Oud-onderzoeker UvA maakt zich zorgen over ideologische eenzijdigheid op universiteiten, deel 2

De ‘verengelsing’ van het curriculum

Josse de Voogd, geografisch onderzoeker, sprak zich vorige week uit over de ideologische eenzijdigheid van Nederlandse universiteiten. Hij maakt zich zorgen. Vandaag is het de beurt aan de ‘verengelsing’ van het curriculum. Kunnen we — vrij vertaald naar het bekende werk van Herman Vuijsje — spreken van de N.V. 2.0?

Vorige week sprak De Voogd, oud-onderzoeker van de Universiteit van Amsterdam (UvA), al over het selectieve en gekleurde onderzoek van de diversiteitscommissie van de UvA. In het onderzoeksrapport werd een tekort aan diversiteit geconstateerd en gepleit voor krachtige maatregelen. Volgens De Voogd zijn de onderzoekscijfers hierover echter erg selectief gebruikt en beperkt geïnterpreteerd. Een geval van cherrypicking?

Verengelsing

Eenzelfde ideologische gekleurdheid lijkt waarneembaar in de verengelsing van universiteiten. De Voogd noemt als voorbeeld het in 2017 uitgebrachte Intentions on internationalization van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG). “Een van hun doelen is, zo schrijven ze, dat iedereen overtuigd moet worden van hun intenties. Dat gaat nogal ver,” doelt De Voogd op de door het College van Bestuur geschreven inleiding.

De betreffende alinea van de inleiding – overigens met een hoog zendelingenwerkgehalte – verraadt veel enthousiasme en laat inderdaad ruimte voor de vraag wat er gebeurt met medewerkers en studenten die het niet eens zijn met de intenties, aangezien deze de ‘guidelines for the years ahead’ zijn.

Van soortgelijke strekking is de volgende intentie, onder het kopje Engagement: “Dat alle onderdelen van de universiteit (vrij vertaald, red.) de voordelen en uitdagingen van het internationaliseringsproces begrijpen en actieve deelnemers zijn in de doorgaande verwerking en ontwikkeling van een universiteitsbrede benadering die past bij de verschillende faculteiten.”

Deze intenties zijn krachtig en moeten onder andere bijdragen aan het doel het aandeel internationale studenten van 17 procent nu te verhogen naar dertig procent in 2025. En daarvoor doet de universiteit met volledig en uitsluitend Engelstalige bacheloropleidingen als Amerikanistiek, Biologie, Filosofie en Sociale Geografie en Planologie goed haar best.

De tekst gaat hieronder verder. 

Beeld: ANP/Koen Suyk

Internationalisering is niet apolitiek

De kosmopolitische inzet – soms verward met uitsluitend ‘links’ –  van de universiteit is een interessante ontwikkeling, een logisch gevolg van de economische en culturele globalisering. Daarom moeten universiteiten zich inderdaad openstellen voor een groeiende interesse van internationale studenten. Denk bijvoorbeeld aan de mogelijkheden tot huisvesting. Maar dat betekent niet, zo pleitte De Voogd eerder, dat universiteiten de politiek stellingen moeten innemen.

De Voogd: “Internationalisering is niet apolitiek. Het is een maatschappelijk vraagstuk. De diepe kloof in de samenleving tussen kosmopolieten en de rest, de polarisatie die de laatste jaren is ontstaan, moet de universiteit als instituut bestuderen in plaats van vergroten.”

Oneerlijke discussie

Op universiteiten worden vakken, cursuspakketten en hele studies steeds vaker aangeboden in de Engelse taal. Geheel volgens deze trend heet de universiteit in Tilburg al sinds 2010 Tilburg University, met als slogan ‘Understanding Society’.

Ook vergaderingen en beleidsstukken zijn op de universiteiten vaak in het Engels. Zo vertelt De Voogd, die zichzelf omschrijft als ‘Groen-Linksig’, over een vergadering over verengelsing die hij ooit meemaakte aan de UvA. “Deze discussie was in het Engels,” merkt hij ironisch op. “Dan staan tegenstanders, die juist als argument hebben dat niet iedereen zich even goed kan uitdrukken, natuurlijk op een achterstand en loopt de discussie mank.”

