De neergang

Dertig jaar lang deed Ruud Lubbers dingen die niet door de beugel konden, maar nooit kostte hem dat de kop. Nu is hij in opspraak als topman van de VN. Wordt een faux pas hem toch noodlottig? Analyse van een probleemgeval.

Een Nederlander op een prominente plek in The New York Times – dat gebeurt niet vaak. Vorige week woensdag overkwam het Ruud Lubbers. ‘U.N. Investigating Top Refugee Official in Sex Harassment Charge’, luidde de kop boven het bericht. Het betrof een primeur van jewelste: ‘Mr.’ Lubbers, ‘married with three children’ maar bovenal Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties, bleek door een van zijn stafmedewerksters beschuldigd te worden van ongewenste intimiteiten. De klacht, zo meldde de krant, was in onderzoek bij het Office of Internal Oversight Services van de VN, die inmiddels inspecteurs had gezonden naar Genève, de thuisbasis van de vluchtelingenorganisatie.

Het opzienbarende bericht ging al snel de hele wereld over. In een schriftelijke verklaring ontkende Lubbers dat sprake was geweest van ‘improper behavior on my part’ (onbehoorlijk gedrag van mijn kant). Op donderdag wist The New York Times meer details te melden: het incident zou hebben plaatsgevonden op 18 december vorig jaar, na afloop van een vergadering. De stafmedewerkster, ‘an American in her 40’s’, zou toen door Lubbers in haar billen zijn gegrepen.

Weer een dag later, op vrijdag, zette echtgenote Ria Lubbers in De Telegraaf de tegenaanval in. De vrouw in kwestie zou een afgewezen sollicitant zijn, die door Lubbers was ‘omarmd’ om ‘haar te troosten’. Daarna zou ze hebben besloten om wraak te nemen.

Luttele uren later bezweek deze verdedigingslinie. De Wereldomroep meldde vrijdagmiddag dat er nog vier aanklachten vanwege seksuele intimidatie tegen Lubbers liepen en dat zijn overlevingskansen in VN-kringen nihil werden genoemd. Het klonk logisch. Vijf afgewezen sollicitanten die uit wraakzucht een verhaal verzinnen over ongewenste intimiteiten zijn er wat veel.


Hoe dan ook: het schouwspel dat zich nu rond Lubbers afspeelt, is meer dan fascinerend. Na zijn vertrek als premier in 1994 moest bij bijna zeven jaar wachten op een internationale baan. Zijn betrekking bij de VN-vluchtelingenorganisatie was niet het soort functie dat hij aanvankelijk ambieerde, maar hij leek het er naar zijn zin te hebben. Nederland maakte de afgelopen drie jaar dan ook kennis met een heel ‘nieuwe’ Lubbers. De man die tussen 1982 en 1994 vooral faam verwierf als koele saneerder van de overheidsfinanciën, bleek plots een warm hart te hebben voor de verworpenen der aarde. Bestoft, in vrijetijdskleding en met een wat verwilderde haardos zagen we hem op televisie bezoeken brengen aan afgelegen vluchtelingenkampen. Het lot van de van huis en haard verdreven medemens leek hij zich oprecht aan te trekken. Wie had ooit durven voorspellen dat deze schijnbaar herboren Lubbers nu het levensgrote risico loopt dat hij zijn loopbaan moet afsluiten met het imago van oversekste billenknijper annex Vieze Ouwe Man?

Niemand natuurlijk. Maar toch lopen er wel degelijk lijnen door Lubbers’ carrière die enig inzicht kunnen verschaffen in wat zich nu rond zijn persoon afspeelt. Hij lijkt graag risico’s te nemen. Al veel vaker zocht Lubbers de grenzen op van het oirbare, met name als het ging om het mengen van staatszaken met zakelijke privébelangen. Maar nooit kregen zijn escapades gevolgen. Dat moet zijn zelfvertrouwen in niet geringe mate hebben versterkt. Voor affaires leek hij onkwetsbaar, en voor struikelen niet in de wieg gelegd. Alleen de roddelbladen achtten zich geroepen verhalen te publiceren over Lubbers’ vermeende avontuurtjes met zakenvrouw Sylvia Tóth en politica Yvonne van Rooy. ‘Fatsoenlijke’ journalisten verspreidden hun nieuwtjes slechts in café Nieuwspoort.


