Ik word nooit profvoetballer

Het gebeurde gisteravond. Ik zat (vooruit: lag) Studio Sport te kijken, just minding Tom Egbers’ business en op de buik het zilverpapierslagveld na een chocolade-eitjesoorlog. Tijdens de samenvatting van FC Groningen-PEC Zwolle, zo ongeveer ter hoogte van het zoveelste bekeken balletje van Mahi, dribbelde het besef binnen: ik word nooit profvoetballer.

Het is een gedachte die zo eens in de zoveel tijd bij me opkomt, een tijdje rondhangt en dan weer verdwijnt, een miserabel gevoel achterlatend waarvan ik dan niet meer exact weet waar het ook weer vandaan komt en dat traag en met tegenzin oplost.

Ik heb het soms ook met andere gedachten. Die komen me plagen wanneer zich in mijn dagelijks leven geen reden tot acute zorg voordoet. Momenten waarin ik iets onvriendelijks zei over iemand om mezelf extra grappig te doen voorkomen. Krassen die ik maakte op de nieuwe bank van mijn ouders. Expres de verkeerde tekst oplezen van een Kans-kaart bij Monopoly. Geïsoleerde gebeurtenissen, incidenten, de meeste vele jaren geleden.

Een keer, bij een voorpremière van een Nederlandse speelfilm, zat ik met de vriendin op de op een na bovenste rij in een miezerig zaaltje van het Ketelhuis. Het was een actiefilm. Bij iedere spannend bedoelde scene giechelden we en bij iedere romantisch bedoelde zin wisselden we diepe zuchten uit. Het was erg gezellig. Tot halverwege de aftiteling het zaallicht werd aangeknipt en de producent van de film de regisseur en scenarist naar voren riep. Achter ons klonk gestommel en twee mannen (jongens nog, denk ik nu) begonnen onder een bescheiden applausje aan de afdaling naar het podium. Een van hen – de regisseur – keek even indringend naar links, naar ons, naar de mensen die zijn film anderhalf uur lang hadden uitgelachen. Eenmaal beneden zei de producent: “Jongens, dit is een project waar jullie bijna vijftien jaar aan gewerkt hebben. Een levenswerk. En dan nu voor het eerst voor een publiek, hoe is dat?”

Dat soort momenten, die komen me af en toe bezoeken, om me eraan te herinneren dat er in mij een lul-de-behanger woont die ik nooit te lang uit het oog mag verliezen, anders pist hij over alles heen wat ik belangrijk vind. Maar terug naar die ene gedachte, die van gisteravond. Die was al deprimerend genoeg.

Kanarie

Dat ik geen profvoetballer meer word, is zo’n gedachte. Als er niet zoveel andere dingen waren om van wakker te liggen, zou ik er dagen van wakker liggen.

Ik ben 31 jaar, het leven vernauwt zich almaar verder. Als het leven negentig minuten zou duren en ik spits was, zou de eerste helft al een eind gevorderd zijn en ik belachelijk veel opgelegde mogelijkheden hebben verprutst. Het is dat ik net voldoende heb gescoord om de coaches langs de kant (die verdomd veel weg hebben van mijn ouders..) te bewegen om me te laten staan, want anders… Trouwens: ze hebben helemaal geen wissels.

Profvoetballer

Ik word nooit profvoetballer. Het enige wat me rest, is pogen zo dicht mogelijk bij profvoetballers in de buurt te komen, in de hoop dat er wat toverstof van hun schouders op de mijne waait, maar dat helpt natuurlijk niets. Een kanarie wordt er niet indrukwekkender op als hij een stukje opvliegt met een adelaar. Met het verstrijken van de tijd, zie je de dingen helderder. Je bewondert Mimoun Mahi niet langer om zijn snelle voeten, of Kasper Dolberg om zijn kille blik of desnoods Ard van Peppen om zijn nooit aflatende inspanningen. Je gaat inzien dat je die bewondering beter aan anderen kwijt kunt, al weet je niet precies aan wie dan. Mensen in de zorg, of zo. Maar het vuur in die bewondering ontbreekt.

(Een tijdje geleden kwam Ibrahim Afellay een koffiezaak binnen waar ik ook zat. Vanaf dat moment keek ik alleen nog maar naar hem. Naar hoe hij zijn koffie in ontvangst nam, hoe hij ging zitten, hoe hij ingespannen op zijn telefoon keek en kleine slokjes van zijn koffie nam. Even leek het erop dat er in mij nog altijd een Paniniplaatjesverslaafde achtjarige woont – naast die lul-de-behanger –, een jongen die in de war raakt van een voetballer – hallo, een in-ter-na-tio-nal! (soort van, toch) – die zich in dezelfde ruimte bevindt. Tot ik nog eens naar Afellay keek en dacht: wat zitten mensen tegenwoordig toch veel op hun telefoon.)

Madonna

Ik word nooit profvoetballer. In zijn memoir Hallo, muur vertelt Erik Jan Harmens hoe hij fantaseerde over reusachtige successen als dichter, hoe Madonna hem naar New York zou laten overvliegen en hoe ongelofelijk rijk hij dacht te zullen gaan worden. Ook toen hij ouder werd, leven en schrijfloopbaan langzaam in een mal gegoten werden en Madonna nog steeds niet had gebeld, bleven die dagdromen intact.

In dromen kan immers alles, in dromen zou ik voor eeuwig een Matthijs de Ligt-achtige kunnen blijven: een jonge profvoetballer, eerste fantasie gerealiseerd en aan het begin van de rest. Helaas. Zelfs mijn dagdromen beginnen zich aan de realiteit aan te passen. Steeds minder vaak fantaseer ik vlak voor het inslapen over een geniale goal in een of andere finale, waarna ik van het veld gedragen word, zo de geschiedenisboeken in. Hij debuteerde pas op zijn 31ste in het betaalde voetbal en korte tijd later al… Enzovoort.

Daarvoor in de plaats is een wonderlijk soort fantasie gekomen waarin ik uitblink in mijn zaalvoetbalteam, dat eens per twee weken actief is op een niveau net boven de begane grond. In die droombeelden geef ik slimme passjes, tik ik ballen door benen en scoor aan de lopende band.
Publiek is er in die dromen niet. In de werkelijkheid ook niet trouwens. Maar de minstens tien jaar jongere tegenstanders fluisteren wanhopig over ‘mandekking op die nummer 6’.

Eitjes

Het is natuurlijk een knieval voor de werkelijkheid, die fantasieën, maar ik slaap er prima op. Het is niet anders: ik ben iemand die paaseitjes eet, niet meer zonder voorbehoud kan bewonderen en af en toe hardnekkig blijft denken aan dingen die anders hadden moeten gaan.
Ik word nooit profvoetballer.
(Behalve, misschien, wie weet…)
(Nee.)
(Of toch?)
(Neehee. Nooit!)
(Nou ja, je weet wat ze zeggen… Zeg nooit nooit.)