‘Doodknuffelen zie ik niet zitten’

‘Mijn agressie heeft me niet veel vrienden opgeleverd. Maar afgezien daarvan ook niet veel zelfrespect. Het is natuurlijk dom. Het is stuitend.’ Aldus filmer en columnist Theo van Gogh in 1991.

‘Mij overkomt nu de meest gruwelijke vorm van doodknuffelen. Martin van Amerongen schreef geheel tot mijn verbijstering die vleiende column over mij in het NRC Handelsblad. Hij eindigde zelfs met een wat groteske vergelijking met de heer Mozart. Ik heb Martin dan ook een brief gestuurd dat ik erg dankbaar was, maar dat Mozart wel al op z’n 35ste doodging. En dat het dus een hele geruststelling was dat hij mij tenminste nog één jaar gaf. Dat is natuurlijk altijd meegenomen. Tsja, en dan word ik op de televisie in Glamourland ook nog uitgeroepen tot de grote belofte van de jaren negentig op filmgebied. Het is zorgelijk.

Maar onlangs heb ik de regie gedaan van een toneelstukje van toneelgroep Miss Einstein, voorheen De Meisjes. Twee weken geleden ging dat in première in De Kleine Komedie en het was als vanouds: het is neergesabeld. Het doodknuffelen is dus in ieder geval nog niet doorgedrongen tot de theaterrecensenten. Bovendien stond een week later in NRC Handelsblad weer het oude vertrouwde kopje: ‘Van Gogh beschuldigd van anti-semitisme’. Ik wil niet beweren dat zoiets m’n hart warm doet kloppen, maar de zaak is wel weer in evenwicht gebracht. Ik wil maar zeggen: een ongelukkige opmerking van mijn kant in dit interview en het is weer helemaal voorbij met dat doodknuffelen.”

“Ik heb er heel vaak over nagedacht waarom ik zo’n onwaarschijnlijke agressie heb. M’n moeder heeft weleens geroepen: ‘Je was ontzettend depressief.’ Vroeger vond ik het leven inderdaad onmogelijk, daar komt het uit voort. Ik zag er totaal geen gat in. Ik zag mezelf niet nog veertig jaar vrolijk rondstappen. Ik dacht altijd dat ik voor m’n dertigste dood zou zijn. Zo geweldig vond ik het leven niet. En dat vind ik het trouwens nog steeds niet.


Aan m’n ouders heeft het niet gelegen, want ik ben met veel liefde opgegroeid. Vanaf m’n zesde woonden we in Wassenaar, maar ik heb nooit hoeven hockeyen. Je hoeft niet altijd aan het cliché te voldoen om toch een ras-Wassenaarder te zijn. Maar we waren ook absoluut niet een soort familie Flodder in die Wassenaarse villawijk. Nee, gewoon een burgerlijk gezin in de liberale zin des woords. Ik had heel makkelijke ouders. En ik was ook een heel lief jongetje. Een bloem van de burgerlijke samenleving. Helemaal niet dat mensen nou zeiden: ‘Wat is die jongen somber.’ Er werd thuis veel gelachen.

Ik heb m’n vader nog biljetten van de Partij van de Arbeid zien ophangen in Wassenaar. Niet dat dat nou zo’n heldendaad was, maar in de laan waar wij woonden was dat wel degelijk ongebruikelijk. Maar die vreugde was wel snel afgelopen toen Nieuw Links op dat beroemde PvdA-congres besloot dat de DDR erkend moest worden. Voor mijn ouders was dat reden om onmiddellijk die partij te verlaten; tenslotte werkte mijn vader voor de BVD. Die had dus weinig op met de broeders in het Oosten.