Precies dertig jaar geleden, in 1974, werd Lubbers van de ene op de andere dag een Bekende Nederlander. Dankzij, jawel, een affaire – zijn eerste. ‘Lubbers kraakt verkeerszuil en rijdt door’, kopte Het Vrije Volk op zaterdag 9 februari op de voorpagina. De andere kranten bleven niet achter. ‘Minister Lubbers reed zuil omver’ (De Telegraaf), ‘Lubbers reed na omrijden zuil door’ (Het Parool), ‘Lubbers na borrel tegen verkeerszuil’ (Utrechts Nieuwsblad) en ‘Na aanrijding in Den Haag: Politie houdt Lubbers aan’ (Algemeen Dagblad). De Telegraaf had, dankzij paparazzo Wim Hofland, de mooiste foto’s: van de ministeriële auto – een aan de bumper zwaar beschadigde Mercedes 280 SL – en van Lubbers zelf, terwijl hij de trap afdaalde van het Haagse hoofdbureau van politie. “Lubbers,” aldus het onderschrift, “houdt hierbij de hand voor het hoofd en lacht zenuwachtig. Hij wordt voor nader verhoor weggeleid naar een gereedstaande politiewagen.”

Vijfendertig jaar jong was Lubbers in februari 1974, en amper negen maanden minister van Economische Zaken in het kabinet-Den Uyl. Elsevier Magazine en wijlen weekblad Accent hadden weliswaar al coverstory’s aan hem gewijd, maar voor de meeste Nederlanders was hij nog altijd een relatief onbekende ster aan het politieke firmament. In oktober 1973 was hij even in het nieuws geweest: met het dringende verzoek om – vanwege de Arabische olieboycot van Nederland – de kilometerteller niet boven de honderd te laten komen en ‘s avonds de gordijnen te sluiten. “De thermostaat gaat op Lubbers,” grapte Wim Kan. Diezelfde maand had Lubbers ook de autoloze zondagen aangekondigd. Maar de consternatie die dat had veroorzaakt, had zich toch vooral ontladen boven het hoofd van premier Joop den Uyl.


De maandag na het ongeluk stond Lubbers opnieuw op de voorpagina’s van alle kranten. Nu met goed nieuws voor de minister: ‘Alcoholgebruik bleef onder grens: Lubbers mocht rijden’ (Algemeen Dagblad), ‘Bloedproefonderzoek wijst uit: Lubbers niet onder invloed bij aanrijding’ (Het Parool) en ‘Lubbers was niet dronken’ (Utrechts Nieuwsblad). Een boete van driehonderd gulden – zwaarder werd Lubbers uiteindelijk niet bestraft. Het oppositionele VVD-Tweede-Kamerlid Aart Geurtsen protesteerde nog (“Het gekke is dat de minister nu wel een boete moet betalen voor de overtreding paaltje omverrijden, maar niet voor het misdrijf doorrijden”), maar hij ving bot bij Dries van Agt, behalve minister van Justitie en vicepremier ook een partijgenoot van Lubbers.

Had het anders kunnen aflopen? Zeker. Acht jaar eerder, in 1966, was de anti-revolutionaire minister van Binnenlandse Zaken Jan Smallenbroek tegen een geparkeerde auto gebotst en doorgereden. Toen het ernaar uitzag dat de bewindsman zich voor de kantonrechter zou moeten verantwoorden voor de aanrijding – hij wel – had Smallenbroek besloten zijn ontslag in te dienen. “Op grond van de zuiverheid in de verhoudingen, het aanzien van het ambt van minister en van de politiek in het algemeen.” De toenmalige minister van Justitie was Ivo Samkalden – een PvdA’er, en dus geen partijgenoot van Smallenbroek.

