‘Het onderzoek naar Nederlands-Indië moet zich écht op beide kampen richten’

Er was vorige week veel gesteggel over het nieuwe onderzoek naar de dekolonisatie van Nederlands-Indië in de periode 1945-49. Dit onderzoek was gedoemd te mislukken, schreef onderzoekster Marjolein van Pagee op deze site. Ze zou best eens gelijk kunnen krijgen, vindt publicist Martien Hoogland. Maar haar redenen zijn te kort door de bocht en missen feitelijke onderbouwing.

Dit geldt zowel voor haar karakterisering van Indonesië onder Nederlands bestuur als een in en in racistische samenleving als voor haar stelling dat het onderzoek wordt uitgevoerd door witte mannen.

​Van Pagee bekritiseert de plaats van de Bersiap in het onderzoek. Het beeld van Indonesische strijders als bloedige terroristen zou voortkomen uit ‘diepgewortelde koloniale denkpatronen’ en de brave Nederlandse jongens zouden in haar ogen ook ontspoord zijn zonder de Bersiap.

Om dat te weerleggen wil ik een paar feiten op een rij zetten. Na de Japanse capitulatie kwam Indonesië onder Brits bestuur waarna Soekarno in augustus 1945 de onafhankelijkheid uitriep. Daarna werden duizenden (Indo)-Nederlanders afgeslacht, terwijl Nederlandse troepen vanuit Malakka machteloos toekeken. Dat ging er bloedig aan toe. Zo werden in Bandung Nederlanders onthoofd en werd hun vlees te koop aangeboden op de markt.

De kortstondige Japanse bezetting tussen 1942 en 1945 speelde hierbij een grote rol. De jeugdige daders van de Bersiap waren door de Japanners opgevoed in fascistische jeugdgroepen met sterke anti-Nederlandse en anti-Westerse sympathieën. Belangrijk is dat de Japanse rantsoenering van de rijstsector in 1944 zorgde voor een hongersnood op Java met een miljoen doden tot gevolg. In deze chaos gleden de jeugdgroepen af tot criminele bendes en raakte Arto Nolan, de tolk van Java, van het rechte pad af. Deze chaos was ongekend in de voorgaande drie eeuwen van Nederlands bestuur.

Keurt de slager zijn eigen vlees?

Ook haar stelling van een ‘witte studie’ laat argumenten onbenoemd. Van Pagee had behoren te melden dat de aandacht voor de Bersiap in het onderzoek een keiharde eis was van de VVD. Deze partij telt veel aanhang onder Indië-veteranen. Op haar aandrang is tevens de vraag naar de invloed van het Nederlandse koloniale systeem op de latere oorlogsvoering van tafel verdwenen. Deze condities werden nauwkeurig omschreven in de brief aan de Tweede Kamer van 2 december 2016 waarin het kabinet-Rutte het onderzoek aankondigde.

Verder betitelt Van Pagee het Nederlands Instituut voor militaire Historie als bevooroordeeld. Diens medewerker Rémy Limpach heeft met zijn publicatie De brandende kampongs van Generaal Spoor toch echt een standaardwerk over het geweld in deze periode geschreven. Van Pagee laat de reacties op deze studie buiten beschouwing. Zo heeft historicus Bart Luttikhuis onlangs het aantal Indonesische slachtoffers bijgesteld van 200.000 naar bijna 100.000.

Belangrijker is dat Limpach werkt in een verouderde traditie die geschiedenis opvat als een opsomming van koningen en oorlogen. Hierdoor worden belangrijke verbanden niet gelegd. Zo verklaart hij het geringe aantal in Indonesië gestationeerde Nederlandse soldaten in 1940 uit de angst die de Javaanse oorlog ruim honderd jaar eerder in 1830 had ingeboezemd. Dat lijkt zeer ver gezocht. Ook zijn vergelijking met het optreden van de Fransen in de Algerijnse Vrijheidsstrijd is niet overtuigend.

Cruciaal in het onderzoek behoort de koloniale productiewijze te staan, zoals recentelijk door Thomas Piketty – in navolging van Karl Marx – is betoogd. Zo kunnen de uitputtende gegevens van Limpach over geweld in een kader geplaatst worden. Zijn spaarzame verwijzingen naar bijvoorbeeld het Cultuurstelsel schreeuwen zelfs om uitwerking.

Engelse en Franse mores

Eerst nog een opmerking over de methode van onderzoek. Vergelijking is in de wetenschap al lang een beproefd middel om tot de kern van de zaak te komen. Zo kan afstand genomen worden van egodocumenten en van opmerkingen dat elke dode er een te veel is. Dit geldt namelijk voor de gehele wereldgeschiedenis. Het gaat daarentegen om een verklaring van de omstandigheden waarin mensen tot hun daden komen. Hierbij blijkt dat Nederland een geheel gematigde koloniale exploitatie heeft gehanteerd.

Neem de Mau Mau-opstand van het Kikuyuvolk in Kenya in 1952. Na de moord op welgeteld twee Engelse kolonisten riep de Engelse gouverneur Baring de noodtoestand uit. De opstandige Kikiyu werden opgesloten in concentratiekampen waar zeker 100.000 van hen crepeerden op een bevolking van 1.5 miljoen. Ter vergelijking Indonesië telde 72 miljoen inwoners. De Engelse Colonial Office heeft alle gegevens laten verdwijnen. Deze zaak is alleen aan de orde gekomen door vasthoudend onderzoek van de Amerikaanse historica Caroline Elkins die gebruikt maakte van interviews.

