Nazi-roofkunst: deze commissie blijft zoeken naar rechtmatige eigenaren

Het is vijf jaar geleden dat een grootse ontdekking werd gedaan in de kunstwereld: ruim 1500 verloren kunstwerken werden gevonden in het appartement van een Duitse kunsthandelaar. Hij had die vermoedelijk verkregen tijdens het naziregime. De werken worden nu voor het eerst tentoongesteld. Onderzoek naar kunstroof tijdens de Tweede Wereldoorlog is nog steeds actueel. Nederland heeft zelfs een commissie die zich over deze zaken buigt. 

“Wanneer mensen dit beroemde schilderij zien, kijken ze naar een kunstwerk van een van Oostenrijks grootste artiesten. Maar ik zie een portret van mijn tante,” sprak actrice Helen Mirren in het op waarheid gebaseerde drama Woman in Gold uit 2015. Mirren speelt in de film de Oostenrijks-Amerikaanse oorlogsvluchteling Maria Altmann (1916-2011), de rechtmatige eigenares van het beroemde schilderij Portret van Adèle Bloch-Bauer I van kunstenaar Gustav Klimt.

Ze vertelt het verhaal van haar jeugd in het Wenen van voor de oorlog, tot de nazi’s voor de deur staan, het huis leegroven en het portret van ‘tante Adèle’  afleveren bij de Belvedère in Wenen.

Na een jarenlang juridisch gevecht weet Altmann het schilderij in 2006 terug te winnen. Sindsdien hangt het in de Neue Galerie in New York. De film is gebaseerd op het onderzoek van Anne-Marie O’ Connor, journaliste bij The Washington Post, die de rechtszaken al die jaren op de voet volgde. Het boek en de gelijknamige film geven niet alleen een beeld van kunstroof door de nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar tonen ook aan hoe — jaren na de diefstal — de restitutie van gestolen kunstvoorwerpen nog steeds actueel is.

De tekst gaat verder onder de video.

Grootschalige kunstroof

In 2012 komt het thema roofkunst opnieuw grootschalig voor het voetlicht. Het betreft de ontdekking van ruim 1500 kunstwerken in het appartement van Cornelius Gurlitt, zoon van Hildebrand Gurlitt. Cornelis is een bekende kunsthandelaar in nazi-Duitsland. Stukken van meesters als Monet, Rodin en Kirchner waren al die tijd als verloren beschouwd. Het gros van de collectie is waarschijnlijk afkomstig van Joodse families of Joodse kunsthandelaren.

Ruim vierhonderd werken worden op dit moment voor het eerst getoond in twee exposities van de Duitse Bundeskunsthalle in Bonn en het Kunstmuseum Bern in Zwitserland. Samen met het nodige archiefmateriaal hopen de musea licht te werpen op deze ‘grootste artistieke vondst uit het naoorlogse tijdperk’. Daarnaast hopen zij specifiek aandacht te vestigen op de eveneens grootschalige kunstroof tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Het onderzoek naar de herkomst van de kunstvoorwerpen is nog steeds gaande en teruggave van de werken aan de rechtmatige eigenaars gaat langzaam. Momenteel zijn er pas vijf werken uit de collectie-Gurlitt terug bij de erven. Het betreft schilderijen van Henri Matisse, Max Liebermann, Adolf von Menzel en Camille Pissarro. De herkomst van werken van onder anderen Auguste Rodin, Paul Signac en Pierre-Auguste Renoir worden momenteel onderzocht.

Herkomst

Onderzoek naar de herkomst van mogelijk gestolen kunstwerken is niet zeldzaam, en ook teruggave van kunst aan de rechtmatige eigenaar komt nog geregeld voor. Zo werd eerder dit jaar een schilderij van de Nederlandse meester Jan Franse Verzijl (1599-1647) door de Amerikaanse FBI teruggegeven aan het Max Stern Art Restitution Project, genoemd naar de Joodse eigenaar die het werk tijdens de oorlog gedwongen moest afstaan.

Na het vaststellen van de Washington Conference Principles on Nazi-Confiscated Art in 1998 werden in meerdere landen restitutiecommissies aangesteld; onder andere Frankrijk, Engeland, Oostenrijk, Duitsland en Nederland kregen zo’n commissie. In 2009 verzocht de Museumvereniging Nederlandse musea om mee te werken aan herkomstonderzoek van de Commissie Museale Verwervingen vanaf 1933, een vervolg op eerder onderzoek in de periode 1998-1999. Het doel van het onderzoek was het aanleggen van een inventarisatie van voorwerpen met een onduidelijke herkomst.

De tekst gaat hieronder verder. 

Op de website van ‘Museale verwervingen’ is deze collectie van 166 voorwerpen — voornamelijk bestaande uit schilderijen — te bewonderen. “Maar het gaat niet alleen om schilderijen,” zegt woordvoerder Chris Janssen van de Museumvereniging. “De collectie bestaat ook uit erfgoed, zoals Joodse rituele objecten, waarvan de culturele waarde van belang is voor een museum. Deze voorwerpen hebben echter vaak een emotionele waarde voor erven.” De rest van de collectie bestaat uit sculpturen, tekeningen en kunstnijverheid

Voor de Museumvereniging is het belangrijk om onderzoek te blijven doen naar de herkomst van kunstvoorwerpen, al is het niet duidelijk hoeveel onderzoeken er op dit moment lopen. Dat heeft volgens de Museumvereniging met name te maken met de omvang van de collectie en het feit dat musea aankopen blijven doen waarvan de herkomst mogelijk onduidelijk is. “Het gesprek aangaan met de rechtmatige eigenaren is belangrijk om in goed overleg te beslissen over de toekomst van het werk, maar ook om betere informatie te kunnen geven aan bijvoorbeeld bezoekers van musea,” aldus Janssen.

Raadsels

162 musea werken mee aan het onderzoek van de Museumvereniging, dat wordt uitgevoerd door een speciaal projectteam. Zij worden hierbij geadviseerd door de Commissie Museale Verwervingen vanaf 1933. Voorzitter van deze commissie is Professor Rudi Ekkart, bekend om zijn onderzoek naar de herkomst van roofkunst en tot 2012 directeur van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie. Begin dit jaar was hij te gast bij Radio 1 om zijn visie te geven op de tentoonstelling ‘Roofkunst’ in Deventer.

Op de vraag of alle kunstwerken ooit terugkeren bij hun rechtmatige eigenaar zei hij: “Echt helemaal terug zal niet kunnen. We blijven zitten met raadsels en het toenemende probleem dat de afstand steeds groter wordt. Het wordt steeds moeilijker om duidelijkheid te krijgen. We zien nu soms al dat de afstand tussen de huidige rechthebbende en de oorspronkelijke eigenaar dusdanig groot is dat ook gevoelsmatige elementen steeds minder groot worden.”

Ondanks deze afstand zegt de Museumvereniging waarschijnlijk nog lang bezig te zullen zijn met het onderzoek naar eventuele gestolen roofkunst. Met name omdat het om een zeer grote collectie gaat van stukken met een onduidelijke herkomst.