Er werden soms wel opmerkingen gemaakt over het feit dat ik niet hockeyde. En misschien een opgeluchte glimlach als ik na het spelen bij een vriendje weer vertrok. Maar het was natuurlijk niet alleen maar vrolijkheid en zonneschijn. Zo werd ik door kakkers in elkaar geslagen omdat m’n haar te lang was. In die tijd heb ik ook geleerd dat je mensen altijd terug kunt pakken. Als jongetje had ik een keer een interview met Johan Cruijff gelezen, waarin hij zei: ‘Als iemand je pakt, moet je net zo lang wachten tot je hem twee keer zo hard kan terugpakken.’ Ik ben er heilig van overtuigd dat dat waar is. Je hebt mensen die daarboven staan, maar ik ben een wraakzuchtig mens. Ik heb een olifantengeheugen.”


“Op de middelbare school werd ik pas lastig. Ik had een groepje vrienden die absolute outcasts waren. We waren een smet op alles waar Wassenaar voor stond. Het waren meestens wel rijkeluiskinderen, maar dan hasj rokend en vaak dronken. Een kleine enclave van een man of dertig. Je kan wel zeggen dat we duidelijk afweken van wat voor normaal doorgaat. Een van die jongens zou later m’n eerste cameraman worden, de ander een geluidsman en editor, en ga zo maar door.

Vanaf m’n dertiende wilde ik al films maken, zo mooi vond ik het. Ik ging voortdurend naar de plaatselijke bioscoop: het Astra Theater. De mooiste bioscoop van Nederland, die nu helaas gesloten is. Ik was voor het eerst in Amsterdam toen ik daar A Clockwork Orange zag. Ik logeerde bij m’n opa en oma. Ik was binnengeslopen in het theater. Die film heeft een diepe indruk op me gemaakt. Fantastisch. Achteraf denk ik: Ik heb die film destijds helemaal niet goed begrepen. Maar ik kwam zeer geladen uit dat theater. Ik hou van films die je ondergaat als nachtmerries. Films als Chinatown, Repulsion en Rosemary’s Baby, die ik allemaal later zag. Die beklemming, daar gaat het om.

Op je zestiende denk je nog dat alles kan. Als ik toen had geweten wat ik nu weet, was ik nooit aan ook maar één film begonnen. Maar ik heb goddank geen heldere geest, dus ik zie altijd pas achteraf dat het eigenlijk niet kan. Zodoende ben ik ook films gaan maken. Ik had een super-8- cameraatje, waarmee ik dan in de schaduw stond en dan sloeg de lichtmeter natuurlijk niet uit. Dat ding ving daar natuurlijk helemaal geen licht op, maar dan stond ik er net zo lang op te slaan totdat die lichtmeter daardoor wel uitsloeg. Eigenlijk ben ik dat stadium nooit ontsproten.


Op een gegeven moment wilde ik zelfs naar de Filmacademie. Ik had een filmpje gemaakt over een sm-verhouding. Ik speelde zelf de meester die met de afgebroken voetjes van twee wijnglazen door zijn slaaf in z’n ogen wordt gestoken. We hadden een echte bloedleiding aangelegd en het zag er prachtig uit. Als ik dan later blind uit het ziekenhuis kom, biedt mijn slaaf me als presentje die twee glazen voetjes aan. Ik kwam dus op de Filmacademie m’n filmpje laten zien. Na afloop ging het licht aan en draaide die man zich naar mij om. ‘Wie is uw psychiater?’ vroeg hij. Om misverstanden te voorkomen: ik werd geweigerd. Een opleiding heb ik dus nooit gehad. Ik ben het gewoon gaan doen.

Ik beschouwde mezelf als een volkomen mislukking. Ik dronk heel veel. Als een godsmaleier. Soms ging ik al om negen uur ‘s morgens in café De Karpershoek m’n eerste borreltje halen. Dat is toch een beetje vroeg. Nee, het was geen verheffend schouwspel. Die drank bracht een nog groter gebrek aan appreciatie van mezelf teweeg. Ik had wel werk, maar meestal dingen als rijnaken of koffieautomaten bij de ABN schoonmaken. Dat was het enige waar ik voor in aanmerking kwam. Een verschrikking. Vreselijk. Niks. Met die drank heb ik op een gegeven moment lelijk de bodem bereikt.”

