De Ronde van 2017: de body double van Jerommeke, een spuugspoortje en een koers die nooit ophoudt

De Mona Lisa, van de Italiaanse klimmer Da Vinci, kent u die?
Ongelooflijk schilderij. Waarom? Omdat iedereen het een ongelooflijk schilderij vindt. U kunt wel bij een ander doek gaan staan, in het Louvre, ingespannen doen alsof u een kenner bent, alsof Mona het voor u niet meer doet, het voor u nooit echt gedaan hebt. La Gioconda. Het zal wel. Had van u ook best ‘Slordig portret van schele troela’ mogen heten. U bent een kenner, u geniet meer van de eenvoud van een stilleven als ‘Drie kroketten op brood’ van Jopie Graskluiver. En toch… zodra je eenmaal die zaal met die glazen kooi binnenloopt, wil je niks anders dan dat schilderij bekijken. Omdat het een ongelooflijk schilderij is.
Zo ongeveer werkt het ook met de Ronde van Vlaanderen.

Al het voorgaande is leuk en aardig. Omloop Het Nieuwsblad, E3, Gent-Wevelgem; wat siervuurwerk, een voetzoeker en een verdwaalde knalerwt. De Ronde van Vlaanderen, dat is een lawinepijl in een stalen vuilnisvat. Het is onmogelijk te voorspellen hoe het afloopt, maar je weet zeker dat er een dreun aan te pas komt. Of, als u niet van vuurwerk houdt: vergelijk het met een zesweekse cruise waar je dertig jaar hutje bij mutje voor hebt opzijgelegd. Als je je zo intensief op iets hebt verheugd, is alles mooi en kan het je niet lang genoeg duren. De hemel is blauwer, de zee zouter, de jarigen jariger en de hoelarokjes hoelariger. Dit noemt men, met een afschuwelijk woord, de genietmodus.
Die modus kon zondag bij het ontwaken direct aan. De dag had nog nauwelijks besloten welk weer het ging worden, ik lag me nog geestelijk voor te bereiden op de ochtendpap, maar in Oudenaarde zat de immer glunderende Karl Vannieuwkerke in zijn jaarlijkse aquarium de zaak al voor te beschouwen dat de stukken eraf vlogen. De glazenbolkijkers van dienst – Eddy Planckaert en Sven Nys – zaten naast een mandje croissants dat de hele verdere ochtend onaangeroerd bleef.
Stuntcroissants, vermoedelijk.
Nog 257 kilometer te rijden en ik ging maar eens pap maken.

Bij terugkomst lagen er zes renners op kop. Ik kende er niet een. Dat hielp, voor het Rondegevoel. Vergeet de lawinepijlen en de cruises even. De Ronde van Vlaanderen, dat is een ontdekkingsreis waarbij je alleen een vaag vermoeden hebt van de route, zonder dat je ook maar het flauwste vermoeden hebt wat er zich op die route zal gaan afspelen.
Je weet, eigenlijk, maar een ding zeker: de beslissing valt op de laatste keer Oude Kwaremont.
De Rondekijker is een moderne Odysseus, zeilend door een wieler-terra incognita. Het was er goed toeven, zondag. Het verse aprillicht viel in smalle stroken over het asfalt, het gras in de berm was groen als in de prentenboeken en de afbladderende appartementencomplexen waar ze in Vlaanderen om onduidelijke redenen heel lekker op gaan kregen plots iets aantrekkelijks. Ook de helse Vlaamse huizen, van die eengezinsvrieskisten die altijd lijken te fronsen, oogden opgetogen. Je zult er maar wonen, dacht ik jaloers. Zelfs de hopen puin, die her en der in het land liggen verspreid, vermoedelijk om de mens eraan te herinneren dat alles, ook hijzelf, vroeg of laat als puin eindigt, glinsterden. Het hele jaar oogt Vlaanderen als een kermis op een doordeweekse ochtend, behalve als er een koers passeert. Dan straalt alles opeens als een radioactieve bloemkool.