Geweld in Engeland heeft een lange traditie, met een hoofdrol voor de Engelse adel. Zij decimeerden in 1056 onder leiding van Willem de Veroveraar de inheemse Angelsaksische bevolking, schopten in de 16de eeuw kleine boeren van hun land via enclosures (omheiningen van akkerland), deporteerden werkweigeraars naar Australië en veroorzaakten een hongersnood in het Ierland van de aardappelziekte, en in Indië.

Stiff upper lip

In deze kolonie zorgde de invoering van de katoenteelt voor hongersnoden die omstreeks 1880 aan zeker zes miljoen mensen het leven kosten. Ten slotte voerde Lord Kitchener tijdens de Boerenoorlog in Zuid Afrika in 1902 het concept van concentratiekamp in. Nog steeds heerst de stiff upper lip in London, zoals te zien aan de brand van de Glenford Tower.

Structureel geweld vond ook plaats in Algerije, waar vanaf 1954 bijna twee miljoen soldaten een bevolking van tien miljoen zielen in een wurggreep hielden. De Algerijnen waren dan ook vanaf 1830 van hun land gezet om in overbevolkte bidonvilles te leven. De Franse psychiater Frantz Fanon typeerde de Algerijnen als Verdoemden met een zwarte huid en een blank masker. Nog steeds verheft de Franse staat zich hoog boven haar onderdanen.

Nederlandse polderaars

Nederland kende een heel andere ontwikkeling. Het werd gevormd door kleine boeren die slootjes groeven, dijken aanlegden en onderlinge afspraken maakte over de afvoer van water naar de zee. Polderaars dus. In de 17de eeuw werd Nederland het centrum van het handelskapitalisme in de wereld.

Dit betekende dat zij een monopolie nastreefde in de handel, maar zonder de bestaande productiewijze ingrijpend aan te tasten. Deze politiek werd ook in Indonesië toegepast middels het veel bediscussieerde Cultuurstelsel, dat vanaf 1830 werd ingevoerd door Johannes van den Bosch. Deze had in Nederland zijn sporen verdiend in de vestiging van arme stadsbewoners in kolonies op de Drentse zandgronden. Op Java koos hij ervoor om de inheemse gemeenschappen in tact te laten. Zo suggereerde hij om boeren plantloon voor hun koffiebomen te geven. De Engelsen schopten de Kikuyu van het land en verboden ze om koffie en thee te verbouwen.

Java

Verder verbood Van de Bosch de Chinezen de toegang tot Java om zo ruimte te scheppen voor Indonesisch ondernemerschap, in met name  de suikersector. Vooral de teelt van koffie was profijtelijk voor de boeren en Java werd hofleverancier in de wereld, ook van kininebast en Delitabak. Dit stelsel ging gepaard met uitbuiting, zoals Multatuli in zijn roman Max Havelaer beschreef, maar binnen Nederlandse proporties.

Bekend is de parabel van het echtpaar Said en Ajinja dat beroofd werd van hun os. Multatuli was zelfs een polderaar. Hij bood koning Willem III aan om zijn aanklacht in te trekken, mits hij zijn baan terugkreeg. Dat gebeurde niet, maar onder Nederlandse bestuursambtenaren werd hij populair. Deze ambtenaren waren tegen de aanleg van spoorlijnen, omdat ze de dorpen zouden ontwrichten.

Rijstteelt

Verder besteden ze veel aandacht aan de voedselteelt, dit in tegenstelling tot de Engelsen in India, zoals de Nederlandse resident van Oudijck in de Stille Kracht van Louis Couperus terecht opmerkte. Onder Nederlands bestuur verzesvoudigde de bevolking en werd Java het dichtstbevolkte gebied in de wereld. De ingenieurs van Delft praktiseerden in de rijstteelt op Java zelfs een ingenieurssocialisme. Ook stichtten ze in Batavia een afdeling van de SDAP.

Lid Henk Sneevliet was zelfs de belangrijkste informant van Vladimir Lenin over Zuidoost Azië. In deze rijstteelt experimenteerde Nederland uitgebreid met zelfbestuur door de desa’s. Dit concept werd in 1945 door de founding father Yamin naar voren gebracht als voorbeeld voor het toekomstige bestuur van Indonesie. Nederland heeft de Indonesische ziel intact gelaten, zoals Couperus in de Stille Kracht vaststelt.

Tot slot een aanbeveling voor het onderzoek. Dit behoort het verband te leggen tussen de koloniale exploitatie en het geweld zoals beschreven door Limpach, maar dan van beide partijen. Het land werd in deze periode verscheurd door tegenstellingen tussen gematigden onder leiding van Soekarno en fascisten, communisten en islamisten. Deze groepen bevochten elkaar op het scherpst van de snede, wat aan vele Indonesiërs het leven kostte.

In 1965 vielen er alleen al 500.000 doden bij een communistische opstand. De oorsprong ligt in de koloniale periode, waarin de islam via de kuststeden de oude Boeddhistische en Hindoeïstische rijken in het binnenland introk. In de oude Vorstenlanden heerste al in de negentiende eeuw landhonger, terwijl de suikerrietplantages boeren van hun land drongen. Het is de vraag of Indonesië veel aandacht aan deze tegenstellingen wil besteden, aangezien deze strijd anno 2017 de Indonesische samenleving nog steeds aan het wankelen brengt.

Martien Hoogland is publicist. 

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Martien Hoogland