Criminaliteitscijfers zorgen door Italiaanse link voor meer vragen dan antwoorden

In 2016 werden er 930.000 misdrijven geregistreerd, een daling van ruim vijf procent ten opzichte van 2015. Sinds 2007 zou de criminaliteit in Nederland met zelfs bijna een derde zijn afgenomen, zo bleek vandaag uit het rapport van het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS). Mooi nieuws, maar wat vooral opvalt is dat menig deskundige en krant niet staan te juichen, en zelfs een vergelijking trekt met Zuid-Italië.

Bron: CBS

Het CBS — dat in samenwerking met Wetenschapppelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC), de Raad voor de rechtspraak, het Openbaar Ministerie en de Nationale Politie onderzoek deed naar criminaliteit en rechtshandhaving — plaatste zelf al kanttekeningen bij de publicatie. “De cijfers over 2016 zijn voorlopig, en omdat er in 2017 ook nog zaken worden opgelost zal het definitieve aantal verdachten hoger uitkomen. De verschillen met het jaar ervoor en met 2007 zullen dan kleiner worden,” valt er in de rapportage te lezen.

Buiten beeld

Niet alleen de voorbarigheid van de analyse maakt het onderzoek moeilijk te interpreteren. Ook over het ontbreken van bepaalde cijfers plaatst het CBS een kritische noot: “Een deel van de omvang van de criminaliteit blijft buiten beeld van de huidige registraties. Zo is de aangiftebereidheid laag, wordt maar een klein deel van de cybercriminaliteit meegeteld, en wordt in de slachtofferenquêtes alleen gevraagd naar veelvoorkomende vormen van (cyber)criminaliteit.”

De NRC concludeert dat uit deze cijfers geen harde conclusies getrokken kunnen worden. De door het CBS genoemde beperkingen – de lage aangiftebereidheid en het grotendeels ontbreken van cybercriminaliteit in de cijfers – zorgen volgens de krant voor een dark number. Dit getal, het niet geregistreerde deel van de criminaliteit, maakt de cijfers niet representatief voor de totale criminaliteit, enkel voor de geregistreerde.

Cyrille Fijnaut, criminoloog en hoogleraar rechtsvergelijking aan de Universiteit van Tilburg, pleit in de Volkskrant voor een veel diepgravender onderzoek. Het onderzoek geeft volgens Fijnaut nog geen reden tot opgelucht ademhalen: “De context ontbreekt. De cijfers roepen vooral veel vragen op.” Het oplossingspercentage is niet bij elk soort delict hetzelfde, en ‘het wordt alleen geregistreerd als de dader wordt aangehouden bij het plegen van het delict, maar de gehele drugsindustrie en de wapenhandel blijven buiten beeld’, zo merkt Fijnaut op.

Criminaliteit
Beeld: ANP/Bas Czerwinski

Burgemeesters

Vorige week bleek uit een onderzoek in opdracht van het ministerie van Veiligheid en Justitie dat bijna een kwart van de burgemeesters wordt bedreigd door criminelen, cijfers die volgens Fijnaut niet terug te zien zijn in het onderzoek. Als dit in Zuid-Italië aan de hand was zouden we direct naar de maffia wijzen volgens de criminoloog. Bij het onderzoek werd geconcludeerd dat de invloed van de bedreigingen op besluiten beperkt is en er geen sprake van grootschalige beïnvloeding van het lokale bestuur is.

De maffia is echter al lang geen louter Italiaans probleem meer. Nederland zou met zijn grote luchthaven, de haven in Rotterdam én lage straffen voor drugsdelicten een interessant land zijn voor de maffia. Een groot deel van de praktijken in ons land blijft echter onzichtbaar. Over de omvang van de maffiapraktijken in ons land verschillen Italië en Nederland van mening.

Wilbert Paulissen, hoofd recherche van de Landelijke Eenheid, meent dat het om een klein aantal mensen gaat. Stef Blok, minister van Veiligheid en Justitie, schrijft naar aanleiding van het onderzoek ‘Cerca Trova dat de kenmerkende ‘corrumperende en ondermijnende praktijken jegens politiek en bestuur in ons land niet zijn vastgesteld’. Italië is daarentegen van mening dat Nederland het probleem onderschat.

Ongegronde vergelijking

Hoe zouden Italiaanse deskundigen over de bedreigde burgemeesters in Nederland oordelen, vraagt Fijnaut zich af. Zou Nederland ook hier de ernst en omvang van het probleem onderschatten? De beeldvorming ontstaat voor een groot deel door clichés en cijfers. Zoals nu blijkt bestaan er gegronde redenen deze cijfers in twijfel te trekken. Naast de genoemde kanttekening zou het perspectief ook kunnen zijn dat Nederland te weinig doet aan het opsporen van criminelen.

Een vergelijking tussen de criminaliteitscijfers van verschillende landen is nog moeilijker te maken. Een antwoord op Fijnauts vraag blijft dan ook uit. Het Europese statistiekenbureau Eurostat waarschuwt voor het vergelijken van cijfers van verschillende landen: “De gegevens kunnen worden beïnvloed door diverse factoren, zoals verschillende niveaus van strafbaarstelling, de doelmatigheid van het strafrechtelijke systeem en de registratiepraktijken van de politie. Bovendien worden niet alle misdrijven door de politie geregistreerd.”

Of de totale criminaliteit werkelijk gedaald is blijft een onbeantwoorde vraag. Wel valt de trend van media die het nadrukkelijk over de daling ‘op papier’ en van ‘geregistreerde’ misdaad hebben positief te noemen. Hopelijk maakt het ons meer bewust cijfers kritisch te beoordelen alvorens een beeld te vormen.