Waarom praten tegen dieren en voorwerpen een teken van sociale intelligentie is

Antropomorfisme volgens Nicholas Epley

Wanneer volwassenen menselijke eigenschappen toedichten aan dieren of objecten wordt dit zogenaamde antropomorfisme vaak gezien als kinderachtig en dom. Volgens gedragswetenschapper Nicholas Epley doen we dit echter voortdurend, bewust én onbewust. Het is volgens hem geen teken van domheid, maar een reflectie van het grote vermogen van onze hersenen en teken van sociale intelligentie.

Kinderen die hun speelgoed een naam geven en praten tegen knuffels, vinden we schattig. Maar als volwassenen hun plant begroeten of auto een naam geven, wordt dit vaak onvolwassen of zelfs stupide bevonden. Zo liet dierenpark Artis vorig jaar weten af te willen van de ‘vermenselijking’ van haar inwoners. Dieren een naam geven in plaats van bij de soortnaam te noemen zou volgens de dierentuin de educatieve functie ondermijnen.

Blije tomaatjes en brutale katten

Epley stelt dat we voortdurend bezig zijn dingen te vermenselijken. We vinden onze kat ‘brutaal’, noemen de beurs ‘boos’ en zeggen tegen een auto die niet wilt starten ‘kom op, jongen’. Ook de reclamewereld is niet vies van antropomorfismen, zo merkte Teun van de Keuken laatst op. Van de Keuken verzuchtte zich in een column voor de Volkskrant over menselijke emoties die marketeers aan producten toekennen. De ‘blije tomaatjes’, ‘zout met lef’ en ‘sap waar fruit trots op is’ zijn volgens de columnist ‘bijna ontoelaatbaar raar’.

Volgens Epley is er niks raars aan, maar is het een bijproduct van het hebben van een actieve, intelligente sociale cognitie. Aan Quartz legt hij uit: “Hetzelfde psychologische effect treedt op wanneer je je bewust bent van de geest van ander persoon en wanneer je een geest herkent in andere dieren, een god of zelfs een gadget. Het is een weerspiegeling van het grootste vermogen van onze hersenen in plaats van een teken van onze domheid.”

Waarom we objecten graag een gezicht geven

Waarom we veelvuldig objecten vermenselijken heeft volgens de gedragswetenschapper drie hoofdredenen. De eerste verklaring is dat mensen gedreven zijn de aard van een object te zien. Dit instinct komt door de behoefte om verbanden te leggen, wat ons moet helpen gevaarlijke patronen te herkennen. Vaak zien mensen zelfs gezichten in objecten. Op Twitter is er zelfs een account met voorbeelden.

De tekst gaat verder onder de tweets. 

Menselijkheid

Een andere reden is dat we graag een geest geven aan dieren en voorwerpen die we graag mogen. Uit onderzoek is gebleken dat we liever namen geven aan en praten tegen dieren en dingen (zoals auto’s) die we graag bij ons houden. Door antropomorfisme wordt de afstand tussen mens en dier en mens en object kleiner. Dat we dieren graag vermenselijken is van belangrijke invloed op het bepalen van dierenrechten.

De derde oorzaak is dat we onvoorspelbaarheid als teken van menselijkheid interpreteren. Onderzoek wijst uit dat mensen vaker praten tegen apparaten die onvoorspelbaar functioneren of een mankement hebben. Falen is immers ook menselijk. Hard bewijs voor de link tussen antropomorfisme en een grote sociale intelligentie heeft Epley nog niet. Maar het beschouwen als kinderlijk en dom noemt hij verkeerd en betreurenswaardig.