Op zoek naar het Rotterdamgevoel

Sterke verhalen uit New York aan de Maas

Of ik zaterdag naar Rotterdam kan komen, vraagt collega Arthur van Amerongen. In de voormalige rosse buurt Katendrecht vindt muziekfestival de Nacht van de Kaap plaats. “Zit een hartstikke goed verhaal in. Hoeren, snoeren, geile matrozen. Je moet schrijven dat dit het laatste normale feest van Nederland is, zonder gendergezeik, en dat Amsterdam op sterven na dood is.”
Ik heb een bloedhekel aan Rotterdam sinds mijn vader stierf in het Erasmus MC, maar had nog geen plannen, dus stapte ik ’s zaterdagsmiddags op de trein in Amsterdam.

Katendrecht is een schiereiland. Rotterdammers spreken van ‘de Kaap’. Eens was de Kaap een mondain zeemanskwartier, waardoor prostitutie er tierde en in de jaren tachtig een hoerenbuurt overbleef. Die hoerenwijk werd een probleemwijk, de probleemwijk werd ‘hip en upcoming’, met creatieve broedplaatsen in havenloodsen en conceptrestaurants met ironische namen als Kwiezien.

De Nacht van de Kaap (‘Levensliederen en sterke verhalen’) koestert de zeemans- en prostitutieromantiek sterk. Wie echt meedoet, draagt een arbeiderspet, matrozenhoed, Zeeman-T-shirt met Bretonse streep, visnetpanty, tatoeage of een combinatie.
Op het centrale plein in Katendrecht staat het grote podium. Daar treden vanaf negen uur Paul de Leeuw, Loes Luca, Brigitte Kaandorp en andere BR’ers op.
Een herbouwde scheepsloods is ingericht als ‘Grootste Danspaleis van Nederland’. Het nabijgelegen park is omgebouwd tot promenade, met foodtrucks en een silent disco, en uitzicht op de vuurwerkshow van de Wereldhavendagen, die gelijktijdig plaatsvinden.
In de strijd om de beste stad van Nederland zijn analogie en overdrijving de sterkste wapens. Vanavond voelt Rotterdam zich New York aan de Maas, of Berlijn aan de Maas, al ligt dat misschien nog gevoelig.

Arthur en brother-in-arms Rob Muntz maken dit weekend dertig uur radio rondom de feestelijkheden in Rotterdam. “Radio zoals die bedoeld is,” legt meereizend technicus Willem Davids (65) uit. “Geen eindredactie, geen censuur.”
Ik haak aan tijdens de knakworsteetwedstrijd, buiten een café in de binnenstad. Rob heeft gewonnen, met zes broodjes knakworst, al blijkt in de auto dat hij er vijf van heeft verdonkeremaand.
Ik rijd mee naar het festivalterrein, waar amper parkeerruimte is, en de beveiligers ons niet binnen willen laten. Organisator Jasper Scholte weet dat we komen, maar is in geen velden of wegen te bekennen en neemt zijn telefoon niet op. Daar komt Jack Kerklaan, een ludieke Radio Rijnmond-verslaggever, in een verwassen feestwinkelkapiteinspak. We hebben perskaarten nodig, maar die liggen aan de andere kant van Katendrecht, bij de Karwei. Jack loopt wel mee.

Iedereen in Katendrecht kent Jack Kerklaan. Hij is naast razende reporter de zakenpartner van Jules Deelder, en geeft betaalde stadsrondleidingen. Wij krijgen er een voor niks.
“Kijk, daar rechts woon die man van ‘Hekkie’, da’s een ouwe bokser,” vertelt Jack wijzend naar een galerijwoning. “Jeweetwel, van dat YouTube-fillempie uit de Wereld Draai Door.”
Als we de kaarten hebben — Muntz heeft vannacht maar een uur geslapen en is moe van zijn zoektocht naar een parkeerautomaat — wil Jack ons Café Norge laten zien, de laatste Kaapse kroeg, waar een biljarttafel staat, en een dartbord en kerstverlichting hangen.
Aan de bar zit stamgast Cor (72), verderop staat een man (50) wiens naam ik vergeet te noteren. Hij kan door voor kleerkast, woont heel zijn leven in Katendrecht, maar gaat vanavond niet naar het plein. “Veels te druk. Sta je daar, hutjemutje.”
De barvrouw spreekt met een dame die in haar gezicht lijkt op actrice Tatjana Šimić. Stadsgids Jack zegt dat zij vroeger ‘een van de dames’ van de rosse buurt was. “Maar nou is ze getrouwd.”