De onbekende koplopers reden Oost-Vlaanderen binnen. Af en toe doorkruisten ze een door cartografen over het hoofd geziene nederzetting, waar dan plots, achter een onaanzienlijk hoekje, tweehonderd inboorlingen met glimmende Jupilerhoofden de koers stonden op te wachten. Trots dat hij voorbij kwam. En wie hoorden we daar in de verte? Waren dat de zoete tonen van de nimf Kalypso? Was het de cycloop Polyfemos, zeg maar de eenogige Trump van de Griekse mythologie?
Nee. Neenee.
Als daar de tandem Wuyts-De Cauwer de woonkamer niet binnengepeddeld kwam. Wuyts en De Cauwer, de Cruijff en Keizer van het wielercommentaar, mannen wier zinnen bij iedere verandering in de koers opfladderen als schrikachtige mussen, om kriskras door de uitzending weer neer te strijken.
Haihai Michel, haihai José!
Het was nog altijd onchristelijk vroeg, maar Michel en José waren al wat willekeurige associaties over en weer aan het pingpongen.
“Zijn we al in Oost-Vlaanderen?”
‘Ik denk dat we al in Oost-Vlaanderen zijn… (…) En we zijn weg.”
“Waarom zeg je: we zijn weg?”
“We zijn niet weg. We zijn in Oost-Vlaanderen.”
Het tempo lag krankzinnig hoog voor de zondagochtend, en niet alleen in de commentaarcabine. De kopgroep jaste door het Vlaamse land, op weg naar de zekere nederlaag. Er kwamen nog meer renners bij. Kende ik ook niet. En de zon maar schijnen, en Michel en José de uren tot de lunch maar volmetselen met dialogen waar geen touw aan vast te knopen viel.
“Jij hebt hier ook gereden.”
“Dat is lang lang geleden.”
“Ken jij Lang Lang?”
“Lang lang? Lang lang geleden?”
“Lang Lang. Chinese toppianist.”
“O.”
“We naderen Beveren met de kopgroep. Jammer dat we niet door het centrum van Beveren komen. Ik heb zelden zo’n mooie ruimtelijke ordening gezien als in Beveren. En hier zitten we weer bij de twee achtervolgers. Of zijn het er drie?”
“Geen twee zonder drie.”

Krimson en de Wet van Heinen

Voort ging de dag, voort ging de koers, dwars door een blozend België. Ik besloot een favoriet in de kopgroep te kiezen. De keus viel op André Looij, een Nederlandse sprinterachtige die – mocht het niet lukken met de fiets – altijd nog verder kan als de body double van Jerommeke.

Lang gebeurde er niet veel belangwekkends. Want dat vergeten ze er nog wel ‘s bij te vertellen, in die folders over cruises of in die heldendichten over zeilende zeehelden: dat er soms ook weken niks gebeurt. Gewoon: niks. En als er in een wielerkoers niks van belang gebeurt, als de commentatoren hun toevlucht nemen tot het navertellen van het wedstrijdverloop van schijnbaar willekeurige koersen uit de tijd dat de volgwagens nog door paarden werden voortgetrokken, als de helikopter zacht en heilzaam bromt, als je steeds wat verder onderuitzakt op de bank, net zo lang tot het woord ‘zitten’ al lang de lading niet meer dekt, als het zonlicht schuin op het tv-scherm valt, zodat je in het tegenlicht hoogstens nog wat profielen kunt onderscheiden, als je zeker weet dat de beslissing de komende tachtig kilometer niet te verwachten valt, dan treedt de Wet van Heinen in.

De Wet van Heinen luidt: als aan alle bovenstaande criteria is voldaan, val je onherroepelijk in slaap. Zo’n typische middagdommel, inclusief spuugspoortje bij je mondhoek. En je hoort nog wel dat Renaat Schotte inbreekt met nieuws over de lekke band van Yves Lampaert, maar het lukt je niet meer om er van op te schrikken. Het laatste wat je verstaat, is José de Cauwer die zegt: “Ik weet dat daar een eendenkooi is.”
Ik droomde zondag van André Looij, die samen met Sidonia Krimson probeerde te lossen op de Kanarieberg.

