Verdient u een terechte pluim voor uw talenknobbel?

De week van het Nederlands van de Taalunie staat voor de deur. Volgens de in België wonende Ricus van der Kwast een goed moment om ons taalgebruik tegen het licht te houden.

Het buitenland is jaloers op hoe goed wij, Nederlanders, het Engels beheersen. Het stond er echt. Hoe leg ik het mijn Vlaamse vrienden uit? Het was mijn eerste gedachte toen ik het stuk uit had.

Taal
Beeld: Pexels/Tookapic

Het artikel verscheen in de Pluim, een rubriek die de Volkskrant in het leven had geroepen om de zaakjes die we in Nederland mooi voor elkaar hebben eens te belichten. Ik zag De Pluim eerst als het wat ingetogen zusje van De Speld, de onvolprezen satirische nieuwsmaker. Soms vraag ik me nog af of die Pluim niet één grote grap is.

Een positieve blik op de samenleving, daar is niet mis mee. Een mooi voorbeeld daarvan is de rubriek ‘Früher war alles schlechter’ uit Der Spiegel, die met cijfers en feiten misplaatste nostalgie naar die goeie ouwe tijd logenstraft. Dankzij die serie, inmiddels al afkoersend op zijn honderdste aflevering, weet ik dat de guineaworm in 1980 nog 3,5 miljoen mensen ziek maakte en in 2015 22, dat het aantal bankovervallen alleen al in Duitsland in de laatste vijfentwintig jaar met 85% is afgenomen en dat er wereldwijd dagelijks 285.000 mensen bij komen met toegang tot drinkwater.

De Pluim is daar een slap aftreksel van. In elke aflevering wordt een expert opgevoerd die er gezellig op los mag keuvelen tot meerdere glorie van mijn vaderland. Zo zijn we bijzonder tolerant tegenover transgenders, hebben we een waanzinnig goed spoornetwerk en kijkt de rest van de wereld likkebaardend naar onze frikandellen. En we zijn wereldkampioen Engels.

Taalvaardigheid

Die taalvaardigheid van ons is, net als die zogenaamde tolerantie, een door onszelf verzonnen mythe. Je kunt er gif op innemen dat op dit moment ergens ter wereld een gesprek volgens de volgende lijnen verloopt:

“Hoeveel talen spreek je?”
“Vier.”
“Woow, you guys are terrific! Alle Nederlanders die ik ken spreken minstens vier talen.”

De Nederlander haalt minzaam zijn schouders op, kan de dos cervezas van multitalent Tom Waes bestellen en heeft weer een taal gescoord.

Het is hier dat de Vlaming met scheve ogen kijkt naar zijn luidruchtige noorderbuur. De doorsnee-Vlaming spreekt nog altijd één taal meer — al doet hij dan zijn best om Frans af te leren — en datzelfde kun je zeggen van Finnen en waarschijnlijk ook van elke willekeurige Scandinaviër. Maar wie ter wereld heeft er nou van Vlamingen of Finnen gehoord?

India

Enfin, niet zij, maar wij Nederlanders spreken het beste Engels. Het staat zwart op wit, we hebben een heuse test om het op te bekken: The English Proficiency Index. De scores in die test zijn het resultaat van het op één hoop gooien van taalvirtuozen en functioneel analfabeten. Hoe zinloos de index is, laat het voorbeeld van India zien. Alle Indiërs waar wij, westerlingen, doorgaans mee te maken hebben spreken Engels als hun moerstaal, hun schrijvers horen bij de Engelstalige literatuur. Je moet al taaldoof zijn om het mooie, bolle accent te verslijten voor een gebrek aan Engelse taalvaardigheid. Toch staat India nummer 22 op de lijst, vlak achter Slowakije, Roemenië en Argentinië.

Taal
Beeld: ANP/Lex van Lieshout

Stel nu even, als gedachte-experiment, dat wij echt nummer 1 zijn. Wat dan nog? Putten we troost uit de gedachte dat er minstens 71 landen zijn die er nog minder van bakken dan wij? Moeten we er blij om zijn dat we de stapjes vooruitgang in het Engels bereikt hebben door achteruit te hollen in Duits, Frans en Nederlands? Kunnen we tevreden achterover leunen?