In maart 1976 overleefde Lubbers zijn tweede affaire. Als minister van (nog steeds) Economische Zaken was hij op dat moment nauw betrokken bij de redding van de in moeilijkheden verkerende bouwbedrijven van het Nederhorstconcern. Staalbedrijf Hollandia Kloos uit Krimpen aan den IJssel wilde met overheidssteun de staaldivisie van Nederhorst overnemen. Lubbers was evenwel grootaandeelhouder van Hollandia; zijn in 1963 overleden vader was directeur-eigenaar van het bedrijf geweest. En dus had Lubbers een belang bij de overname. VVD-Tweede-Kamerlid Gijs van Aardenne eiste daarom dat de minister zijn aandelen verkocht of anders aftrad.


Maar Lubbers bleef zitten. Een meerderheid van de Tweede Kamer nam genoegen met zijn verklaring dat hij de zeggenschap over zijn aandelen bij de aanvang van zijn ministerschap uit handen had gegeven aan een stichting. Van Aardennes verweer dat Lubbers bij het neerleggen van zijn functie als minister zijn aandelenpakket gewoon weer in handen zou kunnen krijgen – inclusief eventuele dividenden als gevolg van de overname – maakte op de Kamer geen indruk.

Affaire nummer drie diende zich aan in maart 1978. De Haagse Post en de Volkskrant deden toen een boekje open over Lubbers’ nevenactiviteiten als vennoot van de bouwbeleggings- en exploitatieonderneming R3. Door handig gebruik te maken van de in 1974 door minister Lubbers verruimde mogelijkheden tot investeringsaftrek, bleek de zakenman Lubbers een riant belastingvoordeel te hebben opgestreken. Lubbers, op dat moment vicefractievoorzitter van het CDA, kondigde aan het behaalde voordeel aan de fiscus terug te betalen. Of dat ook is gebeurd, heeft hij uit overwegingen van privacy nooit willen aantonen. Niettemin: einde R3-affaire.

In 1980 kreeg Hollandia Kloos van het Koeweitse staalbedrijf Kuwait Airways Corporation (KAC) de opdracht een vliegtuighangar te bouwen. Kort daarna ontstond tussen beide bedrijven een conflict over een nabetaling van vijftig miljoen gulden voor ‘meerwerk’ dat aan de bouw van de hangars was verricht. Ook de Nederlandse Credietverzekering Maatschappij – waar Hollandia Kloos de claim had verzekerd – raakte erbij betrokken. In november 1984 onthulde Vrij Nederland dat Lubbers, inmiddels premier van zijn eerste kabinet, de kwestie tijdens een officieel bezoek aan het land had besproken met zijn Koeweitse ambtgenoot. PvdA-Tweede-Kamerlid Hans Kombrink meende dat hier sprake was van vermenging van staats- en privébelangen en vroeg Lubbers schriftelijk om opheldering. De premier antwoordde nog diezelfde dag: de zaak zou ‘van de kant van de Koeweiti’s kort in procedurele zin’ aan de orde zijn gesteld, waarna was besloten dat het onderwerp zich niet leende voor behandeling op ministerieel niveau. Einde Koeweit-affaire – althans voorlopig.


Affaire nummer vijf speelde in januari 1986, toen de VARA onthulde dat Mercon, een uit het Nederhorstconcern voortgekomen dochterbedrijf van Hollandia Kloos, eind jaren zeventig zwartwerkers had gebruikt. Na onderzoek kwam vast te staan dat het ging om ‘slechts’ zes zwartwerkers die ‘slechts’ een maand voor Mercon hadden gewerkt. Na ontdekking waren bovendien alsnog premies afgedragen. Weer liep het voor Lubbers met een sisser af.