Kort na de Muur schoot ik wakker.
Alles was anders.
Het peloton was uiteengeslagen in talloze groepen, groepjes en zwalpende eenlingen. Het veld lag erbij als de onderste beschuit in het pak: volkomen verbrokkeld. Gilbert, Boonen en Vanmarcke reden voorop en Greg van Avermaet was zoek.
“Greg is zoek,” mompelde ik.
“Ach,” zei de vriendin vanaf het terras, “de beslissing valt toch pas op de laatste keer Kwaremont?”
En dat klopte natuurlijk, behalve dat er deze keer geen hout van klopte. Naarmate de koers vorderde, drong het tot me door: ik keek achter de feiten aan.
Natuurlijk: er viel nog ontstellend veel te beleven in de reis richting Oudenaarde. De val van Vanmarcke, die in de middenspleet van het macadam (ook wel: bitumineuze voegvullingsmassa) stuurt en als een oude van dagen op een e-bike het decor in lazert. De amechtige pogingen van Van Baarle en Fellini, de grote Italiaanse regisseur die 25 jaar na zijn dood nog verrassend soepel over de kasseien glijdt. De aanval van Philippe Gilbert, op zestig kilometer van de finish. Tom Boonen, met panne op de Taaienberg, woedend, terwijl in de verte zijn droom van hem wegfietst. De klopjes op de rug van Tom Boonen, de klopjes van oprecht medeleven.
Het beeld van Philippe Gilbert, als een razende bij tussen akkers door.
“Zijn ze al op de Kwaremont?” vroeg de vriendin.
“Nee.”
“Dus nog geen beslissing?” vroeg ze. Lief, die denkt dus echt dat je een ontdekkingsreis kunt uitstippelen. Op de Kwaremont zou natuurlijk niks mee gebeuren. Nou ja, Gilbert zou er overheen jakkeren en dan, op gepaste afstand, de rest, Sagan en Van Avermaet en Van Baarle, zoals op koningsdag alle onbelangrijke prinsen en bekende bastaarden op gepaste afstand van het koekhappende paar vooraan blijven.
“Gaat niks meer gebeuren,” zei ik.
(En er gebeurde ook niet echt meer iets op die laatste keer Kwaremont. Nou ja, op de dominosteentjesachtige val van drie topfavorieten na. En op de jas (of was het een vest?!) die schuldbewust in de berm bleef liggen na. En op het beeld van de ploegleider van Sagan die zijn hoofd op het stuur liet stuiteren en die het even niks kon schelen of hij nu iemand doodreed na. Maar verder? Nada.)

Eindpunt

In de slotkilometers begon Gilberts voorsprong plotseling in te storten. Als dat zo doorging, zou hij nog worden ingelopen. Maar even plotseling als de tijdsverkruimeling begonnen was, hield-ie ook weer op.
“Is het nou klaar?” vroeg de vriendin.
“Dat lijkt me wel.”
Vlak voor de finish remde Philippe Gilbert, stapte af en tilde zijn fiets boven zijn hoofd.
“Wat doet ie nou?” vroeg de vriendin.
“Ik weet het niet,” zei ik, want ik wist het niet.
Gilbert stapte met fiets en al over de streep en de vriendin vroeg: “Kan er nu nog iets gebeuren?”
“Ik weet het niet,” zei ik. Dat had ik – niet voor het eerst –van het wielrennen opgestoken: van werkelijk grote wedstrijden kun je meestal wel ongeveer zeggen wanneer ze beginnen, maar je kunt met geen mogelijkheid voorspellen wanneer ze afgelopen zijn. Hetzelfde geldt voor ontdekkingsreizen: hoe weet je of je werkelijk bij je eindpunt bent beland, als je dat eindpunt nooit eerder hebt gezien?
Wie de Ronde van Vlaanderen 2017 wint? Geen idee. Maar ik geef Philippe Gilbert een goeie kans.