Hoelang blijft moeder Suriname het gedrag van haar zonen tolereren

Suriname verkeert in last. Het land wordt platgelegd door stakingen en de bevolking klaagt steen en been over corruptie en vriendjespolitiek. Daar is reden toe. Hoe heeft het zover kunnen komen in een onmetelijk land met een vruchtbare natuur?

Suriname
Protest tegen het beleid van president Desi Bouterse. Beeld: ANP/Pieter van Maele

De problemen voor Suriname zijn talrijk. Een zwakke Surinaamse dollar maakt import onbetaalbaar. Dit geldt zelfs voor bruine bonen en kouseband, het volksvoedsel van Suriname. Maar de koloniale rijstplantages zijn gesloten en de gezinslandbouw is ter ziele gegaan.

Nog steeds leggen vooral Creoolse Surinamers de schuldvraag neer bij het moederland. Nederland zou gekozen hebben voor ofwel uitbuiting ofwel verwaarlozing. Maar deze mening is aan herziening toe, zeker na verschijning van het boek Bouwen aan de Wilde Kust.

Nederland blijkt het nodige te hebben gedaan om de gezinslandbouw van Hindoestanen en Javanen op poten te zetten. Vooral Gouverneur Johannes Kielstra zag deze kleinschalige landbouw als alternatief voor de plantages die in de wereldcrisis van begin vorige eeuw hun arbeidskrachten ontsloegen. Maar Kielstra werd een beladen naam en moest het veld ruimen.

Nadat Suriname in 1954 de Status Apart verwierf  kwam de Nationale Partij Suriname (NPS) onder leiding van Jopie Pengel aan de macht. Deze Creoolse partij ging rentenieren op de natuurlijke hulpbronnen van Suriname (goud, hout en vooral bauxiet). Ook verschafte het haar leden goed betaalde banen in een immer uitdijend overheidsapparaat.

Volgens Karl Marx zou er in Suriname sprake zijn van een tekort aan exploitatie. Er was dan ook geen echte klassenstrijd, maar vooral gekrakeel tussen vakbonden en Trotskistische en Leninistische splintergroepen om een aandeel in de overheidskoek, zoals door John Jansen van Galen in Kapotte Plantage is beschreven.

De NPS regeerde bij de gratie van een wankele coalitie met de Vooruitstrevende Hindoestaanse Partij (VHP) onder leiding van advocaat Jagernath Lachmon. Hij was de verbroederaar in de Surinaamse politiek. Al kon hij niet voorkomen dat de Hindoestaanse samenleving verdeeld raakte in heuse klassen.

In het rijstgebied van Nickerie werden kleine boeren weggeconcurreerd door grote boeren terwijl de groothandel rijst ging exporteren naar de Europese Unie. Tot overmaat van ramp liep deze Hindoestaanse groothandel in het rampjaar 1996 over naar het kamp van de Creoolse legerleider Desi Bouterse.

Suriname
Protest tegen het beleid van president Desi Bouterse. Beeld: ANP/Pieter van Maele

Sindsdien liggen de verhoudingen in Suriname muurvast. Recente pogingen om bruine bonen in Suriname zelf te telen lijken tot mislukken gedoemd sinds de kleine boeren naar Nederland zijn verhuisd.

Wij, slaven van Suriname

Elk verhaal over Suriname begint onvermijdelijk met de slavernij op de suikerrietplantages die aan het einde van de 18de eeuw winstgevend waren. De slaven waren afkomstig uit Ghana en drukten een stempel op de cultuur.

Suriname wordt gezien als een moeder, Sranang, waar vrouwen het huishouden bestieren, zowel in Ghana als in de vrijgemaakte familie van Anton de Kom. Hij schreef de klassieker: Wij, slaven van Suriname.

Het is goed te verdedigen dat de arbeidsomstandigheden van de slaven tot de slechtste in het Caraïbisch gebied behoorden. Zij konden simpelweg in het onmetelijke Suriname gemakkelijk weg lopen. Dwang via de beruchte Spaanse Bok moest dit voorkomen.

Deze slavernij was echter geen gesloten systeem, zoals jurist Ellen Neslo in haar promotieonderzoek laat zien voor Paramaribo in de periode rond 1843. Daar leefde toen al een omvangrijke groep vrijgemaakte slaven die het economisch goed deed.

Het arbeidsprobleem op de plantages werd opgelost door een snelle invoering van stoommachines – sneller dan in de buurlanden en zelfs in Nederland – en vanaf 1874 door het aantrekken van contractarbeiders uit Indië en Java. Maar de teelt van suikerriet voor de export liep ten einde. Uiteindelijk zou alleen Mariënberg overblijven, al is het complex in verval.