Beeld: Kevin van Vliet

In de kofferbak

Buiten op het terras van Café Norge herdenkt Jack de goeie ouwe tijd. Arthur drinkt bier, Rob leest de krant, technicus Willem en ik luisteren.
“Vroeger kon je hier niet naar de plee. De stortbakken lagen vol wapens, voor als de plisie een inval deej. Als je dan doortrok, was je gelijk zeiknat en zat je helemaal onder de stront.”
Arthur buldert van het lachen.
En dan was er nog de Bende van de Kaap. “Als je ’s nachts na een bezoekie aan de hoere terugreej, kwamen die kerels achter je rije en dan gaven ze je een klein duwtje met de bumper. Nou, dan kon je uitstappen, en zeggen van ‘Ja maar ik kwam toch van rechs’. Dan zeie die gasten: ‘Da’s prima meneer, dan schrijven we toch een bonnetje!’ Nou, dan zou je vrouw dus de volgende oggend naar beneeje kome, en zag ze die prent op de mat legge en dan wist gelijk ze waar jij ’s nachs was geweest. Dus wat deje die gasten dan? Ze namen je gewoon je laatste flappen af! En als je weigerde, dan ging je even mee in de kofferbak naar het Kralingse Bos.”

Wijvendrankje

Jack heeft het allemaal meegemaakt. De oprichting van de LPF, het geruchtmakende nachtleven van Pim Fortuyn (‘Op een gegeve moment kwam-ie nerregens meer binne.’) en het bewind van burgervader Ahmed Aboutaleb, die hij ‘de berberpoeët’ noemt. “Ik zeg het gewoon, ken mij het schelen. Ik heb toch geen aspiratie-ambities meer.”

Hij heeft ook een nieuwtje. “Voor in de Haagse Post.” Hij brouwt met kompaan Jules Deelder een eigen gin. “Sjuul noem gin al snel een wijvendrankie, of vruchtwater.” Dit stooksel bevat 44,91 procent alcohol — Deelders geboortejaar 1944 maar dan andersom — en bevat een flinter alruin, een peper uit Zuid-Amerika en wat absintalsem, bekend van de hallucinerende ‘Groene Fee’ die Vincent van Gogh naar verluidt zijn linkeroor deed afsnijden. Jules Deelder is doof aan zijn linkeroor nadat hij een alarmpistool te dicht bij dat oor afvuurde op een indringer.

Nachtburgemeester Deelder geeft vanavond geen acte de presence. “Sjuul komp alleen als er wat te verdiene val, of als er iets met jazz te beleve val,” weet Jack. “Ik krijg trouwens nog geld van ‘m.”

Zero tolerance

De zon zakt, we volgen Jack naar het centrale plein. De perskaarten blijken niet nodig, Rob en Arthur hebben de dranghekken losgetild toen de security niet keek. “De truc is stug doorlopen.”
Initiator Jasper Scholte (50) vertelt me later dat de beveiliging niet betaald is door de gemeente Rotterdam, maar uit eigen zak komt. Hij liet zich ooit voorlichten door de ene John uit het Verenigd Koninkrijk, die de begrafenis van Lady Di beveiligde.
De woorden ‘hoeren’ en ‘snoeren’ vallen.
Ik vraag Scholte of de bezoekers aan de drugs zitten. “Van mij mag het. De Nacht van de Kaap doet niet aan zero tolerance, net als North Sea Jazz, en in tegenstelling tot al die dancefeestjes waar iedereen toch wel strak staat.” Minderjarigen komen er vanavond niet in om ‘gezeik met alcoholtoestemming’ te voorkomen. De kaarten waren toch zo uitverkocht. “Leden van de Raad van Rotterdam en een oncoloog van het Erasmus MC belden me nog, of er misschien niet tóch nog een kaartje over was.

Cultuurarm

De Nacht van de Kaap valt samen met de Rotterdamse Wereldhavendagen. “Cultuurarm,” vindt Scholte die. “De Nacht van de Kaap moet het culturele geweten van de stad worden.” Hij tuigt jaarlijks wel meer feesten op. Woodstock in het Kralingse Bos, het Bevrijdingsfestival Zuid-Holland en een straatmuzikantenfestijn.

Zijn feestdrift ontsproot in ’97. Jack importeerde het Berlijnse dancefeest Love Parade naar Rotterdam, en noemde het de Fast Forward Dance Parade. Zestien jaar hield de Dance Parade (“Nog groter dan Lowlands, hoor!”) stand. In 2009 maakte een leger Feyenoord-hooligans amok tijdens een dancefeest op het strand van Hoek van Holland, waarbij één dode viel. “Sindsdien geen dance meer in de openbare ruimte.”

Arthur wil van Jasper weten of er ook ‘bekende Rotterdamse flikkers’ zijn. Pim Fortuyn was immers import en Paul de Leeuw komt uit Lekkerkerk. Jasper weet er geen.
Ik zal het Paul de Leeuw vragen, die de slotact van het hoofdprogramma verzorgt.

