De kracht van Zelfportret

Martin Bons 6 nov 2009 Cultuur

Na tien jaar stopt Martin Bons met zijn aandeel in de rubriek Zelfportret. Hij bekent niet altijd alle antwoorden naar waarheid te hebben opgetekend, vooral niet die op de vraag naar overspel. Tot journalistieke wroeging leidde dat niet, jammer vindt hij het wel.

Ik moet u iets bekennen: u bent jarenlang voorgelogen. Van de honderden zelfportretten die ik het afgelopen decennium heb gemaakt, is het aantal geïnterviewden dat antwoordde monogaam te zijn in werkelijkheid beduidend lager. Enkelen (Mart Smeets, Jeroen Pauw, Erik Mouthaan) kwamen er eerlijk voor uit dat zij het niet waren. Sommigen waren zo radicaal in de afwijzing (Hans van Baalen: “Nóóit zal ik mijn vrouw belazeren, het is hoogverraad”), dat ik gemakshalve ervan uitga dat zij tot de groep horen die de waarheid sprak. Maar het kwam ook geregeld voor dat het stil werd, men ging hakkelen of met de wijsvinger aan de bovenkant van de neus ging zitten. Als ik dan vroeg hoe het zat, hoorde ik: ik wil je het wel vertellen, maar ik wil niet dat je het opschrijft.

Is het erg dat niet de hele waarheid in HP/De Tijd is gekomen? Het is jammer. Het doel van Zelfportret is in korte tijd de lezer een beeld geven van de persoonlijkheid van de geïnterviewde. Soms lukte dat, soms ook niet. Soms stond ik binnen een half uur weer buiten (Hugo Camps, Theodor Holman), soms was het twee uur trekken en had ik nog geen idee wie er voor mij had gezeten. Moeizaam waren nuchtere, stabiele, rationele personen: thrillerschrijver Simon de Waal, schaatser Carl Verheijen, wethouder Lodewijk Asscher. De moeilijkste van allemaal: Jacques Tichelaar. De commissaris van de koningin in Drenthe geef ik zo mijn hand en dan vertrouw ik er blindelings op dat hij me aan de overkant van de A4 brengt, maar voor Zelfportret: een ramp. Hoe ik ook doorvroeg: er kwam niets. Bij de vraag naar zijn grootste liefde (“Mijn vrouw”) wilde ik – in de hoop op een origineler antwoord – details weten van hun kennismaking. Tichelaar: “Wie de eerste zin uitsprak en het initiatief nam? Meneer, ik zou het niet weten, dat is al zo lang geleden.”


Ook andere hoogtepunten zijn me bijgebleven: het gesprek met de Belgische schrijver Dimitri Verhulst (dit jaar won hij de Libris Literatuur Prijs, het Zelfportret is uit 2006). Een selectie:

Wat is uw huidige gemoedstoestand?

“Geërgerd.”

Hoe ontspant u zich?

“Ik hul mij in een rode badhanddoek en doe de bruine vinvis na.”

Wat is uw grootste mislukking?

“Mijn carrière als paleontoloog had roemrijker gekund.”

Ik: “Op deze wijze heeft het weinig zin. Zou u serieuzer willen antwoorden?”

Wanneer hebt u voor het laatst gehuild?

“Zondag tijdens het pellen van de ajuinen voor de ajuinsoep. Echt gehuild? Dat zeg ik toch net. Laat ik me niet zien? Dan geef ik eerlijk antwoord op al uw kutvragen en dan is het nog niet goed.”

Wie hoopt u nooit meer terug te zien?

“U.”

Hoewel ik me ongemakkelijk voelde bij Verhulst, leverde het wel een spannend Zelfportret op. Dat is weleens anders geweest. Naarmate ik meer interviews hield, hoorde ik steeds vaker dezelfde antwoorden en zag ik elke keer weer bepaalde gedragingen terugkomen. Bovendien verbaasde ik me hoe op sommige vragen werd gereageerd.

