Michele Scarponi en de dood als constructiefout

Er zijn nog zo’n tachtig kilometer te rijden, Luik-Bastenaken-Luik 2017 moet eigenlijk nog beginnen en Astana-renner Luis León Sánchez, wiens slungelige, uitgerekte lijf me altijd doet denken aan het after-plaatje van een korte logé van Procrustes, meldde zich achter het peloton bij de ploegauto.
Michel Wuyts zweeg, voor het eerst sinds oktober 2003.
En José de Cauwer zuchtte. ‘Tja… wat zeg je ertegen?’

Nauwelijks twaalf uur voor zijn door een bestelbusje bezorgde dood speelde Michele Scarponi nog voor paard. Hij zette er een foto van op Instagram. Kalend hoofd, een neus als een winkelhaak. Op zijn rug twee jongetjes. Zijn zoontjes, allebei gehuld in een van de soepjurken die hun vader als leiderstruien had overgehouden aan zijn zwanenzang op de fiets, de Tour des Alpes. Je ziet de jongetjes en hun vader, je ziet de crèmekleurige leren bank, de forse televisie (afgestemd op zo’n afschuwelijke Italiaanse vrijdagavondshow), het versleten gelopen Perzisch tapijt en het enige wat je nog kunt denken is: morgenochtend ben je er niet meer. Dat doet de dood: die legt niet alleen een scherm van treurnis over alles wat nog volgt, maar ook, met terugwerkende kracht, een schaduw over al wat geweest is. De dood is een bui van het soort die je doet vergeten dat de zon daarnet nog volop scheen.

Een alledaagse bezigheid

Ieder verdriet heeft zijn parcours. Een rit die start bij verbijstering, en vervolgens via ontzetting, droefenis en woede en ontroering over de herinnering uiteindelijk onvermijdelijk finisht bij een neerslachtig soort gewenning. Ergens in het begin maakt het een vreemde, extra lus. In die lus ligt de opluchting. Opluchting dat jij het niet bent, dat je net aan het onheil bent ontsnapt, dat de zeis van Magere Hein een ander – hoe geliefd ook, maar toch: een ander – heeft getroffen. In alle interviews met renners voorafgaand aan Luik-Bastenaken-Luik kwam dat gevoel terug: dat zij het ook hadden kunnen zijn. Voor hetzelfde geld. Iedere wielrenner realiseert zich dat het beroep dat hij of zij uitoefent levensgevaarlijk kan zijn, zoals ieder mens weet dat het einde om iedere hoek kan liggen, maar we denken er bij voorkeur zo kort mogelijk aan, we spreken er niet over en we kijken naar de toekomst als naar een horizon waaraan nooit een einde komt.

Anders word je gek.

En dan komt er, eens in de zoveel tijd, iets voorbij. Een ziekte, een ramp, een bestelbusje op een klotekruising. Bram Tankink zei: ‘Dit gebeurt dus tijdens een alledaagse bezigheid.’ Ik weet niet precies wat hij daarmee wilde zeggen, maar ik geloof dat ik hem toch begrijp. Het leek alsof hij wilde zeggen dat het niet paste, dat de dood niets te zoeken had bij een eenvoudige ochtendtraining en dat hij beter een andere, minder alledaagse bezigheid had kunnen uitkiezen. Maar zo werkt het niet. De dood is alledaags, ook al zouden Bram en ik en de rest van de wereld het misschien liever anders zien. Het is een constructiefout en je doet het er maar mee.
In de duizenden tweets, de filmpjes, de foto’s, de In Memoriams en de columns zoals deze – ook allemaal op hun manier onvervreemdbare onderdelen van het parcours van het verdriet – werd Michele Scarponi herinnerd als een vrolijke snuiter. Vrolijkheid krijgt in retrospectief bijna iets altruïstisch, alsof aangeboren monterheid niet net zo goed een mazzeltje is als een prestatie. Het heeft iets pervers en tegelijk iets moois, een iPhonefilmpje van een renner en zijn met hem opvliegende papegaai (genaamd Franky), die na een fataal verkeersongeluk boven zichzelf uitstijgt en een stralend pars pro toto wordt van iemands nagedachtenis. Dit weekend zat Franky op een verkeersbordje, op de kruising waar Scarponi stierf. Of hij daar was neergezet, neergephotoshopt of zelf was heengevlogen, is onduidelijk.

De online afdeling van de NOS schreef een necrologie en noemde Scarponi daarin ‘niet onomstreden’ – vanwege verschillende dopingschorsingen. Het halve internet (en dat zijn een hoop @mensen bij elkaar) liep erom te hoop. Het nieuws, zo vond men, was te vers en te groot en te plots om er oude koeien rechtstreeks uit de sloot met de haren bij te slepen. Het verdriet ging voor, de rest moest maar even wachten. Niet iedereen legt het parkoers van het verdriet nu eenmaal met dezelfde snelheid af.

Vijftiende plaats

Pieter Weening sprak op de dag van Scarponi’s overlijden eerst een minuut deemoedig over een gestorven collega, om vervolgens te worden bevraagd naar zijn verwachtingen voor Luik-Bastenaken-Luik en zijn knieblessure. This is a tragedy too big to be written, opende het persbericht van Scarponi’s ploeg Astana zaterdag. Maar ze schreven het wel.
‘Wat zeg je ertegen?’ vroeg José de Cauwer zich zondag af.
Volgens mij werkt het zo: ieder kiest z’n eigen woorden, z’n eigen manier, z’n eigen moment. Niets is verkeerd. De dood is een vraag waar zelfs het leven geen antwoord op heeft. De sport zeker niet. En Scarponi’s Deense ploegmaat Jakob Fuglsang stond zondagochtend bij de start de tranen uit zijn ogen te vegen. Zesenhalf uur later spoedde hij zich naar een vijftiende plaats. Het was geen troost, geen verzachting van welk leed dan ook. Hoogstens een nieuwe alledaagsheid, die onvermijdelijk wrang op een vorige volgde.

Frank Heinen