De atheïst is intelligenter dan de gelovige

Religieuzen zijn gemiddeld een stuk minder intelligent dan hun niet-gelovige medemensen. Dit is de conclusie van wetenschappers die 63 onderzoeken naar intelligentie en religie aan een meta-analyse onderwierpen. Met name tijdens de studietijd zouden gelovige studenten in mindere mate intelligent zijn dan hun niet-gelovige studiegenoten.

Al ruim tachtig jaar wordt er onderzoek gedaan naar de relatie tussen intelligentie en religieus geloof. Wetenschappers aan de Universiteit van Rochester en de Northeastern University in het Amerikaanse Boston maakten een meta-analyse van deze studies om het verband beter in kaart te brengen. Daarnaast werd onderzocht in welke leeftijdsfase de verschillen het grootst zijn en wat de mogelijke verklaringen voor de link tussen intelligentie en religiositeit zijn.

In het onderzoek wordt intelligentie gedefinieerd als ‘het vermogen om te redeneren, abstract te denken, complexe ideeën te begrijpen, van ervaring te leren’, wat ook wel analytische intelligentie wordt genoemd. Sociale en creatieve intelligentie zijn buiten beschouwing gelaten. Religiositeit wordt gedefinieerd als ‘de mate van betrokkenheid in sommige of alle aspecten van een religie’.

Het negatieve verband tussen intelligentie en het aanhangen van een religie is volgens de onderzoekers het sterkst onder studenten. Bij kinderen en tieners zou het verband het kleinst zijn, alhoewel er zelfs bij die groep een significante relatie waarneembaar is. Ook wordt er geconcludeerd dat het streng geloven meer gelieerd is aan lagere intelligentie dan het praktiseren, zoals vaak bidden, van religie.

Mogelijke verklaringen

Om het verband tussen intelligentie en leeftijd te duiden, worden er in het onderzoek drie mogelijke verklaringen besproken. Bij deze verklaringen wordt er aangenomen dat intelligentie zorgt voor minder behoefte aan religie en niet dat religie de intelligentie beperkt. De mogelijke oorzaken worden niet als waarheden gepresenteerd. Ze  kunnen volgens de wetenschappers verder onderzocht worden.

De eerste interpretatie is dat mensen, en vooral studenten, met een hoge intelligentie het atheïsme eerder zien als vorm van non-conformisme. Meerdere onderzoeken laten zien dat intelligente mensen vaker een zelfstandige levenshouding nastreven. Daardoor zou het volgens de onderzoekers aannemelijk zijn dat zij zich minder snel aan een religie binden. Daarnaast zouden ze deze tijdens de studietijd, waarin kennis wordt gemaakt met nieuwe denkbeelden, laten vallen.

De tweede verklaring is dat intelligente mensen meer de neiging hebben om analytisch (in tegenstelling tot intuïtief) te denken. Verschillende studies onderbouwen de hypothese dat analytisch denken leidt tot lagere religiositeit. Het analytische denkvermogen zou mensen die religieus zijn opgevoed beter in staat stellen zich te verzetten tegen de sociale druk. Hierdoor zouden jongvolwassenen eerder afstand doen van hun geloof.

Als derde interpretatie wordt gegeven dat hoge intelligentie en religie een aantal gelijke voordelen bieden. Het aanhangen van een religie zou mensen bijvoorbeeld compenserende controle, zelfregulering en zelfvertrouwen bieden. Doordat intelligentie ook deze voordelen biedt, zouden intelligentie mensen minder behoefte hebben aan religieuze overtuigingen.

Het volledige onderzoek is hier te lezen.