Ik wil trouwen met Herman Brusselmans

Ooit zag ik Herman Brusselmans en Kader Abdolah samen in een programma. Iedere keer dat Kader Herman aansprak, noemde hij hem Hermans. Hermans Brusselsmans. Hij kon uit dramatische overwegingen niet genoeg s’en in die naam persen. Hermansss Brusselssmansss. Want zo is Kader, hij maakt alles graag zo mooi als maar kan, die prachtpoëet van een man. Hij prees Herman compleet de hemel in, maar bleef hem verkeerd noemen. De Vlaamse Bef… Lettergod gaf geen krimp, hij trok zijn gebruikelijke doodongelukkige hoofd en liet Abdolah rustig door-oreren. Dat vond ik zo mooi, dat ik ter plekke verliefd op hem werd. Ik was dat al eens geweest, maar was vergeten waarom.

Genoeg persoonlijkheid hebben om iemand niet krampachtig te gaan verbeteren, zoals velen wel zouden doen. Zoals ik ongetwijfeld zou doen. Mensen hangen aan hun naam alsof het wat uitmaakt. Alsof je hun hele identiteit uitwist door het verkeerde woord te gebruiken. Ze wegtovert, vernietigt met letters.

Iedere keer dat ik Herman nu zie, denk ik dwangmatig die s’en erbij in mijn hoofd. Hermans Brusselsmans. Hij is zo cool, met zijn leren jack. Met zijn pokdalige harses. Hoe hij het woord neeeeuuken uitsmeert in de tijd, alsof je het kunt eten op toastjes. Ik zou graag met hem trouwen, maar dat kan niet. Hij is bang voor mij, zei hij laatst in de Playboy. Hij vindt mij een enge feministe met grote tieten. Misschien vreest hij dat ik zijn hoofd daartussen duw en hem langzaam laat stikken. Of dat ik allerlei hysterische seksuele handelingen van hem zou eisen.

Maar niets is minder waar, Hermans. Ik zou je beschermen, jij lieve man. Ik zou iedere derde sigaret die je opstak wegsmijten, zodat je pas twee jaar later aan longkanker zou sterven. En ik zou je af en toe dronken laten worden, omdat mensen die gestopt zijn met drinken nou eenmaal hun glans verliezen. Ik kan het weten. Ik zou je zeggen dat je die malle stukjes in de Nieuwe Revu niet hoeft te schrijven, Hermanss Brusselsmans. Dat ik ook geld voor ons kan verdienen. Dat je zo vreselijk veel goeds geschreven hebt, de meest schitterende zinnen, de meest tragihilarische boeken. Dat je dit nu beter kunt laten. Je kunt allang op je lauweren rusten. Dat verdien je ook. Eer en literaire status komen je toe. Veel meer dan je krijgt in Nederland. Natuurlijk moet jij dat Boekenweekgeschenk volgend jaar schrijven.

Ik zou je op schoot nemen en over je uitgekauwde haren aaien. Zeggen dat je die flauwe, voor de hand liggende grappen helemaal niet hoeft te maken. Over dikke mensen die de Afsluitdijk kunnen vervangen of vrouwen die veel neuken en dan een del  zijn. Dat doen ze allemaal op het internet al, joh. Ze typen tien platte tweets per seconde, boven hun bierbuik.

Je bent überhaupt niet verplicht om iets te schrijven. Dat zou ik je vertellen. Je mag gewoon vijf jaar lang nietsdoen en dan één weergaloze witz maken, dat kun je je makkelijk permitteren. Je probeert over anderen heen te zeiken, maar spettert je hele eigen bakkes onder, gekkie. Feministen willen je roosteren, maar je hebt jezelf al in de fik gezet. Je ziet haast zo zwart als je wanhopige longen. Geen onwelriekende gleuf hoeft jou dood te maken, dat kun je zelf het beste.

Och, wilde je maar met me trouwen, Hermansss. We zouden peukpijpen tot het ochtendgloren. Ik zou niets engs van je eisen. Zeker niet iets seksueels. Ik weet dat ik veel te oud voor je ben. Maar wat zouden we het mooi hebben. Ik zou af en toe ook een vierde sigaret uit je poten rossen. We zouden zuipen zoals vroeger en dan zou ik een essay schrijven over hoe schitterend jij figuurkotst. Ik zou geld in het laatje brengen met mijn columns. Lekker feministisch. Precies zoals de mensen dat nu mooi vinden. Misogynie is uit namelijk, zou ik je dan uitleggen.

Ik zou je vertellen dat je geen boeken meer moet schrijven. Dat het genoeg is geweest. Dat je aan zelfinflatie doet. Je hoeft nu eigenlijk alleen nog maar gewichtig te kijken en langzaam te praten zoals Connie P. en Tommy W. en je hoeft nooit meer een letter op papier te zetten. Je bent een groot schrijver en dat laat ik jou niet van je afpakken, verdomme. Je hoeft alleen maar bij mij te zijn, Hermanss Brusselsmans. Je hoofd tussen mijn feministische tieten te vlijen en me voor te lezen. Ik zal mijn ogen sluiten en me waarschijnlijk meteen weer herinneren waarom ik voor het eerst verliefd op je werd.