In oktober 1987 publiceerde Nieuwe Revu een deel van Lubbers’ belastingdossier – zijn zesde affaire. De premier, schreef het blad, maakte gebruik van de zogenoemde tachtigprocentregeling, bedoeld om te voorkomen dat mensen met een groot vermogen en een relatief klein inkomen door de vermogensbelasting in financiële problemen kwamen. Nieuwe Revu verweet Lubbers dat hij gebruikmaakte van een regeling die alleen was bedoeld voor grondeigenaren en dat hij zijn inkomen kunstmatig klein hield om optimaal van het voor hem gunstige tachtigprocenttarief te kunnen profiteren. Als gevolg daarvan zou hij jaarlijks slechts 200.000 gulden aan de belastingdienst afdragen – niet veel voor een man met een geschat vermogen van (toen) circa dertig miljoen gulden.

Maar opnieuw waaide de bui over. Niemand slaagde erin hard te maken dat Lubbers geen gebruik van de tachtigprocentregeling zou mogen maken. En van het kunstmatig laag houden van zijn inkomen bleek slechts in zoverre sprake dat Lubbers’ vermogen grotendeels in bedrijven zat, als risicodragend kapitaal. Geen illegale constructie dus, nog afgezien van het feit dat de zeggenschap over Lubbers’ aandelen nog steeds was overgedragen aan een stichting en hij dus niet eens bij machte was om zijn vermogen elders te beleggen of ‘gewoon’ op een spaarrekening te zetten.


Twee jaar later, in 1989, kreeg de Koeweit-affaire een vervolg. Lubbers bleek als minister-president vijf brieven te hebben gestuurd naar zijn ambtgenoot in Koeweit over het nog steeds niet opgeloste conflict tussen de Kuwait Air Corporation en Hollandia Kloos. De rekening voor het ‘meerwerk’ aan de hangar was door Lubbers inmiddels eigenhandig gehalveerd (naar 24 miljoen gulden), maar nog steeds weigerden de Koeweiti’s te betalen. De hele Tweede Kamer nam Lubbers onder vuur: zijn bemoeienissen met de kwestie werden ‘ongepast’ genoemd, temeer daar de diplomatieke betrekkingen met Koeweit er ernstig onder hadden geleden. Lubbers beloofde evenwel beterschap en kondigde aan zich voortaan afzijdig te zullen houden. “Als de Kamer zegt ‘u moet het niet doen’, dan doe ik het niet.” Het parlement was met die toezegging tevreden. En dus doorstond Lubbers ook zijn zevende affaire.

Bij het aanbreken van de jaren negentig was Lubbers op het toppunt van zijn roem. Alles aan hem leek groot, en waarachtig niet alléén omdat hij erin was geslaagd een recordaantal affaires te overleven. Hij was inmiddels de langstzittende premier van Nederland. In 1992 streefde hij Willem Drees (3790 dagen) voorbij, en daarna, in 1993, ook de vooroorlogse premier Charles Ruijs de Beerenbrouck (3907). Bovendien was hij de enige politicus die de Nederlandse christen-democratie in de laatste helft van de twintigste eeuw twee klinkende verkiezingsoverwinningen had bezorgd. Met 54 zetels werd het CDA in 1986 en 1989 groter dan een politieke partij in Nederland ooit was geweest. Het financieringstekort, dat vooral onder zijn voorganger Van Agt explosief was gestegen, had Lubbers weten te reduceren door fors te snijden in de sociale uitkeringen, de kosten van (rijks)ambtenaren en in de uitgaven van lagere overheden. Door allerlei automatische koppelingsmechanismen in de begroting te doorbreken, had de overheid langzaam maar zeker haar eigen uitgaven weer onder controle gekregen. Ook veel journalisten waren laaiend enthousiast over de premier. Lubbers, schreef De Telegraaf, was een staatsman van formaat ‘voor wie prominente Nederlanders van rechts tot links bij zijn leven nog een standbeeld zouden willen oprichten’. HP/De Tijd portretteerde hem als ‘een macher, manager, kanselier en denker’. Elsevier vond hem niet alleen een ‘doener’ met tien oplossingen voor elk probleem, maar ook een man met visie, die als geen ander thuis zou zijn in het werk van ingewikkelde filosofen als Henri Bergson en Pierre Teilhard de Chardin.


