Een mislukte poging als vorm van slagen

Er reden twee renners op kop. Ze lagen voorovergebogen over het stuur en sneden als een tweetrapsmes door de Waalse regen. Waalse regen is natter dan andere regens.

Ze gingen hard, die twee, maar niet hard genoeg. Vluchters in de Tour de France rijden nooit hard genoeg. Heel soms lijkt het alsof ze hard genoeg rijden, maar later blijkt dan dat het peloton gewoon niet hard genoeg gereden heeft.

Als alles goed gaat, verliezen in de Tour de durvers altijd. Dat is een constructiefout.

Achter de twee doemde de bierkaai op, in de vorm van tweehonderd op hol geslagen collega’s. En die twee maar rijden, een zekere ondergang tegemoet.

Iedere ontsnapping is een aanval op de status quo, een poging tegen beter weten in. Alles blijft altijd zoals het is als iedereen zich erbij neerlegt dat alles blijft zoals het is. Alleen zij die tegen de klippen op leven, maken kans op verandering.

Naast hen zag ik een noviteitje. Met het teruglopen van de voorsprong toonde de Tourorganisatie ook het gat (ecart) in meters. Dat getal – vierhonderdzoveel – liep iedere tel een klein beetje terug. Het deed me denken aan een klok waarop je kunt zien hoe veel seconden je nog te leven hebt. Tik, tik, tik – weer drie seconden dichter bij het einde.

Een van de vluchters heette Phinney. De ander Offredo. De een viel ooit bijna dood, de ander werd ooit een jaar geschorst wegens herhaalde slordigheden betreffende zijn whereabouts. Michel Wuyts voegde daar nog aan toe dat Offredo een paar maanden geleden tijdens een training van zijn fiets was geslagen door twee jongens met honkbalknuppels. ‘Wat bezielt zo’n duo?’ vroeg hij zich vertwijfeld af.

Met andere woorden: hier reden mannen over wie het leven was heen geweest.

Ik wist dat Taylor Phinney ooit heel hard was gevallen, en dat er van alles in zijn lijf (mogelijk onherstelbaar) beschadigd was. Ik wist ook dat hij daarvoor een reusachtig talent was, en daarna een iets minder groot talent.

Om eerlijk te zijn was ik hem een beetje vergeten. Uit het oog, uit het hoofd.

In de zes uur die gisteren tussen de finish van de etappe (die Phinney niet won, natuurlijk niet) en de late avond lagen, hoorde ik meer over Taylor dan in de drie jaar ervoor. Sommige dingen wist ik al, de meeste waren nieuw.

Dat hij grappig was.
Dat hij een beetje slepend sprak, alsof de woorden in trosjes van vier in zijn richting gevlogen kwamen.
Dat hij mediteerde.
Dat hij Murakami las.
Dat er nog dagen zijn dat hij mank loopt, vanwege die val.
Dat zijn ouders beroemde wielrenners waren (dit wist ik al).
Dat hij tijdens zijn revalidatie in contact kwam met het werk van Picasso.
Dat hij zelf was begonnen met schilderen.
Dat hij zijn eigen werk ‘emotional vomiting’ noemde.

En dat hij naakt was toen ploegleider Charly Wegelius naar hem toegekomen was met het idee om een vlucht op touw te zetten. Dat laatste vertelde hij exclusief aan de NOS, Sporza, de ARD, de ZDF, de WDR, France2, TV5, CNN, NBC, cyclingnews.com, Wielerflits en de Ziekenomroep Gasselternijeveen.

Marcel Kittel won. Phinney werd 146ste, twee plaatsen voor Offredo. Phinney kreeg wel de bolletjestrui, en interviews tot aan Gasselternijeveen aan toe

Het liefst zou ik wonen in een soort parallel universum waarin de aanval de beste verdediging is, een wereld waarin de dingen niet altijd gaan zoals je verwacht, waarin eerste Tourritten niet altijd uitdraaien op vallen en sprinten. Een wereld waarin hoop niet iets ijdels is, maar een slim plan, waarin durven beloond wordt en aanvallers het ecart-tellertje op magische wijze kunnen stilzetten. In een Murakami-roman zou er dan een kikker van 1 meter 80 opduiken die de finish eigenhandig een paar honderd meter dichterbij trekt. Al zou dat vast ook zo z’n nadelen hebben. Denk alleen al aan je wielerprono.

Na de finish belde Taylor gisteren met zijn vader, Davis, die lijdt aan de ziekte van Parkinson. Davis Phinney huilde. Met wie Yoann Offredo belde, is onbekend. Het is niet uitgesloten dat ook daar gehuild werd. Niet vanwege het mislukken van de poging, maar vanwege de poging an sich.

Die op zichzelf natuurlijk al een vorm van slagen was.