Over de vraag Bent u aantrekkelijk? werd vaak lacherig gedaan. Verder werd de vraag meestal omzeild (“Dat kan ik niet van mezelf zeggen”) of men zei daar nooit over na te denken (Tichelaar: “U bent de eerste die dat vraagt. Ik houd me er niet mee bezig”). Daar houd ik me niet mee bezig? Hoe kan dat? Kijkt u niet naar uzelf? Hoeveel succes had u op de dansvloer? Heeft u zich dat nooit afgevraagd? Tichelaar: “Nee, mijn Puch was belangrijker dan mijn uiterlijk”.

Wie zijn uw helden? Cruciale vraag. Zeg mij wie uw helden zijn, en ik zeg u wie u bent. Wat hoorde ik echter negen van de tien keer: Nelson Mandela. Leuk en terecht waarschijnlijk (Ayaan Hirsi Ali: “Hij heeft de mooiste menselijke eigenschap die er bestaat: gebrek aan rancune”), maar ik begon Mandela steeds meer te haten. De laatste tijd weigerde ik zijn naam nog op te schrijven. “Nee, dat accepteer ik niet. U moet een andere held kiezen. Waarom? Omdat de lezer u zo niet leert kennen en HP/De Tijd door de heer Mandela er niet boeiender op wordt.”


Wat is uw grootste angst? Veel gehoord: hoogtevrees en (eigenlijk alleen bij vrouwen) spinnen. Oprechte antwoorden, maar HP/De Tijd is geen Flair, dus haalde ik bij vele interviews de angst van Henk Spaan erbij (“Ik ben bang in kleine liftjes en bij mijn uitgeverij hebben ze er juist zo een”). Heeft u wellicht zo’n soort angst? Nee? Andere poging: heeft u last van exis-tentiële angsten? Voor de dood bijvoorbeeld? Tichelaar, jawel daar is hij weer: “De dood? Nee, daar denk ik niet zo over na.” Daar denk ik niet zo over na? Hierbij het antwoord van Carice van Houten op de angstvraag, zonder ook maar één vervolgvraag van mijn kant. “De dood. Al van kinds af aan ben ik erdoor geobsedeerd. Ik sliep met de medische encyclopedie onder mijn bed, maakte lijstjes met platen die op mijn begrafenis gedraaid moesten worden, durfde de kist van mijn overleden opa niet aan te raken en uit de geërfde limonadeglazen van een overleden familielid wilde ik niet drinken omdat daar een lijk aan had gezeten.”

In tien jaar heb ik Bekend Nederland de meest intieme vragen gesteld. Sommige antwoorden zijn – doordat de geïnterviewden later in het nieuws kwamen – interessant om nog eens te bekijken. Klopte het wat zij over zichzelf vertelden? Bij Hero Brinkman wel. Gevraagd naar zijn grootste ondeugd antwoordde hij: “Drank: rode wijn.” Bij Ton Elias klopte het ook. In zijn portret uit 2005 zei hij, gevraagd naar zijn dagdromen: “Heel misschien, ver in de toekomst, wil ik wellicht ooit zelf de politiek nog eens in.” Maar Rob Oudkerk gaf de werkelijkheid een eigen draai. Het gesprek vond plaats vóór de affaire met Heleen van Royen. Op de vraag Bent u monogaam? zei hij: “Nee, ik ben het niet altijd geweest, daarom anticipeer ik nu. Ik ga de verleiding uit de weg.”


Enkele personen waren op het moment van het interview nog niet zo bekend. Ik geef u drie citaten van een geportretteerde die in 2003 (toen het gesprek plaatsvond) niet zoveel in het nieuws was als nu. De vraag is of u zes jaar later doorheeft van wie de citaten zijn.

Wat is uw grootste angst?

“Wát is mijn grootste angst…? Wáár bén ík nú báng vóór…? Ik zit me suf te piekeren… ik zou het echt niet weten.”

Van wie heeft u het meest geleerd?

