Help ik ben rechts geworden

Hij schrok er zelf van. Van een trouwhartig aanhanger van clubs als het Nicaragua Komitee, de Novib en Milieudefensie was HP/De Tijdredacteur Thieu Vaessen plots veranderd in iemand die zich kon vinden in Elsevier-columns en Pim Fortuyn gelijk gaf. Een coming-out.

Vroeger was ik links. “Dat geeft niks,” zei mijn vader toen weleens tegen me, “maar als je veertig bent en je bent nog steeds links, dan heb je geen hersens.” Verschrikkelijk vond ik dat. Zo’n blijk van minachting voor alle mooie idealen die zouden leiden tot een betere wereld. Ik stond pal voor solidariteit met de onderdrukten. En natuurlijk zou ik nooit een stropdas dragen, een werkster inhuren of me laten verleiden tot aankoop van een auto die veel duurder was dan nodig. Nu ben ik veertig, en is het toch zover gekomen.

In allerlei discussies verkondig ik standpunten waarvan ik vroeger zou hebben gegriezeld – als het gaat om sociale zekerheid, de komst van buitenlanders en de integratie van allochtonen, bestrijding van criminaliteit, buitenlandse politiek en ontwikkelingssamenwerking, en soms zelfs als het gaat om milieubescherming. Want waarom zou ik Milieudefensie steunen als die de pavlovliefde voor de trein zo ver doorvoeren dat ze de aanleg van de Betuwelijn hebben gesteund? En de opvang van zieke zeehondjes in Pieterburen verhindert toch alleen maar de natuurlijke selectie, waardoor de populatie in de Waddenzee wordt verzwakt?

Kennelijk is het patroon dat mensen verrechtsen naarmate ze ouder worden veel dwingender dan ik en veel van mijn vrienden twintig jaar geleden dachten. Al is het maar omdat we meestal meer zijn gaan verdienen, en dus meer belasting zijn gaan betalen, en van belasting betalen word je rechts. Dat is algemeen bekend. Als ik nu mijn aangiftebiljet invul, denk ik nog weleens terug aan de tijd dat ik mijn vader uitlachte omdat die zijn humeur liet verpesten door de formulieren in de blauwe enveloppe.


In diezelfde tijd – 1980, het jaar van ‘geen woning, geen kroning’ – verhuisde ik naar Amsterdam om er politicologie te studeren. Jarenlang was ik actief voor het Nicaragua Komitee, demonstreerde ik tegen kernwapens of kernenergie en woonde ik in een kraakpand. Later wilde ik journalist worden, om nog meer misstanden aan de kaak te kunnen stellen.

Mijn generatie geloofde in een morele superioriteit van links. We maakten ons kwaad over rechtse plannen – bezuinigingen, kruisraketten, sollicitatieplicht – en konden ons niet voorstellen dat je met een VVD’er gezellig een biertje dronk. Links zijn was de norm. Zo hoorde het.

Sindsdien heeft de rechtse realist in mij langzaam terrein gewonnen op de linkse idealist. Het ging zo langzaam dat ik het nooit hoefde te erkennen, en dat doe ik nog steeds liever niet. Want verrechtsen is niet iets waar een mens trots op kan zijn. De meesten van mijn vrienden en collega’s denken er kennelijk net zo over en hebben me tot nu toe confronterende opmerkingen als ‘Wat ben jij rechts geworden’ bespaard. Misschien uit compassie, want voor rechtse standpunten moet ik me nog altijd verdedigen, maar misschien ook wel omdat mijn vrienden zelf zijn opgeschoven. “Ik betrapte me erop dat ik Zalm op de televisie best zinnige dingen hoorde zeggen,” zei laatst een vriendin. Het venijn zit hem natuurlijk in het woord betrappen. We geven liever niet toe dat een VVD’er iets zinnigs zegt.

Maar er komt een moment dat je jezelf en anderen niet meer voor de gek kunt houden, en voor mij is dat moment aangebroken. Ik ben niet links meer. Ik ben verrechtst. Het zinnetje voelt als een coming-out.


Vroeger zag ik verrechtsing als een teken van menselijke zwakte – de idealen leggen het af tegen hebzucht, egoïsme en materialisme. SP-voorman Jan Marijnissen denkt er nog steeds zo over. “Het is luiheid,” verzekerde hij me vorige maand nog toen ik hem interviewde en hem deelgenoot maakte van mijn probleem.

Maar volgens mij is er meer aan de hand dan het verlies van idealen met het vorderen van de jaren en het toenemen van de scepsis, en dat is dat links het vaak mis had. We zagen het verkeerd! En nog steeds! Want links kampt met een gebrek aan realiteitszin als het gaat om bijvoorbeeld de verzorgingsstaat, de multiculturele samenleving en defensie.

De linkse politieke partijen erkennen dat ook wel voorzichtig. Allemaal zijn ze immers opgeschoven naar rechts, inclusief de SP van Marijnissen, die het marxisme heeft afgezworen, en inclusief de PvdA, die steeds minder bereid is fraude met sociale uitkeringen toe te dekken.