Hoe nu verder?

Hoe nu verder met Suriname was de grote vraag. Enerzijds mikte Nederland op de export van grondstoffen, zoals goud, wilde rubber, hout en bauxiet dat in 1915 werd ontdekt. Deze export van onbewerkte producten maakte import van consumptiegoederen mogelijk door een groothandel van Joden en Chinezen in Paramaribo.

Uitzonderlijk waren de goudsmeden van Paramaribo die de plantersaristocratie in heel het Caraïbisch gebied van sieraden voorzagen.

Wel kreeg Suriname al in 1876 schoolplicht voor jonge kinderen, zelfs 25 jaar eerder dan in Nederland, om zo de burgers in dit rijksdeel te vormen tot Nederlanders en zelfs tot aanhangers van het koningshuis.

Vooral Creolen profiteerden van deze scholing en betrokken allerlei overheidsdiensten in Paramaribo. Braaf dichtte Nederland elk jaar het begrotingstekort van Suriname.

Kleine boeren  en Creoolse districten

Gezinslandbouw kwam langzaam van de grond, vooral nabij de oude plantages. Een eerste mijlpaal was de oprichting in 1903 van een proefstation voor rijstbouw, waardoor Suriname tijdens de Eerste Wereldoorlog veranderde van importeur van Indische rijst in een exporteur.

Vanaf 1933 zorgde de Groninger ingenieur Hero Van Dijk voor een doorbraak in de kleinschalige mechanisatie van de rijstteelt in de regio Nickerie, wat gebeurde in opdracht van gouverneur Kielstra. Deze bezag in de crisisjaren met lede ogen hoe de inkomsten van de overheid uit de plantages afnamen, terwijl de werkloosheid in Paramaribo toenam.

Op basis van zijn ervaring in Indië probeerde Kielstra de gezinslandbouw tot trekpaard van de Surinaamse economie te maken en wel door een royale uitgifte van land aan boeren en door dorpen de status van de desa in Indië te geven.

In 1936 telde Nickerie al vijfentwintig rijstpelmolens, deels in Hindoestaanse handen. Wel trad Kielstra hard op tegen de inheemse protesten tegen bezuinigen op de overheidsuitgaven. Zo werd de Surinaamse anti-koloniale schrijver Anton de Kom al na vier maanden op de boot naar Nederland gezet en verdween de vakbondsman Louis Loedel in de gevangenis.

Autonomie

Deze ontwikkeling naar autonomie was succesvol. In 1942 kon de Surinaamse overheid voor het eerst in haar geschiedenis een begrotingsoverschot noteren, ook door inkomsten uit bauxietwinning. Suriname ging een cruciale bijdrage leveren aan de vliegtuigindustrie van de VS, alhoewel de aanwezigheid van 2000 Amerikaans militairen de import van Westerse goederen vergrootte.

De koloniale Kielstra moest het veld ruimen van de Amerikanen, ook om vernieuwing van het kiesstelsel mogelijk te maken. In 1946 werd een districtenstelsel ingesteld op initiatief van de Creoolse elite. Zij kozen niet voor evenredige vertegenwoordiging, maar vormden ‘Creoolse’ districten in Paramaribo en de bauxiet- en kokosnootregio (Coronie).

Paramaribo was alleen al goed voor tien van de 21 zetels in het parlement. Het Hindoestaans bolwerk Nickerie leverde slechts drie zetels. Er was onderling wantrouwen tussen beide groepen, net zoals in het naburige Brits Guyana.

Maar politicus Jagernath Lachmon van de Vooruitstrevende Hindoestaanse Partij toonde zich een bruggenbouwer als leerling van de Creoolse advocaat De Miranda. Hij werd de eerste Hindoestaanse advocaat in Suriname en tevens juridisch adviseur van de MoederBond, de vakbond van overheidspersoneel, van de Creoolse leider Jopie Pengel. Op de achtergrond speelde de omvang van de te verdelen koek in Suriname.

Rentenieren… 

Nederland moderniseerde na de Tweede Wereldoorlog de rijstteelt in Nickerie, wat gebeurde met steun van de landbouwhogeschool Wageningen. Grote Hindoestaanse boeren profiteerden hiervan en bezaten in het jaar 1952 al 128 tractoren. Kleine boeren ontbrak het tegelijkertijd aan connecties om hun bedrijf te ontwikkelen. Zij konden niet profiteren van de winstgevende export van rijst naar de Europese Unie.

