Greg! Greg! GREHEHEHEHEG!

1.
‘Nou. Parijs-Roubaix. Zal mij benieuwen.’
‘Mij ook.’
‘Wie ben jij?’
‘Ik ben het deel van jou dat op een zonnige zondag liever naar buiten gaat dan met de gordijnen dicht voor de tv blijft zitten.’
‘Anders valt het licht op het scherm. Nou, als je je mond maar houdt tijdens de koers. Op zondagen in april wil ik alleen Wuyts en Vannieuwkerke horen. Nou, nu wachten op de lange ontsnapping. Kijk, daar heb je Boonen. Oe, wat ziet dat er soepel uit.’

2.
‘Godnondeju, wat rijden ze hard. Kijk nou toch! Komt door het mooie weer. Veel te mooi weer joh, dit. Dat is die fucking opwarming van de aarde, dat ze hier nu zonder overjasjes kunnen rondrijden. Kijk nou! Het koolzaad staat te bloeien alsof het potverdomme Zwarte Zaterdag is. Al die vrolijkheid, dat geel en dat pas gewassen blauw van de lucht… Gatverdamme! Is dat nou de hel? Is dat nou topentertainment? En dan ook nog wind mee! Ja, dan kan ik ook wel hard rijden in het eerste uur. Allemachtig, zeg. Kijk, Boonen. Zie eens hoe makkelijk.’
‘We zouden ook even op het terras kunnen gaan zitten, qua fucking opwarming?’

3.
‘Wie is dat?’
‘Wie is wat?’
‘Die man die je steeds net niet kunt verstaan?’
‘Dat is Renaat-op-de-motor.’
‘Waarom herhaalt hij steeds wat we net gezien hebben?’
‘Dat heet commentaar geven, dat snap jij niet.’
‘Ga je nou echt de hele middag…?’
‘Ja. Kijk, Boonen. Goed voorin. Goeie tattoo ook.’

4.
‘Hallo. Ja, hallo! Ja, je sliep!’
‘Ik sliep niet!’
‘Je sliep!’
‘Ik hield mijn ogen dicht om me beter op de wedstrijd te concentreren.’
‘Wie denk je trouwens dat er gaat winnen?’
‘Boonen.’
‘En wie hoop je dat er gaat winnen?’
‘Greg. Ik ben gek op Greg. Ah, daar is Boonen. Kijk nou toch. Majestueus. Een zwaan in een modderslootje is het.’

5.
‘En ga je hier dan een “column” over schrijven?’
‘Ssst. Is dat Boonen al? Die derwisj die daar door die stofwolken zweeft? Nog honderd kilometer. Oelalalalalala. Da’s Boonen. Jajajajajajaja. Natuurlijk is dat Boonen. Wuyts, waar is Greg? Wuyts, kom op man! Als Boonen hier wint, overleeft die kerel het niet.’
‘Houdt Wuyts van Boonen?’
‘Houdt Wuyts van Boonen? Is Messi een aardige speler? Is het zorgelijk om met jezelf in gesprek te zijn? Man, Wuyts houdt meer van Boonen dan hij van zichzelf houdt. Boonen, dat is voor Wuyts een beetje Nuyens plus Naesen plus Vanmarcke plus Van Avermaet plus Vandenbroucke plus Roelandts. Qua liefde. Snap je?’
‘En ga je hier dan zo’n “column” over schrijven?’
‘Ssstt.’

6.
‘Waarom beginnen ze nou te schreeuwen?’
‘Het Bos.’
‘Welk bos?’
‘Het Bos. Het Beest. De Hel. De Dodemansakker. Stablinskiland. Gewoon, Het Bos.’
‘Wij zouden ook lekker naar het bos kunnen gaan.’
‘Ben je helemaal gek? Heb je gezien hoe die stenen erbij liggen? Ah, Boonen. Oe, makkelijk! Mak-ke-lijk.’

