De negende etappe van de Tour de France 2017 of: het leven in het klein

En toen stond Robert Gesink langs de kant. Hij bewoog als de honderdjarige man die uit het raam klom en verkeerd terecht kwam, het gezicht op standje vinger-tussen-de-deur. Naast hem lag Manuele Mori in foetushouding te kermen.
Aan het eind van de dag stond er achter hun beider namen DNF. Did not finish. Een administratieve afkorting voor hen die het niet haalden. Iemand die er geen zin meer in heeft: DNF. Iemand die aan een rondemiss blijft kleven: DNF.
Iemand die in een afdaling doodvalt: DNF.

Op zaterdag finishte Gesink nog wel gewoon. Wat heet: hij werd tweede, na een eindeloos lange aanval. Alleen de Fransman Calmejane, een uitgerekte dropveter van een coureur, bleef hem voor. Calmejane won alles: een plekje in de geschiedenis, een verbeterd contract en de rest van zijn leven gratis smeerkaas. Voor Robert Gesink was er slechts de eer. En daar had hij al zo veel van. Als iemand bij de internationale wielerunie een eeuw geleden had bedacht dat er een bokaal moest komen voor de meest indrukwekkende comeback, dan had Robert Gesink nu aan een vitrinekast niet meer genoeg gehad. Ook deze Tour was weer een comeback, geloof ik, de hoeveelheid tegenslag die hij op zijn pad ontmoet, is nauwelijks bij te houden. En halverwege zijn zoveelste herrijzenis stortte hij alweer ter aarde.
Gebroken ruggenwervel, gesloopte droom.

Soms vragen mensen me waarom ik zo van wielrennen geniet.
“Vanwege het drama,” antwoord ik dan.
Het is zo gezegd. Drama. Je kunt zomaar vergeten dat ‘drama’ ook iets betekent. Dat het gaat over pijn en verdriet en angst en teleurstelling en verraad. En over echte mensen.
Ik zag zondag Fabio Aru aanvallen toen Froome problemen had met zijn internetverbinding (of zo) en dacht: drama. Heerlijk. Ik zag hoe andere concurrenten de boel platlegden omdat ze zo niet wilden winnen en wist: drama. Ook de kapotte versnelling van Uran, die hem tot een knieverbrijzelend Gontcharverzet veroordeelde in de finale sprint, kon je gerust lekker dramatisch noemen. Démare van Pierlala, met de hele dag de bezemwagen in het wiel: topdrama.

Maar ook lekker drama kent zijn grenzen. Contador, die opeens geen meter vooruitkwam (als je goed keek, zag je in de achtergrond zijn carrière-einde meter voor meter dichterbij komen), kon ik al bijna niet aanzien. En bij Thomas, die voor de tweede keer achter elkaar in kansrijke positie uit een grote ronde lazerde en oogde als een man die per ongeluk zichzelf naar de schroot heeft gebracht, begon ik een beetje een hekel te krijgen aan mezelf en mijn dramapraatjes.

En toen viel Richie Porte. Ik wist meteen: die is dood. Ik zie dat soort dingen altijd heel snel. Hij bewoog nog wel. Stuiptrekkingen waarschijnlijk. Een motard zat bovenop hem, in de houding van iemand die uit alle macht probeert een luchtbed dicht te drukken.
Straks zou het bericht komen dat het helemaal mis was en ik dacht: nooit zeg ik nog een woord over drama. Als het echt dramatisch wordt, verdwijnt het plezier.

Winnaarsstoel

Richie Porte was niet dood. Hij brak zijn sleutelbeen en heup. Dat heet, in wielertermen, ‘er goed vanaf komen’. En terwijl Porte de afdaling in een ambulance vervolgde, werd Warren Barguil, die de hele dag (of eigenlijk: het hele weekend) voorop had gereden, ingelopen. Jammer maar helaas.
Tot de eindsprint. In plaats van dat de anderen Barguil als een gerafeld washandje van zich afschudden, ging Barguil tekeer alsof hij net uit een week op de bank gelegen had.
Hij kwam achter Uran.
Hij kwam naast Uran.
Hij kwam voorb- de streep.
Barguil stak een arm omhoog – als hij er twee omhoog gestoken had, was hij vermoedelijk van uitputting achterover gevallen. De speaker riep zijn naam, mensen van de organisatie leidden hem, zijn fiets en zijn lichaam (dat nu aanvoelde als een zak botten) naar de winnaarsstoel. Het enige wat hij nog kon doen, was huilen. Of nou ja, huilen: tot meer dan het laten lopen van zout water uit zijn ogen was Barguil niet in staat. In de laatste kilometers had hij aan de laatste maanden gedacht, aan die val twee maanden terug, in Zwitserland, waar hij zijn heup brak. En nu… En nu… Nu dit…

Eerst denk je dat er sprake is van een foutje.
‘Onze computer geeft Uran,’ zegt Jose de Cauwer ontzet.
‘Ooh, het is niet waar,’ stamelt Wuyts.
Foutje, denk je. Foutje. Wordt zo rechtgezet.
De finishfoto wordt erbij gehaald.
De streep. Twee wielen.
Wuyts: ‘Ooh, het is niet waar. Het is niet waar. Pfffffffffffffffff.’
Iemand twittert: banddiktes zouden verboden moeten worden.
En even verderop zit Warren Barguil op de winnaarsstoel. Hij weet nog van niets.

Andersom

Wielrennen is drama. Niet alleen hanteerbaar, behapbaar drama, waar je met een kop thee op de buik in kunt zwelgen, waar je in kunt opgaan en dat weg is zodra je de televisie uitzet, maar ook levensveranderend drama met een aanzicht dat je maag laat omdraaien. Je kunt drama nou eenmaal niet afstellen op de door jou gewenste hoeveelheid. Het is verliezen als je de winst verdient. Winnen tegen alle verwachtingen. Vernietigde dromen en vervulde dromen. Banddiktes. DNF’jes. Tranen die willoos uit je ogen vallen, huilen zonder dat je al weet waarom.

Het is vallen, opstaan en (als je Robert Gesink heet) nog eens vallen, en nog eens en nog eens. En altijd weer opstaan, net zo lang tot je eindelijk eens overeind blijft, tot het eindelijk eens aan jou is. Je zou kunnen stellen dat de etappe van zondag bewijst dat wielrennen net het leven is. In werkelijkheid is het andersom.