Oer-Hollands

Denkend aan Haanstra zie ik een bootje traag door oneindig laagland gaan, en op de achtersteven van die punter staan, als ik mij goed herinner, een paar brandschoon geschuurde melkbussen in de zon te blinken.

Dit beeld is afkomstig uit Fanfare (1958), zijn eerste be-langrijke speelfilm, maar het had ook wonderwel gepast in een van zijn veelgeprezen, echt ‘Hollandse’ documentaires. Veel water, weiland, molens en koeien, die rustig aan de kijker voorbijglijden. En mensen natuurlijk, want Bert Haanstra had niet alleen oog voor weidse landschappen en hoge wolkenluchten, maar observeerde ook graag van nabij hoe mensen zich gedragen. Bij voorkeur in doodgewone, alledaagse situaties, zoals hij liet zien in Zoo (1962) en Alleman (1963).

Indertijd, toen die films pas uitkwamen en volle zalen trokken, was die beeldpoëzie van ‘het kleine en menselijke’ niet aan mij besteed, om over het oer-Hollandse karakter nog maar te zwijgen – ik vond het kneuterig en oubollig. Wat anderen zo in Haanstra waardeerden en ‘herkenbaar’ vonden, als goedmoedige afspiegeling van de Nederlandse samenleving op het eind van de jaren vijftig, leek mij juist nogal wereldvreemd en achterhaald. Film, als serieuze kunstvorm, werd net ontdekt door een naoorlogse generatie cinefielen, en die las Skoop en keek in studentenbioscoop Kriterion naar het nieuwste hoogstandje van Godard, Fellini en Antonioni. Of naar een retrospectief van oude, klassiek verklaarde meesters, zoals Hitchcock en John Huston.

Wat nou Haanstra, met zijn klompen en zijn intieme verbeelding van het dagelijks leven? Dat was hopeloos ouderwets: cinéma du papa.

In de interessante en voorbeeldig gedocumenteerde biografie die filmhistoricus Hans Schoots aan hem heeft gewijd – Bert Haanstra – Filmer van Nederland – komt dat verschil in appreciatie uiteraard ook aan de orde, zij het vluchtig, en dat heeft mijn begrip verdiept voor de pioniersrol die Haanstra heeft gespeeld. Met name op het gebied van de documentaire, want daarin lag toch zijn grootste kracht. Zelf maakte hij overigens geen scherp onderscheid tussen speelfilm en documentaire, want ook in een documentaire is het uiteindelijk de regisseur die vorm geeft aan zijn hoogstpersoonlijke visie, door de manier waarop hij het materiaal monteert en er zodoende een betekenis in legt die de afzonderlijke beelden niet zouden hebben.


Haanstra kon dat als geen ander. Hans Schoots schrijft: “Het gemeenschappelijke in Bert Haanstra’s werk wordt gevormd door een creatieve manier van omgaan met film, superieure montage die tegelijk aan esthetische gevoelens appelleert als een middel om inhoud over te brengen, oog voor het veelzeggende menselijke – later ook dierlijke – detail, een persoonlijke, optimistische, welwillende en betrokken kijk op de medemens en niet in de laatste plaats: humor. Vriend en vijand waren het verder eens over het hoge niveau van zijn vakmanschap.”

Vooral dat vakmanschap is bijzonder, als je leest dat Haanstra een autodidact was, een man die heel bescheiden is begonnen als persfotograaf en kunstschilder, en die pas op latere leeftijd de contacten legde die hem in staat stelden om zijn eerste films te realiseren.

Volgens Hans Schoots is het een misvatting dat Haanstra school gemaakt zou hebben, want die zogenaamde ‘Hollandse documentaire school’ beschouwt hij als een ‘mythe’. Wat niet wegneemt dat menige noviet het nodige van hem zal hebben opgestoken.

Dit boek maakt dat laatste in ieder geval zeer aannemelijk.

Hans Schoots: Bert Haanstra – Filmer van Nederland. Mets & Schilt. €29,90. Ook verkrijgbaar via ako.nl.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Emma Brunt