“Frits Bolkestein. Dat je tegen grote tegenstand moet kunnen, agendasettend hoort bezig te zijn, een dikke huid moet hebben en dat vandaag geen gelijk niet betekent dat je morgen ook ongelijk hebt.”

Bent u aantrekkelijk?

“In ieder geval ijdel. Hans Dijkstal en Gerrit Zalm dachten erover me in het kabinet op te nemen. ‘Maar dan moet je wel je haar veranderen,’ zeiden ze. Ik heb geweigerd. Op mijn twintigste heb ik een blonde coupe laten aanbrengen, twee decennia later heb ik die nog steeds. Ik verander mijn haar nergens voor.”

Geert Wilders (zoals u waarschijnlijk al begrepen had gaat het om hem) zat toen nog in de VVD-fractie. Zeggen de antwoorden iets over het gedrag en de persoonlijkheid van de huidige leider van de PVV? Ik denk het wel. En dat is het mooie van Zelfportret. De lezer leert de geïnterviewden kennen doordat zij vertellen over hun leven (Lijkt u op uw moeder? Theo Kars: “Nee, ik heb al heel vroeg met mijn ouders gebroken. Na mijn twintigste heb ik ze misschien nog twee keer gezien, ik heb er geen moment verdriet van gehad”), hun bestaan (Waar schaamt u zich voor? Frans Pointl: “Dat ik ben geboren. De mens is het meest negatieve verschijnsel in het melkwegstelsel”), hun geloof (Aan wie ergert u zich? Ad Visser: “Aan mensen die mystiek en spiritualiteit niet erkennen of herkennen. Ik begrijp niet dat ze een groot deel van het bestaan blijven ontkennen”) en hun leermeesters (Hoe is ongeluk te vermijden? Paul Cliteur: “Door Schopenhauers Parerga und Paralipomena te lezen”).


Heeft u nu iets aan al die beschouwingen en levenswijsheden van de geïnterviewden gehad? Zelf ben ik opgevoed – wellicht zelfs gebrainwasht – met het idee dat ‘rechts niet deugt’ en dat er ‘geen goede VVD’er op de wereld rondloopt’. Tijdens mijn ontmoetingen met al die ‘kapitalistische klootzakken’ bleek Hans van Baalen echter een goede vent, Theo Hiddema (“Ik heb een dwars karakter. Gelukkig maar. Dwarse mensen creëren ruimte”) uitermate prettig gezelschap en was Ton Elias helemaal geen enorme bal gehakt. Op de vraag wanneer hij voor het laatst gehuild had, antwoordde hij: “Als ik verdriet heb, huil ik niet, maar word ik boos. Op 11 september 2001 word ik geïnterviewd in mijn werkkamer. Iemand komt binnen en zegt: zet de televisie aan. De reacties van de cameraploeg: wat een beelden, fantastisch, prachtig. Toen ben ik heel kwaad geworden en heb gezegd: er gaan op dit moment een paar duizend mensen dood. Er wordt daar in mijn pand niet enthousiast over gedaan. Jullie gedragen je of jullie gaan er uit.”

En zo zag ik dat een VVD’er wel degelijk het hart op de goede plaats kon hebben. Uit reacties van anderen begreep ik dat zij na het lezen van de interviews ook dergelijke ervaringen hadden. Een NOS-collega van mij zei ooit, nadat zij het interview met Jan Nagel had gelezen: “Ik haat die man, maar voor het eerst zie ik dat hij ook nog wel iets fatsoenlijks heeft.” Misschien is dat wel de grootste kracht van Zelfportret: doordat geïnterviewden zich kwetsbaar opstellen, krijgt zelfs de grootste vijand menselijke trekjes.

De persoonlijke top tien van Martin Bons

1. Heeft u ooit een mystieke ervaring gehad?


Kerstmis 1944 zat ik in een gevangeniscel. De Duitse bewakers hadden op kerstavond een orgie met muziek, drank en vrouwen. Toen één gevangene met Stille nacht, heilige nacht begon en daarna iedereen in de cellen ging meezingen, werd het dood- en doodstil in de feestruimte. Dát was voor mij een mystieke ervaring.