De stijl van de Leider was in Lubbers’ geval die van ‘meedenken’ – zijn eufemisme voor het inpikken van andermans beleidsterrein. Ondanks zijn formele status als primus inter pares torende hij feitelijk ver uit boven zijn collega-ministers. De ‘dossiervreter’ Lubbers las alles, wist alles en bemoeide zich met alles, op het pathologische af. Weifelachtige of zwakke bewindslieden (Rudolf de Korte, Ed Nijpels, Job de Ruiter) waren sowieso de klos, maar ook de ambitieuze minister van Buitenlandse Zaken Hans van den Broek liet zich eens ontvallen dat hij constant ‘achterom moest kijken’ of de premier niet klaarstond om ‘mee te denken’ over een lastige kwestie, een dreigend conflict of, als hij niets anders om handen had, over een nota die al bijna af had moeten zijn.

In 1994 ging het niettemin ontzettend mis. De door Lubbers als zijn opvolger naar voren geschoven Elco Brinkman werd in de aanloop naar de Tweede-Kamerverkiezingen aan de lopende band door hem geschoffeerd. Lubbers liet weten dat diens kritiek op het kabinetsbeleid ‘averechts’ had gewerkt, zei dat PvdA-leider Wim Kok het als premier ‘niet slechter’ zou doen dan zijn kroonprins, en kondigde daarna aan dat hij een ‘signaalstem’ ging uitbrengen op Ernst Hirsch Ballin, de nummer drie op de christen-democratische kandidatenlijst – een bewijs dat zijn gevoel van onkwetsbaarheid ongezonde vormen had aangenomen. Op 3 mei kreeg het CDA de rekening gepresenteerd: twintig zetels verlies. Drie maanden later kwam er een Paars kabinet, waarvan Lubbers volgens CDA-chroniqueur Marcel Metze onbedoeld ‘de echte vader’ was.


De oud-premier transformeerde ondertussen van halfgod tot verschoppeling. Dezelfde media die hem eerst de hemel in hadden geprezen, signaleerden nu dat hij als partijleider had gefaald door jarenlang veel te weinig in het CDA te investeren. Ook werd het Lubbers ineens kwalijk genomen dat het monisme tijdens zijn drie kabinetten een ultieme vlucht had genomen. “Als Lubbers het in zijn laatste kabinet eens was met Kok, dan was het debat in de Tweede Kamer niet meer dan een toneelspel,” analyseerde de Volkskrant met terugwerkende kracht.

Met nauwelijks verholen leedvermaak nam de nieuwe Paarse elite kennis van Lubbers’ pogingen om op internationaal niveau een doorstart te maken. Direct na sluiting van de stembussen had Lubbers zich op 3 mei kandidaat gesteld voor het voorzitterschap van de Europese Commissie. Maar op de bijeenkomst van de Europese regeringsleiders op het Griekse eiland Korfoe op 24 en 25 juni van dat jaar viel hij buiten de boot, ten gunste van de Luxemburgse premier Jacques Santer. De Duitse bondskanselier Helmut Kohl had Lubbers’ benoeming geblokkeerd, zo bleek later. Belangrijkste reden: Lubbers’ verklaring dat hij bij de Kamerverkiezingen niet op Brinkman maar op Hirsch Ballin zou stemmen. Kohl kon zich niet voorstellen dat een toppoliticus zo’n staaltje van gebrek aan loyaliteit weggaf. “Hoe zal iemand die zijn eigen politieke vrienden zo behandelt, ons behandelen als hij voorzitter is van de Europese Commissie?” hoorde oud-minister Norbert Schmelzer de CDU-leider verzuchten.