Zolang er nog zoveel Nederlanders zijn die denken dat Engels stukken makkelijker is dan Duits, is er duidelijk veel werk aan de winkel. Het spreekwoordelijke onbegrip tussen Britten en Nederlanders in het zakelijke verkeer is een goudmijn voor managementgoeroes. “Met Brits Engels heb ik ook niet veel,” zeggen legio Nederlanders dan. Dit type spreekt namelijk eerder Amerikaans. Alsof het voldoende is om colour zonder u te schrijven en je mond scheef te trekken terwijl je praat. Je zou ze een boek van pakweg William Faulkner gunnen.

Getuige à décharge

Als getuige à décharge voerde De Pluim dit keer Alison Edwards op. Edwards is een Australische taalsociologe, gepromoveerd aan de Universiteit van Cambridge op Dunglish, vernederlandst Engels, het omgekeerde dus van waar we het veel vaker over hebben, de verengelsing van het Nederlands. Ze zegt allemaal lieve dingen over ons en over ons Engels, maar — het moet me van het hart — ze zegt vooral ook hele rare dingen.

In het taaluniversum van Edwards bestaan verbasteringen niet en is een fout geen fout, maar vernieuwing. Grammatica, woordenschat, uitspraak en dat hele dwangbuis van spelregels kunnen overboord. Allemaal een tien. Kortom, Dunglish is alsof John O’Mill van over het graf tot je spreekt, maar dan zonder dat je er veel om moet lachen.

Een interessante gedachte, zou een Brit zeggen. Je zou denken dat het leren van een vreemde taal precies dat tot doel heeft, het leren en perfectioneren van die taal.  Nee dus: het is er kennelijk op gericht je eigen koeterwaalse variant te ontwikkelen.

Taalevolutie

Natuurlijk evolueert een taal. Af en toe raakt er eens een fout ingeburgerd. Soms sluipt er een nieuw woord in, meestal heeft dat met vertaalluiheid te maken. Maar fouten zijn individueel en neologismen verdwijnen vaak sneller dan ze gekomen zijn. Dat al die brokjes gemankeerd Engels door een geheimzinnige aantrekkingskracht zouden samenklonteren tot een nieuwe taal is voor Edwards echter een weet, en mij volslagen onduidelijk.

Engelsen, Engelstaligen zouden ons bewonderen om ons Engels, zouden dat soms beter vinden dan hun eigen Engels. Dat gaat er bij mijn landgenoten in als zoete koek. Ik zet ook hier levensgrote vraagtekens bij. Wat er gebeurt als je jezelf te serieus neemt, weet Héloise Letissier sinds haar optreden in The Graham Norton Show.

Letissier, beter bekend als Christine and The Queens, wordt uitgebreid gecomplimenteerd met haar Engels, loopt met open ogen in de val en wordt dan genadeloos neergesabeld.

No. You don’t sound like an English person.

De tekst gaat hieronder verder. 

Zolang je nog gecomplimenteerd wordt met je Engels, schort er van alles aan. Als de complimenten beginnen te wijken voor lichte irritatie, dan ben je op de goede weg.

Alison Edwards weet dat natuurlijk ook. Frans Timmermans is een freak, zei ze eerder. Bar griezelig, een buitenlander die zo diep in je taal weet binnen te dringen. Haar échte boodschap is dan volgens mij ook een hele andere en ligt onderhuids: “Rommel maar wat aan, jongens, het zal toch nooit wat worden met dat Engels van jullie.’”

Ondertussen verkneukelt ze zich, waarschijnlijk samen met wat Vlaamse vrienden van me, hoe ze die Hollanders tuk heeft. Wij merken dat niet: subtiele boodschappen en de Nederlandse volksaard, dat gaat niet zo goed samen. Liever laten we ons wijs maken dat we de beste zijn. De slotepisode van De Pluim kan dan ook alleen maar gaan over onze legendarische en alom bewonderde bescheidenheid.

De week van het Nederlands komt er trouwens aan. Ik verheug me er al op. Zijn we namelijk ook de beste in.

Ricus van der Kwast