Het punt is alleen dat de verrechtsing van links niet snel genoeg gaat. Want de kiezers, inclusief ikzelf, zijn veel sneller opgeschoven dan Ad Melkert en Paul Rosenmöller. Dat blijkt uit het sentiment op het schoolplein, waar linkse politici bekendstaan als slapjanussen en Pim Fortuyn de held is. (Tegenwoordig hoef je niet meer tot je veertigste te wachten om rechts te worden.) En dat blijkt ook uit de opiniepeilingen voor de landelijke verkiezingen half mei. De linkse partijen (SP, GroenLinks, PvdA en D66) gaan hun parlementaire meerderheid verliezen aan rechts (CDA, VVD en Fortuyn).

De verrechtsing van Nederland sluimerde al langer ondergronds en soms ook bovengronds, getuige de verkiezingsoverwinningen van Frits Bolkestein. Maar de echte aardverschuiving doet zich nu pas voor, en volgens mij heeft dat veel te maken met de aanslagen op 11 september in New York en Washington en de manier waarop linkse politieke partijen hebben gereageerd. De PvdA, GroenLinks en D66 willen maar niet toegeven dat de angst voor immigranten is toegenomen onder de autochtone bevolking van Nederland – laatst schreef iemand per ongeluk ‘de oorspronkelijke bevolking’.


Mijn eigen verrechtsing moet ik wel onder ogen zien nu ik me afgelopen maanden zo heb geërgerd aan linkse politici die vooral bezig zijn geweest de onvrede weg te redeneren. En als ze dan een zware verkiezingsnederlaag lijden, zoals vorige maand, is de reactie: we moeten het nog beter uitleggen. Met andere woorden: de kiezer snapt het niet. Buitengewoon hooghartig.

GroenLinks, de PvdA en D66 spannen zich in om uitingen van vreemdelingenhaat te voorkomen, maar tonen zich blind voor het mislukken van de multiculturele samenleving. Hoogtepunt was wel premier Wim Kok die tijdens een bezoek aan Pakistan een tulband op zijn hoofd zette. Het signaal was duidelijk: Nederland is ten onrechte bang voor toenemende invloed van de islam.

Intussen maken veel mensen zich wel zorgen, en daar heeft iemand als mevrouw Van Hoorn uit Osdorp ook een goede reden voor. In een reportage in NRC Handelsblad was te lezen hoe zij als NS-conductrice in elkaar was geslagen door Marokkaanse jongeren, waarna ze een brief schreef aan burgemeester Cohen van Amsterdam: “Er is veel angst onder de mensen en niet zoals premier Kok naar voren doet komen dat er alleen angst is bij moslims, maar ook bij de Hollandse mensen.”

Vroeger had ik zo’n brief afgedaan als onderbuikgevoelens. Ik dacht dat Nederland economisch en cultureel sterk genoeg was om grote groepen buitenlanders op te nemen. Vrijwel iedere beperking ging me te ver. We waren immers rijk, en zij arm. Als ik eraan terugdenk, is het eigenlijk beschamend hoe weinig links bereid was de discussie aan te gaan over de vraag of er geen grenzen waren aan de opnamecapaciteit, en hoe gemakkelijk we bijvoorbeeld voorstellen om immigranten te verplichten tot het leren van Nederlands wegwimpelden.


Links was verblind, en is dat nog steeds. Hoe kan het anders dat de gemeente Rotterdam akkoord is gegaan met een GroenLinks-voorstel om stembussen te plaatsen in een moskee? Alsof de scheiding tussen kerk en staat niet heilig is? Of wil GroenLinks nu ook stembussen gaan plaatsen in de christelijke kerken?

Opmerkelijk vond ik eind vorig jaar ook de reacties op een reportage in HP/De Tijd over een mislukte aanslag op een rooms-katholieke kerk in Amsterdam, in de nacht dat de Amerikanen de aanval openden op het Talibanbewind in Afghanistan. Uit alles bleek dat die aanslag was ingegeven door antiwesterse sentimenten onder Marokkaanse jongeren. Het verhaal was nog niet verschenen of er kwam al een ingezonden brief binnen van Edith Mastenbroek, een prominente jonge PvdA-dame, die het artikel onzinnig en overbodig vond. Ik herkende haar reflex. Die heet ontkennen.

Uit weer een andere reportage bleek dat in de Rotterdamse wijk Kralingen, waar veel allochtonen wonen, graffiti te lezen is met teksten als ‘Nederlandse vrouwen zijn hoeren’. Zou Edith Mastenbroek het mij kwalijk nemen dat zulke graffiti mij choqueert? Heel Nederland valt over de imam die homoseksualiteit een ziekte noemt, maar hoeveel politici willen onder ogen zien dat de islam ook vrouwvijandig is? Want ís het wel toeval dat de verkrachters van een dertienjarig meisje uit de Amsterdamse Westerparkbuurt allochtonen waren? Of vroeg het meisje volgens islamitische normen om een verkrachting, omdat ze bij voorbaat al een hoer is? En had het linkse stadsdeelbestuur niet weer een andere, oude reflex, namelijk verzwijgen?