Een paar maanden later, in oktober 1994, viel Lubbers’ naam in verband met de vrijkomende functie van secretaris- generaal van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Opnieuw ging het mis – de zittende secretaris-generaal, de Fransman J.C. Paye, werd herbenoemd.


Begin 1995 waren er voor Lubbers een aantal troostprijzen. Hij werd door het kabinet-Kok benoemd tot minister van Staat, door de CDA-partijraad tot voorzitter van het bestuur van het eigen Wetenschappelijk Instituut en door de Katholieke Universiteit Brabant tot parttime hoogleraar globalisering. Uiteraard was het allemaal niet hetgeen waarop Lubbers recht meende te hebben. Maar zijn grootste afgang moest toen nog komen.

Het gebeurde in november 1995, toen Lubbers zich kandidaat stelde voor de post van secretaris-generaal van de NAVO. Volgens een reconstructie door de NRC Handelsblad-journalisten Michiel Kerres en Robert van de Roer ging het mis in de James Madison Room, de eetkamer van de Amerikaanse minister Warren Christopher op het State Department. Lubbers werd er op 2 november ontvangen voor een quasi-sollicitatiegesprek – en viel grandioos door de mand. “De Amerikanen valt op dat Lubbers niet in resolute zinnen praat die slechts voor één uitleg vatbaar zijn, maar hardop denkend een weg door de materie zoekt. De gastheren willen soundbites maar krijgen analyses. Heeft deze man de stijl om tegenover parlementen en in het bijzonder het Amerikaanse Congres grote troepenzendingen te bepleiten?” Nee, zo luidde het eindoordeel van Christopher. Een maand later werd de Spanjaard Javier Solana de nieuwe secretaris-generaal van de NAVO.

Lubbers had gefaald. Omdat hij óók in de James Madison Room zichzelf was gebleven: een oer-Nederlandse polderpoliticus met ongrijpbaar en glibberig taalgebruik, vol ‘lubberiaanse’ wolligheden en vaagheden. Talrijke Hollandse affaires had hij mede dankzij die vaardigheid overleefd. Twaalf jaar premierschap had hij eraan te danken gehad. Maar over de grens werkte het niet. Dat er in Duitsland zwaarder wordt getild aan deloyaal gedrag jegens politieke vrienden had hem het voorzitterschap van de Europese Commissie gekost. Dat de Amerikanen van een politicus eisen dat hij klip en klaar kan uitleggen wat hij van plan is, deed zijn NAVO-sollicitatie stuklopen.


Er tekende zich een patroon af. Was Lubbers wel in staat zich in het buitenland te presenteren als iemand die zich kan gedragen naar de eisen die voor internationale politieke zwaargewichten gelden?

Toch wel, zo leek het in oktober 2000. Lubbers werd toen door Kofi Annan, secretaris-generaal van de Verenigde Naties, gevraagd om Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen te worden. Maar een echte topbaan was het niet. Eén keer eerder had een Nederlander de post bekleed: Gerrit Jan van Heuven Goedhart, van 1951 tot 1956. Geen oud-premier met twaalf jaar ervaring, maar een oud-journalist die in het Londense oorlogskabinet van Pieter Sjoerds Gerbrandy zeven maanden minister van Justitie was geweest en, na de bevrijding, drie jaar PvdA-senator. Van Heuven Goedharts opvolgers bij de vluchtelingenorganisatie waren zonder uitzondering afkomstig uit het internationale B- en C-circuit en hadden doorgaans slechts ervaring als diplomaat.

