als onderwijzer in je eentje voor een klas van dertig kinderen staat, met verouderd lesmateriaal moet werken en aan het einde van de maand een bescheiden salaris gestort krijgt, is het niet onbegrijpelijk dat je op een partij stemt die meer wil investeren in het onderwijs.

Bovendien lijkt het logisch dat onderwijs voor docenten een cruciaal onderwerp is in het bepalen van hun stem. Het eigen leven van een stemmer is vaak leidend in zijn stem. Weinig mensen in de bijstand zullen stemmen op een partij die de bijstand wil korten. Of zoals filmregisseur Martin Koolhoven het weet te verwoorden:

De tekst gaat door onder de tweet.

Meester Rutte

Het is de vraag aan wie de niet-representatieve politieke verhoudingen van de docenten te wijten is. De meest voor de hand liggende oplossing zou zijn dat rechtse partijen zich meer als onderwijspartijen gaan profileren, en meer gaan investeren in onderwijs. Dit zal het voor docenten verleidelijker maken om op rechtse partijen te stemmen. Bovendien zullen investeringen tot hogere salarissen in het onderwijs leiden, wat volgens Duk rechtse mensen aantrekt.

Duk heeft natuurlijk gelijk dat het onwenselijk is dat leerlingen op school een eenzijdige politieke zienswijze te horen krijgen. Voorlopig is het vooral aan de docenten om hierop te letten. We mogen er toch vanuit gaan de Mark Rutte zijn wekelijkse les maatschappijleer niet afsluit met: ‘en vanmiddag allemaal tegen jullie mama’s en papa’s zeggen dat ze op de VVD moeten stemmen.’

Update 31/03:

Verschillende onderwijsbonden

Een belangrijke kanttekening die nog geplaatst moet worden bij de door Duk aangehaalde enquête is de representativiteit. De enquête is afgenomen onder de leden van de Algemene Onderwijsbond. Vakbonden zijn arbeidersverbonden, waardoor de leden traditioneel eerder naar links dan naar rechts leunen. De VVD is meer een werkgeverspartij, terwijl de PvdA zelfs het woord arbeid in haar naam heeft. Het lijkt een logische veronderstelling dat de ‘linksheid’ ook opgaat in het onderwijs. Hierdoor zal deze enquête, afgenomen onder vakbondsleden, linkser uit zal vallen dan wanneer er een enquête gehouden zou worden onder niet-vakbondsleden.

Daarbij is de AOB de grootste maar zeker niet de enige onderwijsbond in Nederland. Ook CNV Onderwijs, ABVA/KABO en UNIENFTO zijn bonden waar leraren bij zijn aangesloten. Deze bonden hebben hun eigen ‘inslag’, en trekken dus ook leden van een andere politieke oriëntatie aan. Volgens de AOB werken in Nederland 350.000 mensen in het onderwijs, waarvan 140.000 mensen zijn aangesloten bij een vakbond. Daarvan is zestig procent (85.000 mensen) aangesloten bij de AOB. De AOB benadrukt politiek onafhankelijk te zijn. Het lijkt waarschijnlijk dat met name onderwijzers die werkzaam zijn in het openbare onderwijs lid zijn van AOB. Voor de onderwijzers in het religieuze onderwijs lijken andere bonden meer voor de hand liggend. CNV onderwijs benadrukt bijvoorbeeld geworteld te zijn in de joods-christelijke traditie. Met dat in het achterhoofd is het aanzienlijk minder verrassend dat slechts vijf procent van AOB-leden op een christelijke partij stemt. (drie procent CDA, twee procent ChristenUnie, nul procent SGP) Dit zijn niet alleen christelijke maar ook rechtse partijen.

Zo zijn zowel stemmers van werkgeverspartij VVD, als die van de christelijke partijen slecht vertegenwoordigd in de geënquêteerde groep. Naast de kanttekeningen bij de interpretatie van de cijfers waar dit artikel mee begon, kan er dus ook een kanttekening geplaatst worden bij de vraag in hoeverre deze cijfers representatief zijn.