“Na een hoop gezeur kon ik uiteindelijk m’n eerste echte speelfilm gaan maken: Luger. Tijdens die opnamen heb ik ook lelijk gedronken, daar bestaan woeste verhalen over. Later stond in de Volkskrant: ‘Een montage als van een dronken specht.’ Dat vond ik wel vervelend, maar het was niet helemaal onterecht. Overigens had ik die montage wel redelijk nuchter gedaan, maar het filmen zelf was vaak in grote staat van dronkenschap gebeurd. Achter die camera was het een vrolijk komen en gaan van zakflaconnetjes. Alleen Thom Hoffman was altijd nuchter.


Achteraf gezien vind ik niet dat de kwaliteit van die film er echt onder geleden heeft. Het was spontaan en vurig. Het was een droomdebuut, hoezeer het ook verguisd werd. Ik heb in die film alles gedaan wat ik dacht dat ik moest doen. Ik was nog zo naïef, jong en ongecontroleerd, dat ik ook inderdaad alles geprobeerd heb. Daarmee heb ik het geleerd. Nu weet ik wat kan en wat niet. Uiteindelijk moet je een film natuurlijk zo maken dat iedereen hem kan zien, ongeacht opleiding of achtergrond of wat ook. Het moet zo duidelijk zijn dat iedereen zich erdoor gegrepen kan voelen.

Ik had Luger gemaakt, maar het werd als een soort belachelijke mislukking beschouwd. Men zag er wel iets eigens in, maar meer ook niet. Ik had heel goedgelovig gedacht dat ik door Luger ook andere films zou kunnen gaan maken. Maar een heel lange tijd kwam er niets. Na Luger dacht ik: Dat wordt nooit meer wat. Ik vond de wereld niks, maar ik gaf de wereld niet de schuld van m’n eigen falen. Ik zag het gewoon niet.

Maar ik heb het voordeel dat ik erg naïef ben, dus ik heb me er toch weer in gestort. Ik heb twee lp’s gemaakt, boeken en stukjes geschreven en ook films gemaakt. Dat laatste is wat ik eigenlijk altijd al wilde. Ik heb maar één ambitie en dat is om een keer een mooie film te maken. Daarbij zinkt al het andere in het niet. Ik zeg niet dat het tot nu toe allemaal niks is, maar heel veel is het ook niet. Dat is al erg genoeg. Ik word verteerd door die ambitie.”

“Ja, dat wordt altijd gezegd, hè: je kan alleen maar goeie grappen maken als je diep van binnen buitengewoon treurig bent. Maar ik heb dat eigenlijk nooit geloofd. Onzin. Peter van Straaten vertelde mij laatst dat hij al die sombere mensen in die uitzichtloze situaties tekende in de hoop dat hij er zelf nooit in terecht zou komen. Daar geloof ik wel in. Het is een manier om het van je af te houden. Je bent er zo bang voor, dat je jezelf er een voorstelling van maakt. Maar wat het precies is waar ik zo bang voor ben, weet ik niet.


Waar die agressie vandaan komt? Ik heb me die vraag natuurlijk zelf ook weleens gesteld. Ik heb er geen oplossing voor, maar het is wel merkwaardig. Goddank is het wat minder geworden. Het heeft me niet veel vrienden opgeleverd. Maar afgezien daarvan ook niet veel zelfrespect. Het is natuurlijk dom. En dom is nooit een zegepraal voor jezelf. Het is stuitend.

Ik ben natuurlijk niet helemaal achterlijk. Ik heb weleens naar mezelf gekeken en dan dacht ik: jezus christus, dat je zo fel wordt over sommige dingen. Dat is toch merkwaardig. Laten we eerlijk zijn. Waarom schreef ik op m’n 26ste opeens zo’n fel stukje over Leon de Winter? Als ik van tevoren had geweten dat ik daardoor nu – zeven jaar later – na drie keer vrijgesproken te zijn door de Hoge Raad wegens antisemitisme veroordeeld zou worden, dan had ik me nog eens goed achter de oren gekrabd. Je kan zoiets ook anders opschrijven en toch dezelfde mening naar voren brengen. Maar het was de eerste column die ik ooit schreef, dus laten we het maar op de onervarenheid van het jeugdig enthousiasme gooien. Natuurlijk denk je in dat opzicht weleens na over wat de gevolgen zijn. Maar als je dat van tevoren doet, kan je geen column meer schrijven. Je wordt ingehuurd om te schrijven wat je ergens van vindt.