Ik – krijg – een – heeeel apart gevaaal – naar binnen

De matrozenmenigte dijt uit. Jong staat met bier in plastic, oud zit knikkebollend op klapstoelen voor het podium. Het publiek is volks en oogt ruiger dan André Rieu-fans op de Vrijthof, maar degelijker dan Feyenoord-supporters. Het gros draagt matrozenhoedjes, de Jan Roos-uitvoering. Niemand is verkleed als hoer. Althans, ik durf het niet te vragen.
Voor het podium storten een verslaggever van Radio Rijnmond en een filmploeg TV Rijnmond zich op stadszanger en zelfverklaard ‘chanteur’ Pierre van Duijl.

Achter het podium spelen de zusje Wanooy vast wat op accordeon voor Rob Muntz.
Vlakbij repeteren acht Feyenoord-supporters. Ze halen geld op voor het Sophia Kinderziekenhuis en zingen straks Mijn Rotterdam, ‘op de melodie van Sweet Caroline’. Ze hebben al in de Kuip en Ahoy opgetreden, dus van zenuwen is geen sprake. “Voetbal is een soort religie,” vertelt groepsleider Aad van Hemert (50). Ik vraag hem naar de Rotterdamse volksaard. “Een Amsterdammer doet echt, een Rotterdammer is echt. Ik mag dan dalijk misschien niet bloedzuiver zingen, maar het komp wel uit m’n hart.”

Sopraan Isabelle Scholte trapt af met een Vrijthof-klassieker van Verdi. Niet veel later mogen de Feyenoorders. Bloedzuiver of niet, Katendrecht brult mee. Dan volgen de meezingers van Brigitte Kaandorp en een duet van Loes Luca en haar moeder Ina (82).

Pierre van Duijl parodieert ondertussen naast het podium wat nummers. “Ik – krijg – een – heeeel apart gevaaal – naar binnen.”
Tussen de optredens door vraag ik Loes Luca naar het Rotterdam-gevoel, dat ze omschrijft als: “In Groningen ben ik toch dat mens uit Rotterdam, hier niet.” Loes staat hier vanavond niet voor het geld. Haar honorarium is een etentje met haar moeder, aan de overkant, in restaurant De Matroos en Het Meisje. In Amsterdam gaat het er niet anders aan toe. “Daar trad ik eens op in de Hitclub voor een advertentie in het Parool.”

Drukke hippe kutstad

Het is elf uur. Op de Erasmusbrug wordt een paar ton aan vuurwerk de lucht in geschoten, op het Deliplein in Katendrecht schallen Paul de Leeuw, Loes Luca en Brigitte Kaandorp de grande finale.
Paul de Leeuw, gutsend van het zweet, wordt achter de schermen belaagd door Rob Muntz en Arthur van Amerongen, die tot zijn blijdschap te horen krijgt dat Paul z’n columns in de Volkskrant altijd met veel plezier leest. Die columns in HP/De Tijd leest De Leeuw niet. Hij leest überhaupt geen HP/De Tijd. Een Rotterdamse bekende homo kent hij wel: cabaretier Richard Groenendijk. De Rotterdamse volksaard kent hij ook goed: “Als je ruziet met een Amsterdammer, loopt hij de kroeg uit en zegt hij tegen z’n vrienden dat hij je een lul vindt. Een Rotterdammer noemt je een lul en geeft je een biertje.”

Na de hoofdact loopt het Deliplein leeg. De matrozen staan in de rij voor friet of de dixies. Ik heb trek en haal ook friet, ambachtelijke friet, bij Fritez, waar één meisje in een schort aardappelen vierendeelt met een ijzeren drukwerktuig, en één frituurt.
Een man achter me klaagt. Hij wil ‘gewoon’ patat. “Ech waar, normaal sterref ik nog liever van de honger dan dat ik in zo’n rij gaat staan.”
Ik hoor mijn vader, een geboren Rotterdammer.

Na middennacht loop ik via loopburg De Hoerenloper het schiereiland af. Een afscheidsbord waarover razende reporter Jack ’s middags vertelde (waarop ‘Tot soa’ zou staan) zie ik nergens en verban ik naar het rijk der sterke verhalen.
Aangekomen op Amsterdam-Centraal stap ik met achtduizend stadsgenoten op de pont, naar dat andere ‘hip en upcoming’ stadsdeel: Amsterdam-Noord, vol creatieve broedplaatsen in scheepsloodsen en conceptrestaurants met ironische namen. Er wordt bier uit blik gedronken, half Engels gesproken en gegild van het lachen. Mijn vader vond Amsterdam een drukke hippe kutstad. Ik vanavond ook.

Dit moest het Rotterdamgevoel zijn.