7.
‘Wat zeiden ze?’
‘Sliep je nou alweer?’
‘Ik was even afgeleid. Wat was het laatste wat ze zeiden?’
‘Die ene zei: Het is ook puzzelen. En toen zei die ander: Je moet af en toe eens wachten het volgende stukje te leggen. En toen zei die ene weer: Daar in die bocht heb ik nog eens drie kasseien gelegd. En daarna die ander: O. En toen zei die ene, die van die kasseien, dat het al bijna 170 kilometer strijd was. En toen zei die ander zoiets van: da’s een liposuctie van een uur of vier. Maar ik weet niet of ik dat helemaal goed verstaan heb.’
‘Dat zal wel. Boonen iets verder naar achter. Maar nog altijd supersterk.’

8.
‘Hee, die heeft een knotje.’
‘Dat is Oss.’
‘Hij heeft een knotje.’
‘Wat doet dat er nou toe?’
‘Ik vind dat leuk, een renner met een knotje.’
‘Het is gewoon Oss. Hee, Sebas! Kijk ‘m gaan! Kijk ‘m glijden over die kasseien! Als een Swifferdoekje over het parket.’
‘Ken je die?’
‘Hoezo: ken je die? Het is Langeveld.’
‘Omdat je ‘Sebas’ zegt?’
‘Zo heet ie.’
‘Hoe zou jij het vinden als jij in een koffiezaak zat te werken en er opeens een paar wildvreemde ‘Frenkie! Frenkie!’ begonnen te scanderen?’
‘Ik… Ik… Ik zit niet in Parijs-Roubaix. Waar rijden ze nu?’
‘Volgens die ene tussen Orchy en Orchy-de-la-Chy-de-l’Or-sur-le-chi.’
‘Nog 38 kilometer dus.’

9.
‘Daar wappert-ie weg, met knotje en al. Haha. Kom op Greg! Kom op! Kom op Sebas, bijblijven nou. Kijk die fluwelen peddel, kijk ‘m die pedalen strelen, o o o!’
‘Ik vind het wel geze-‘
‘Ah, daar is Boonen. Veertig seconden. Kan nog Tom, kan nog!’
‘… dat we elkaar nu eens-‘
‘Kom op Stybar, meerijden, niet van dat benauwde! Klotetsjech!’
‘… toch een vorm van echt conta-.’
‘Carrefour! KA. RUH. FOER!’

10.
‘Schoentjes goed doen. Heel goed. Er is tijd, rustig aan, ruSTYBAR! Stybar gaat! Wat een smeerlap, kom op Greg, komopkomopkomop. En Sebas ook, in dat wiel, komopjongen! Aanzetten, kom op, drie meter! Yes, heel goed. Weg met die helikopterbeelden, WEG! Koers wil ik zien.’
‘Kijk, Boonen!’
‘WEG met Boonen! Wat moet ik met Boonen? Hij schudt nee, Sebas schudt nee! Wat is er gezegd, wat is er besproken? Is het geld, gaat het om geld? Geen geld, Sebas! Geen eeuwige roem verpatsen, alsjeblieft! Niet meer overnemen! Wat zeg ik nou?! NIET. Overnemen! Niet doen! Neehee! Laat Greg het doen! Dat is de sterkste! Niet omkijken! Gaan Greg! Kom op, rijjerijjerijje. Als die moddervreter maar niet wint! Kom op! De piste, zezittenalopdepiste! Jongens jongens, toch. Niet meer op kop nu. Alle tijd, kiesjemomentkiesjemomentkiesjemoment! Voor je gebeurt het, Greg, voor je! Kijk voor jewatKRIJGENWENOU? Waddoendietweedaarnou? Nee toch nee toch nee toch? Stuyven en dat Italiaanse scharmin- nee toch! KomopSebaskomopsebaskomopsebas! Hij doet niks hij doet niks waarom doettie niks? Stybar gaat winnen, Stybar, ja, Styba-GREGGREGGREGGREGGREG! Hoekandatnouhoekandatnouhoekandatnou?’
‘Ja, dat weet ik ook niet hoor.’
‘OOOOOOOHHHHHHH! Gre-he-he-he-heg!!! Hij wihihihihint!’
‘Is het nou klaar of moeten ze nog een rondje? En kunnen we nu dan naar buiten?’