Lubbers wekte niettemin de indruk dat hij als Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen zijn internationale draai had gevonden. Tot er opeens die beschuldigingen kwamen over ongewenste intimiteiten. Een oude vraag kon zodoende weer actueel worden: zou ook deze kwestie te maken kunnen hebben met Lubbers’ makke dat hij zich op de internationale bühne niet naar internationale maatstaven weet te gedragen?

Voor het antwoord op die vraag moeten we nog één keer terug naar de jaren zeventig, het decennium waarin Lubbers debuteerde als, achtereenvolgens, minister en (vice)fractievoorzitter. Op seksueel gebied golden toen (ook) op het Binnenhof nogal losse zeden en gewoonten. Buitenechtelijke relaties waren er aan de orde van de dag en deden menig huwelijk stranden. Ook het parlementaire journaille liet zich niet onbetuigd. ‘Beroemd’ was bijvoorbeeld de affaire tussen Elsevier-journaliste Alice Oppenheim en Lubbers’ getrouwde collega-minister Jaap Boersma van Sociale Zaken. Maar ook óngewenste intimiteiten waren bepaald niet ongewoon. Met name sommige bewindslieden uit het kabinet-Den Uyl hadden op dat punt een reputatie. “In vliegtuigen werden stewardessen lastiggevallen,” onthulde oud-minister Tjerk Westerterp onlangs in 1974. Wij waren de besten, het boek van journalist Auke Kok over de wereldkampioenschappen voetbal van 1974. “Tegen een van ons heeft de KLM nog een vliegverbod overwogen: het personeel was het zat om steeds in de billen te worden geknepen.” (Wie die ene was, wilde Westerterp niet publiek maken maar, weet Auke Kok, Lubbers was het niet.)


Het relaas van Westerterp illustreert op treffende wijze het vrijpostige klimaat waarin Lubbers dertig jaar geleden als politicus opgroeide. Het is niet ondenkbaar dat het voor hem vormende ervaringen zijn geweest. Bovendien: een ‘vrouwengek’ was Lubbers altijd al, vertelde echtgenote Ria aan De Telegraaf. “Z’n hele leven slaat Ruud al zijn arm om vrouwen. Dat kan iedereen in politiek Den Haag beamen.”

Niemand sprak haar tegen. Maar de voormalige first lady van de Lage Landen zag één tamelijk essentieel aspect over het hoofd: politiek Den Haag is al een tijdje niet meer het werkterrein van haar echtgenoot. Sinds 1 januari 2001 verkeert Lubbers in heel andere kringen: die van de VN. Net als bij veel andere internationale organisaties gelden daar voor het personeel strenge gedragsregels, ook en juist als het gaat om lichamelijke toenaderingspogingen. Alle medewerkers hebben zich daaraan te houden, in het bijzonder leidinggevenden in hun contacten met ondergeschikten. De mores van het Binnenhof tellen niet bij de VN, en zeker niet de losse Haagse omgangsvormen waartussen de geboren vrouwengek en aartsknuffelaar Lubbers in de jaren zeventig opgroeide.

Zou onze oud-premier zich in den vreemde wederom niet hebben kunnen aanpassen, ditmaal met zijn gedrag jegens vrouwen? Het heeft er alle schijn van. Lubbers’ carrière hangt aan een zijden draad, dankzij een rode draad in zijn karakterstructuur: zijn neiging om overal en altijd Lubbers te blijven.

Helden die door een fatale persoonlijke eigenschap ten onder gaan – de oude Grieken waren er al mee bekend. Ze bedachten er ook een woord voor: tragisch.


Nadat Ruud Lubbers was beschuldigd van ongewenste intimiteiten, werd hem binnen de VN nog lang de hand boven het hoofd gehouden. In 2005 stapte hij uiteindelijk op. In plaats van een droevige figuur werd hij verrassend genoeg een cultheld onder jongeren dankzij zijn inzet voor ‘een betere wereld’. Bij optredens in bijvoorbeeld de Melkweg of op Lowlands wordt hij enthou-siast onthaald.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Roelof Bouwman