Eerder schreef hij in Folia, het weekblad voor medewerkers en studenten van de UvA en de Hogeschool van Amsterdam, dat de meeste studenten uiteindelijk gewoon in de provincie terechtkomen. “Als negentienjarige studenten ontwikkelingsstudies wilden we inderdaad allemaal secretaris van de Verenigde Naties worden, maar in werkelijkheid werkt bijna iedereen in Nederland. En de opleiding planologie leidt gewoon ambtenaren op voor de gemeente Etten-Leur.”

En dan is het inderdaad de vraag of het een objectief goede en apolitieke ontwikkeling is om bijvoorbeeld zo’n studie uitsluitend in het Engels aan te bieden.

Beperkte internationalisering

Eerder dit jaar ging nota bene het voorzomerse opiniestuk in de Volkskrant van Felix Huygen, classicus en bestuurslid van Beter Onderwijs Nederland, al viral. Niet alleen blijkt namelijk dat veel Nederlandse studenten en docenten niet in staat zijn om de Engelse taal te gebruiken zonder afbreuk te doen aan het gewenste educatieniveau — overigens een onofficiële consensus onder studenten –, ook is de verengelsing veelal in strijd met artikel 7.2 van de wet op het hoger onderwijs.

Zijn de bevoorrechting van de Engelse taal en de nadruk op de internationale arbeidsmarkt samen met de ideologische gekleurdheid uit deel één gevolgen van de kosmopolitische eenzijdigheid op universiteiten waar De Voogd van spreekt?

Relevant is dat wetenschappers veelal in internationale sferen verkeren. Wetenschap is immers een internationaal proces, zeker voor een klein land als Nederland met een taal die niet wereldwijd wordt gesproken. Die internationale focus geldt echter niet voor alle wetenschappers en studenten. Zo valt te betogen dat de Engelse taal net zo goed de toegankelijkheid van universiteiten belemmert als de Nederlandse taal.

“Onderzoekers, docenten en studenten die het Engels minder machtig zijn en ambities hebben waarin internationalisering geen rol speelt, worden uitgesloten,” aldus De Voogd. “Zonder talenknobbel sta je op achterstand, al ben je nog zo goed in je vak. Ik vind dat een harde ideologische keuze.”

N.V. 2.0?

In de jaren zeventig schreef Herman Vuijsje voor uw Haagsche Post een serie genaamd Nieuwe Vrijgestelden (N.V.), gebundeld in 1977. Deze gaat over de sociale positie van mensen, zoals wetenschappers, die zich bezighouden met het verminderen van sociale ongelijkheid. Vuijsjes kritiek destijds kwam er op neer dat die mensen juist zelf in een aantal opzichten bevoorrecht waren.

Vuijsje haalt in zijn betoog de Duitse socioloog Robert Michels aan. Michels deed aan het begin van de twintigste eeuw onderzoek naar de oligarchische tendensen in democratisch opgezette instellingen en concludeerde dat iedere organisatie onvermijdelijk in handen zal komen van een oligarchie. Om Vuijsjes uitleg te citeren: “naarmate organisaties groter en ingewikkelder worden, stijgt de noodzaak tot interne strukturering en hiërarchisering. De machtsuitoefening biedt daardoor steeds meer verleidingen, waaraan ook de meest idealistische leiders uiteindelijk ten prooi vallen.”

En dat levert vragen op. Kunnen wij niet ook spreken van een oligarchische tendens op de Nederlandse universiteiten, van N.V. 2.0? Kunnen wij spreken van een kosmopolitische elite die gevestigd in grote steden, omringd door internationale collega’s en onderzoeken, vrijgesteld is van enkele nadelen die buiten de internationale bolwerken meespelen? Is internationalisering niet vooral een elitair proces? Speelt internationalisering zich niet nog vooral af intra muros, van buiten naar binnen Nederland?