Kom uit je schulp en klauter over de mondiale schutting

Laffe daden van halfgare geesten moeten ons niet in ons schulp laten kruipen

De goden verzoeken, daar leek het achteraf een beetje op. Die ochtend vloog ik van Brussel naar Manchester. Het was 22 maart 2017, op de kop af één jaar na de aanslagen in Brussel. Ik sta nooit zo stil bij herdenkingen, maar later die dag zou ik met mijn neus op die datum gedrukt worden.

Twee van de buitenlandse bestemmingen die ik met de regelmaat van de klok aandoe zijn Italië en Engeland. Extremere tegenpolen vind je nauwelijks binnen Europa. In beide landen ben ik graag. Italië is mijn jeugdliefde, maar af en toe zit er wat sleet op de relatie. Engeland leer ik heel langzaam beter kennen, bewust als ik me blijf van de harde schil die om het eiland zit. Ik eet liever in Italië.

Het regende in Manchester. Het leek een dag als alle andere te worden. Als altijd verorberde ik in de middagpauze een slappe sandwich bij mijn gastheer op de zaak. Moederziel alleen, net als iedereen hier. We should have lunch one day is geen uitnodiging, maar een dooddoener om al te opdringerige lieden de pot op te sturen.  In Italië ontkom ik aan geen enkele afspraak voor lunch- en avondeten, en keer ik met 2 kg extra bagage terug.

Toen ik vroeg in de middag snel in mijn hotel wilde inchecken, was er toch iets wat anders was. Het overvriendelijke Hi-how-are-you-today? van de receptioniste beantwoordde ik routineus met not-too-bad-thank-you-how-about-yourself?, en dacht dat we daarmee het begroetingsritueel achter ons hadden. Maar tot mijn verbazing ging ze in op mijn vraag die geen vraag was. Ze vertelde honderduit, dat het gisteren een rotdag was, dat de verwarming het thuis begeven had, dat de monteur niet kwam opdagen, dat de lente maar niet wilde komen, hoe dat op haar gemoed werkte. En zo ging ze door. Ik luisterde eerst beleefd, dan geamuseerd en uiteindelijk ongeduldig. Ik moest immers verder, terug naar mijn werk.

Ooit sijpelde nieuws door, als een trage, stroperige vloeistof. Nu is het er instantaan, het trilt in je broekzak, het knippert op je beeldscherm. Zo hoorden we het allemaal tegelijk, al binnen enkele minuten nadat de aanslag in Westminster gepleegd was. Westminster en Brussel – ze hebben meer gemeen dan een aanslag op 22 maart. Beide zijn ze in de volksmond synoniem geworden met een o zo gehate politieke elite. Maar die dag even niet. Nu was het een Westminster van Franse schoolkinderen, van een vrouw die in de Theems sprong, een politieagent die gereanimeerd werd door Tobias Ellwood, toevallig ook MP en staatssecretaris.

We are not afraid, zou Theresa May zeggen. Dat bleek al direct. London, Manchester of welk gehucht dan ook smelten in zo’n situatie ineen: eensgezind rechten Britten de rug zoals alleen eilandbewoners dat kunnen. Er werd snel en doortastend opgetreden, kalm en vastberaden werd er gereageerd. Ook toen wij op de werkvloer erover praatten viel die kalmte me op, en weer dacht ik aan Italië waar alle werkzaamheden direct opgeschort zouden zijn. Hoogstens een kwartier praatten we hier, en toen werd er overgegaan tot de orde van de dag. Kouwe kikkers, zouden mijn Italiaanse vrienden zeggen. Maar wie bijvoorbeeld de trillingen in de stem van Mark Rowley, hoofd van de dienst antiterrorisme, opving toen hij de dood van politieagent Keith Palmer bevestigde, weet beter.

Even dacht ik nog dat het tij zou keren toen ik de ochtend erna bij het verlaten van mijn hotel flarden oppikte van een Lagerhuisdebat over de noodzaak veiligheidsmaatregelen op vliegvelden op te schroeven. Ik kreeg visioenen van lange wachttijden, norse inspecties naar vloeistoffen, gels en batterijen in de vreemdste hoeken en gaten, en haastte me naar het vliegveld.

Maar ik vergiste me. In een mum van tijd passeerde ik de veiligheidscontroles en verbaasde me weer, nu over de goedgemutste, ontspannen houding van de veiligheidsbeambten. Het was, kortom, een dag als alle andere.

Ik liep verder, lichter, opgelucht haast, al wist ik niet precies waarom. Flauw als ik ben, moest ik weer lachen om het bord dat me waarschuwde voor oversized prams. En ineens moest ik aan een andere uitspraak van Theresa May denken.  If you believe you’re a citizen of the world, you’re a citizen of nowhere. Ze had groot gelijk. Voorgoed ontworteld was ik, en ik voelde me bevoorrecht. In de zeldzaam sentimentele bui waarin ik nu verkeerde gunde ik dat anderen ook,  het moderne nomadenbestaan, de ontdekkingen die je dan doet als je beter kijkt naar een land, als je bereid bent de korsten van vooroordelen en eerste indrukken weg te krabben.

Misschien zou ik nog eens een partij moeten oprichten, bedacht ik, en een naam had ik al direct, de Partij Zonder Wortels. Even later, nog voor het vliegtuig opsteeg, had ik dat idee weer afgeschoten. Het is er de tijd niet voor, we zijn meer bezig met het optrekken van schuttingen rondom onze volkstuintjes. Laffe daden van halfgare geesten zorgen ervoor dat de wereld nog verder in zijn schulp kruipt en steeds meer mondain karakter verliest. Maar zelf zal ik over de schutting blijven klauteren.

Ricus van der Kwast