Het bevrijdende van die columns is dat die agressie daarin gestileerd is. Ik kan het dus – op z’n minst voor mezelf – verdedigen. Ja, dat laat de vraag waar die agressie vandaan komt nog onbeantwoord.

Het is vooral tegen mezelf gerichte agressie. Meer dan tegen anderen. Ik achtte mezelf een totale mislukking. Waar niet zoveel reden voor was, maar dat is achteraf gezien. Destijds was ik daarvan overtuigd. Ik heb onderhand laten zien dat ik in ieder geval over een paar dingen heb nagedacht.”


“Ik schiet heen en weer tussen een volgens velen stuitende mate van exhibitionisme aan de ene kant en aan de andere kant de gesloten oester van iemand die de schaamte niet voorbij is. Ik heb een ontzettende angst om mezelf serieus te nemen. Als het over mezelf gaat, zou ik eigenlijk het liefst willen dat het een grap is. Daarvoor heb ik ook m’n crematie goed geregeld. Een urn met as met een pollepel erin. Iedereen moet een hapje nemen en daarna is er een batterij aan drank om de smaak weg te spoelen. Ik wil per se dat het zo gebeurt, dan ga je in stijl. Daar ben ik heel serieus over. Maar toen ik het wilde vastleggen, zei de notaris dat het zo niet kon. Ik heb het nu aan m’n ouders verteld en aan m’n geliefde. Ik hoop echt dat ze me als het zover is in dat opzicht respecteren. Jezelf serieus nemen, is het ergste dat je kan overkomen. Als je een film of een boek maakt, moet je dat natuurlijk met volledige overgave doen. Hetzelfde geldt voor een interview. Anders wordt het niks. Maar als het resultaat er is, dan moet je ook met een knipoog naar jezelf kunnen kijken. Als je dat niet kan, wordt het heel ernstig. Dan wordt je zo’n buitengewoon sympathiek iemand als meneer Mulisch. Daarom wil ik ook liever niet gewoon op de foto.

Zo vreemd voor een foto poseren, heeft ook te maken met het maskeren van zelfhaat. Jezelf niet serieus nemen, is een adequaat beschermmiddel tegen de zelfhaat.

Ik denk niet dat ik trouwens ooit nog ontslagen zal worden voor iets dat ik schrijf. Die kans krijg ik niet meer, ik ben een geaccepteerd verschijnsel. Dat is erg genoeg. Dat is natuurlijk een nagel aan mijn doodskist. Maar daar kan ik niks aan doen. Ik vind het nog steeds heerlijk om een column te schrijven.


Maar ja, je kunt niet je hele leven enfant terrible blijven spelen. Het is een slopend vak. Of je gaat op tijd dood, of je wordt doodgeknuffeld. Toch moet ik nog ten minste twintig jaar leven; tenslotte hebben we net een kind. Maar doodknuffelen zie ik ook niet zitten.

Ik had nooit gedacht dat dat soort “geluk” voor mij beschoren zou zijn. Ik ben heel gelukkig met m’n kind en m’n vrouw, zeker nu ik een chauffeurspetje voor haar heb gekocht. Zij is mijn chauffeuse. Met dat petje op voert ze mij over ‘s Heeren wegen in onze BX, terwijl ik achterin de krant zit te lezen. Dat is de beste verhouding die je je tussen man en vrouw kan wensen. Ideaal. Wat een vreugd!”

Verscheen in 1991 in het Kerstnummer van HP/De Tijd.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Henri de By