Voormalig burgemeester en minister Ed van Thijn, november 2001

2. Waar schaamt u zich voor?

Ik ben de grootste gluurster van de wereld geweest. Ik was totaal gefascineerd door de verhouding tussen mannen en vrouwen. Zodra ik een stel in een kamer zag verdwijnen, wrong ik mezelf in alle mogelijke bochten om te zien wat ze deden. In onze badkamer heb ik zelfs een gaatje gemaakt, zodat ik kon kijken naar wat de logés allemaal uitspookten.

Schrijfster Yasmine Allas, maart 2001

3. Wie hoopt u nooit meer terug te zien?

Zo denk ik niet. Ik ben op mijn twaalfde misbruikt door een priester, die nu in Amerika leeft. Het klinkt gek, maar ik denk er weleens over om hem op te zoeken.

Staatssecretaris van Europese Zaken Frans Timmermans, oktober 2007

4. Wat zijn uw dagdromen?

Als ik door Amsterdam fiets, droom ik voortdurend weg bij het zien van zoveel mooie vrouwen. Het moet niet veel gekker worden met wat voor kleding er allemaal op straat is toegestaan. Die moslims zien het wat dat betreft zo slecht nog niet.

Acteur en beeldend kunstenaar Michiel Romeyn, september 2000

5. Waar schaamt u zich voor?

Nergens voor. Toen Adriaan Venema zijn dood aankondigde, heb ik de avond voordat hij zelfmoord pleegde voor zijn huis het lied Eén, twee, drie, vier… komt er nog wat van gezongen. Iedereen sprak er schande van, maar ik zou het zo weer doen. Ik vond het schandalig wat híj deed. Mijn moeder heeft in een kamp vijf jaar lang gevochten voor haar leven, en hij stapt er zomaar uit, en valt ons daar nog mee lastig ook.


Schrijver Theodor Holman, augustus 2001

6. Aan wie ergert u zich?

Aan voorlichters bij wijnproeverijen, chauffeurs tijdens een reisje, verkopers van verzekeringen; de verplichte vrolijkheid, het obligate enthousiasme. Stop daarmee, u heeft geen idee hoe ongelukkig u mij daarmee maakt.

Hoogleraar psychologie Jaap van Heerden, mei 2007

7. Wie is uw grootste liefde?

Die heb ik niet. Ik word niet verliefd. Op mijn zestiende ben ik het één keer geweest. Dat was genoeg. Ik vind het een beschamend sentiment.

Schrijver Theo Kars, februari 2003

8. Hoe ontspant u zich?

Hangen voor de televisie. Ik kijk echt álles. Van de week zag ik Patty Brard, met een beetje een dikke bollende buik, interessant. Dan denk ik direct aan de Bathseba van Rembrandt in het Louvre.

Voormalig directeur Stedelijk Museum Rudi Fuchs, november 2003

9. Als u iets aan uzelf zou kunnen veranderen, wat zou dat dan zijn?

Ik zou meer geduld moeten hebben met domme mensen. Zoals Claudia de Breij, die in Trouw schreef: als wij het goede doen, dan komt er alleen goeds uit voort, als wij het kwade doen komt er alleen maar kwaad uit voort. Beste Claudia: lees eens een boek. Een van de kernpunten van het bestaan is juist dat uit het goede geregeld het kwade komt. Het is dé fout van links.

Politicus Arend Jan Boekestijn, januari 2006

10. Wie hoopt u nooit meer terug te zien?

Die weiger ik te beantwoorden; het zorgt voor hysterisch gedrag. Ik heb moeite met mensen die denken alles te kunnen zeggen en weten hoe de wereld in elkaar zit; de wereld zit niet in elkaar.

Schrijver Charles den Tex, juni 2008

Reageer op artikel:
De kracht van Zelfportret
Sluiten