Leven langs de afgrond

Dat mensen zichzelf vrijwillig van een brug of rotspunt storten met een elastiek om hun benen in de hoop dat deze niet te lang is, heb ik nooit begrepen. Evenmin versta ik waarom mensen kanovarend rotsblokken ontwijken in een woestkolkende rivier. De wens om te leven wint het van de drang om de dood in de ogen te kijken. Mijn meest extreme doorbreking van het sedimentaire bestaan is een potje voetbal op een achterafveld, waarbij graspolletjes doorgaans het grootste gevaar voor lijf en leden vormen. Dat ondergetekende op een Noors extreme sports festival belandde berust dan ook louter op toeval.

Een walhalla voor types die er van overtuigd zijn dat de mooiste bloemen aan de rand van de afgrond groeien en een geslaagd leven gelijk staat aan het plukken van een boeket. Overdag kijk ik vol bewondering naar paragliders die boven het meer komen aanvliegen.

De opperhoofden van de afgrondlopers

Zodra vanaf de grond een toeter klinkt storten zij zich in een soort vrije val naar beneden, om vervolgens op het laatste moment aan te sturen voor een landing op een platform op het meer. Wonderlijk genoeg slaagt het overgrote deel van de precisielandingen. De enkeling die het platform mist, baalt kortstondig om vervolgens een groot applaus in ontvangst te nemen.

Elke avond komt iedereen samen in een grote tent om de hoogtepunten van de dag te bekijken. Anders dan de precisielandingen zijn veel extreme sports door hun aard nu eenmaal lastig te aanschouwen voor een groot publiek, maar dankzij de levensmoeë cameramannen en de opkomst van helmcamera’s kunnen we alles volgen.

Skateboarders die met een rotgang een berg afdalen, kanovaarders en basejumpers (de opperhoofden van de afgrondlopers, zij gooien zich van een hoog gebouw of rots af en moeten heel snel een parachute openen). Na elk filmpje wordt er luidruchtig gejoeld en geapplaudisseerd, terwijl ik besef dat mijn benen beginnen te trillen zodra ik op de een na hoogste trede van het keukentrapje sta.

Gevoel van twijfel

Er volgt een video waarin een man, die lijdt aan een zeldzame ziekte, wordt voorgesteld. Hij zit in een rolstoel en kan alleen zijn hoofd bewegen. We maken ook kennis met een knappe vrouw die door een zwaar auto-ongeluk op haar eenentwintigste onder haar middel verlamd raakte. De man zal niet oud worden, terwijl de vrouw al eens aan de dood is ontsnapt. Toch delen ze allebei de grote wens om nog eens te paragliden. Uiteraard zien we in het vervolg van het verhaal de wensen in vervulling gaan.

De paraglidegemeenschap heeft met vereende krachten constructies gebouwd die de twee in staat stelt om een duosprong uit te voeren met een ervaren waaghals. Voor de vrouw is zelfs een voertuig gebouwd dat kan opstijgen vanaf een besneeuwde bergtop en kan landen op een grasveld. Na de gelukzalige beschrijving van hun vlucht ontploft de zaal.

Mij bekruipt een gevoel van twijfel. Moeten we niet vaker op zoek naar het moois aan de rand van de afgrond? Of moeten we ons gelukzalig vastklampen aan het feit het huiselijk leven met zijn keukentrapjes stiekem al een heel gevaarlijk avontuur is?