Hoe Kasper Dolberg een doelpunt maakte en meteen een nieuwe filosofische stroming stichtte

Gisteren heb ik tussen vier uur ’s middags en tien uur ’s avonds geprobeerd even weinig emotie uit te stralen als Kasper Dolberg na een doelpunt.
Eerst probeerde ik dit stukje te schrijven. Ging natuurlijk mis: veel te veel emotie. Vervolgens liep ik naar de keuken om een tijdje naar een stuk prei te gaan kijken en uiteindelijk ging ik dan maar op bed liggen, met de gordijnen dicht en de gedachten op standje-Britt.
“Wat doe je?” vroeg de vriendin.
“Zie je iets?”
Zij: “Je kijkt alsof je een enorm iets aan het inhouden bent. Dat moet je niet doen, dat is niet gezond.”
Ik: “Lijk ik niet sprekend op Dolberg nu?”
Zij: “Als Dolberg eruit ziet als een zenuwpatiënt met een stoelgangprobleem, dan sprekend.”

Ik geef toe: ik ben een beroerde succeskijker. Je hebt mensen die een Grote Prijs winnen (een Oscar of zo) en dan tevreden glimlachen, hun partner kussen, opstaan, jasje of jurk recht strijken, de overige genomineerden (losers!) een hand of zoen geven en kalm naar het podium lopen.

Zo iemand ben ik niet. De enige keer dat ik een prijs won, stormde ik naar voren om de cheque en het kunstwerk uit handen van de juryvoorzitter te grissen. Dat moment is gefilmd: op die beelden zie ik eruit als iemand die aan de overkant van zijn straat iemand met zijn gestolen fiets ziet leuren. De vriendin (destijds ook al dé vriendin) zit een beetje beteuterd en ongezoend te klappen. En als ik in voetbal-, tennis- of andere wedstrijden iets had gedaan wat applaus van de paar aanwezige toeschouwers verdiende, deed ik iets geks met mijn mond, om te voorkomen dat ik in een nerveus gelach zou uitbarsten.

Kasper Dolberg
Kasper Dolberg viert met David Neres en Justin Kluivert de 1-3 van Ajax. Beeld: ANP/Kay int Veen

Snoop laat zijn hond uit

Voor iemand als ik was het kortom wat vervreemdend om te zien hoe Kasper Dolberg gistermiddag in de Kuip wegliep nadat hij zijn ploeg op voorsprong had gezet tijdens Feyenoord-Ajax, een ballet voor 22 hansworsten en een fluit, een wedstrijd zo kansarm en hulpbehoevend dat hij eigenlijk geadopteerd zou moeten worden door een rijke Gooise familie. Maar hoe treurig de wedstrijd ook was (voor wie niet keek: denk aan die hond die in Japan dertien jaar lang vergeefs dagelijks naar het station kwam om op zijn overleden baasje te wachten, en verdubbel die treurnis), het was toch maar mooi de winnende in de Klassieker.

Maar dat deed Dolberg kennelijk niet zo veel. Hij sjokte het strafschopgebied uit en keek naar de grond met de blik van iemand die in een lege vijver staart. Achteraf las ik dat hij dacht dat het doelpunt niet telde. Logisch: het stadion viel na zijn goal volkomen stil. De stilte na de zangpartij van een verwilderde overbuurvrouw op de uitvaart van een vage bekende. Het was de stilte van verbijstering, en deemoed.

Ik weet niet in welke hoeken ik mijn mond allemaal zou hebben gewrongen als ik het was geweest die vijftigduizend opgewonden Rotterdammers met een Kiprich-sleutelhanger aan de bos en een De Wolf-tattoo op de schouder met een simpel tikje de mond had gesnoerd, maar het was ongetwijfeld een bijzonder vreemd gezicht geweest.
(Maar ook weer niet zo vreemd als dat van David Neres trouwens, die die hele Dolberg-goal op knappe wijze had voorgekookt en vervolgens wegslenterde met het gezicht van Snoop Dogg die expres-achteloos de andere kant op kijkt terwijl hij zijn hond in de zandbak van de buurkinderen laat kakken. Wat mankeert er aan die jongen?)

Er wordt vaak geklaagd over dat er te gek wordt gejuicht in voetbalstadions. Het is maar wat je gek noemt: ik vind het meer voor de hand liggen om na een doelpunt in de Kuip (in een periode waarin je voortdurend wissel stond achter een bejaarde Achterhoeker, terwijl je twee maanden ervoor nog naar elke club in Europa kon) als een wilde stier het veld over te draven, de cornervlag in de fik te steken en uit je kous een liefdesgedicht te trekken, om dat vervolgens met luide stem voor te dragen en daarna een Braziliaanse drumband het veld in te laten komen, allemaal ter ere van jezelf.

Kasper Dolberg
Dolberg na zijn tweede goal en de 1-4 voor Ajax. Beeld: ANP/Olaf Kraak

Zo onbewogen blijven als Dolberg gisteren, in een stadion waar iedereen je hoofd het liefst tussen twee halve broodjes ziet, met een kwak mayonaise erop, dat vind ik iets ongelofelijks. Dat is een vorm van stoïcisme die ik alleen maar ken uit de boeken. Op het gymnasium leerde ik over Zeno, een norse, ascetische man in het Athene van Epicurus. Zeno was de grondlegger van het stoïcisme, een filosofische stroming waarin de hoogste staat van zijn de apatheia was, een houding waarin de filosoof nog wel voelt, maar geen emoties meer ervaart. Er is maar één conclusie mogelijk: Kasper Dolberg is Zeno. Niet zomaar een talentvolle spits, maar een stoïcijn van omstreeks 2.400 jaar oud in het lijf van een Deense tiener.

Goalapatheia

Mario Balotelli zei ooit, op de vraag waarom hij na een doelpunt nooit een Braziliaanse drumband ter ere van zichzelf het veld in liet komen: “Als de postbode een brief bezorgt, juicht hij ook niet.” Deze uitspraak vormde de basis van het Balotellisme, het zo boos mogelijk kijken na een goal. Het Balotellisme maakte korte tijd behoorlijk school, maar na zondag in is het definitief tijd voor de goalapatheia van Kasper Dolberg.