De rijstsector creëerde vele banen, die vanaf de jaren zeventig ingenomen werden door enkele tienduizenden migrantarbeiders uit Guyana en Haïti. Cruciaal is dat kleine Hindoestaanse boeren met de teelt van rijst en kouseband stopten en naar Nederland vertrokken.

Sinds bruine bonen uit de Zeeuwse polders niet meer te betalen zijn, probeert Suriname sinds 2016 een Cubaanse bonensoort zelf te telen. Maar zonder kleine boerenstand lijkt dat een moeilijke opgave.

… en hosselen

Vanaf de Status Apart in 1954 tot de onafhankelijkheid in 1975 hielden Pengel en zijn foetoeboys (loopjongens) zich vooral bezig met de verdeling van inkomsten, maar zonder werkgelegenheid te scheppen. Hosselen werd het credo. Opvallend is dat Pengel de Creoolse strijder van het eerste uur, Loedel, in de gevangenis liet wegrotten.

De Creools-Hindoestaanse verhoudingen bleven gespannen en Lou Lichtveld – minister van Onderwijs en bekend als schrijver Albert Helman – noemde Pengel een echt Afrikaans stamhoofd. Typerend voor het rentenieren was het Brokopondoproject van Alcoa, bestaande uit een waterkrachtcentrale en een aluminiumsmelterij, dat wel hoge lonen maar weinig werkgelegenheid opleverde.

Het Creoolse front ging scheuren vertonen toen intellectuelen afstand namen van Pengel. Ze bepleitten de beëindiging van de imperialistische relatie met het moederland.

Suriname
Desi Bouterse van Suriname onthult een gedenksteen ter viering van 40 jaar onafhankelijkheid. Beeld: ANP/Pieter van Maele

Vadermoord in 1996

Suriname werd in 1975 onafhankelijk, ondanks protesten van de Hindoestanen. In deze periode zocht een ongelooflijk aantal van 100.000 van de ruim 400.000 inwoners hun heil in Nederland. Creoolse bluf verzekerde Suriname nog van een bruidsschat van 3.2 miljard gulden, maar het land bleef verdeeld. Dit leidde in 1980 tot de staatsgreep van Bouterse en de Decembermoorden van 1982.

Er volgde een periode van socialistische retoriek en van volkscomités, ook in Nickerie, maar vooral van nationale verarming. In 1987 vond herstel van het burgerlijk bestuur plaats. Maar in 1990 stuurde Bouterse deze zwakke regering met een simpel telefoontje naar huis, de zogenaamde telefooncoup.

Daarna kreeg een Creools-Hindoestaans kartel het voor het zeggen, waar ook de overlevenden van de Decembermoorden zich bij aansloten. De leden bewoonden paleizen aan de Anton Dragtenweg, gelegen tussen het vliegveld Zanderije en Paramaribo. Politieke partijen waren verworden tot lege hulzen. Nederland stond erbij en keer ernaar.

In het jaar 1996 verlieten de koekoeken hun nest en pleegden zelfs vadermoord op Lachmon. Zowel rijsthandelaar Imro Manglie als mediatycoon Dilip Sardjoe stapten over naar het kamp van Bouterse. Manglie bouwde in Nickerie met steun van Bouterse een rijstbedrijf op van duizend hectare. Sardjoe werd groot in de schaduw van Lachmon en de VHS.

Berlusconi van Suriname

Als importeur van videospelletjes uit de VS ontpopte hij zich tot de Berlusconi van Suriname, als eigenaar van de grootste krant – de Times of Suriname – en van de vliegmaatschappij Fly Always. Verder regelde hij in 1997 de betaling van 34 miljoen gulden smeergeld van Ballast Nedam voor de bouw van de Jules Wijdenboschbrug. En in 2013 was hij tussenpersoon voor het Koreaanse bedrijf Daewoo en het Finse Wartsila bij de bouw van de energiecentrale van Paramaribo. Deze bedrijven vernieuwden toen het wagenpark van Bouterse.

Anno 2017 onderhandelt Sardjoe met Alcoa die zijn uitgeputte mijnen van de hand doet. Goud is weer het belangrijkste exportproduct waarmee Suriname terug is in de negentiende eeuw. Het is de vraag hoelang moeder Suriname het gedrag van haar zonen blijft tolereren.

Martien Hoogland is publicist en voormalig beleidsmaker van de stichting Both ENDS.

Martien Hoogland