Iedere keer weer blijkt de neiging onwelgevallig nieuws te verzwijgen of te ontkennen bij links diepgeworteld. De Groningse burgemeester Jacques Wallage (PvdA) weigerde een rapport over criminaliteit onder asielzoekers openbaar te maken en burgemeester Cohen (PvdA) verbood de Amsterdamse hoofdofficier van justitie te praten over zijn angst voor antiwesterse rellen na de bombardementen op Afghanistan.

Als linkse actievoerder was ik er vroeger van overtuigd dat allochtonen vaker bij geweldsdelicten zijn betrokken omdat ze onder aan de maatschappelijke ladder staan. Het was frustratie, ingegeven door armoede en een gebrek aan kansen. Inmiddels ben ik daar iets anders over gaan denken. Namelijk dat de relatief hoge criminaliteit onder allochtonen ook te maken heeft met het grotere gemak waarmee in sommige culturen naar geweld wordt gegrepen, met Marokkaanse jongetjes die zich niet laten corrigeren door hun moeders of (vrouwelijke) leraren en met allochtonen die weinig op hebben met de Nederlandse samenleving.

Links heeft altijd geprobeerd die culturele oorzaken te negeren. Het zit diep, zelfs met de verkiezingen in aantocht. Nog steeds mag een PvdA-politicus geen ‘kut-Marokkanen’ zeggen als hij ‘kut-Marokkanen’ bedoelt. Het politiek correcte denken en het cultuurrelativisme, die ik zo goed herken, gaan steeds meer irriteren. En ik moet toegeven dat rechts-liberale politici altijd consequent geweest zijn in hun verdediging van westerse waarden als het recht op vrije meningsuiting, het belang van vrouwenemancipatie en de scheiding tussen kerk en staat.

Voor alle duidelijkheid: het recht op vrije meningsuiting staat niet toevallig in dit rijtje. Deze maand nog besloten diverse boekhandels, waaronder mijn eigen vaste adres, het nieuwste boek van Pim Fortuyn uit de verkoop te halen. De linkse boekverkopers hadden voor mij besloten dat het beter is dat ik geen kennis neem van Fortuyns denkbeelden.


Zouden die verkopers De puinhopen van acht jaar Paars hebben gelezen voordat ze het in de ban deden? Of besloten ze bij voorbaat tot censuur?

Aan zo’n gebeurtenis had ik me vroeger waarschijnlijk veel minder gestoord. Toen vond ik westerse waarden als het recht op vrije meningsuiting zo vanzelfsprekend dat het verdedigen ervan eigenlijk overbodig was. Het zat wel goed. Vorig jaar ben ik me met het lezen van het boek Arm en rijk van David S. Landes eigenlijk pas ten volle gaan realiseren hoezeer ‘het Vrije Westen’ zijn welvaart en vrijheid heeft te danken aan rechts-liberale denkbeelden.

Landes is een historicus die probeert te begrijpen waarom sommige landen arm zijn gebleven en andere landen grote welvaart hebben verworven. Hij moet niets hebben van de vaak marxistische theorieën die de armoede van de derde wereld wijten aan uitbuiting door het kapitalistische Westen, maar zoekt de verklaring in de onderdrukking door plaatselijke elites en cultureel-religieuze tradities die vooruitgang in de weg staan. De rijke landen zijn rijk omdat ze prestaties financieel belonen, corruptie bestrijden, het recht op eigendom beschermen en een vooruitgangsgeloof koesteren. Daarbij past niet alleen het recht op vrije meningsuiting en organisatie, maar ook goed onderwijs en goede universiteiten die academisch onderzoek en technologische innovaties mogelijk maken. Dat ontbreekt allemaal in islamitische landen, en dat is volgens Landes de belangrijkste verklaring voor hun economische achterstand.

Na het lezen van Arm en rijk kon ik me dus ook niet zo druk maken over de Italiaanse premier Berlusconi, die vorig jaar sprak van superioriteit van westerse waarden. Berlusconi had gewoon gelijk, maar moest zijn uitspraak ijlings terugnemen onder druk van Europese regeringsleiders en politici. Intussen vind ik het ook zo gek niet dat Pim Fortuyn de islam ‘achterlijk’ noemt, al is het nog steeds niet mijn woordkeuze.


Er zijn nog weleens mensen die roepen dat de begrippen links en rechts niet zoveel betekenis meer hebben, maar voor mij komt afkeer van het cultuurrelativisme en het politiek correcte denken neer op een verrechtsing. Duidelijk is ook dat rechts staat voor minder overheid, en ook in dat opzicht ben ik naar rechts opgeschoven.

Het afgenomen vertrouwen in overheidsingrijpen komt onder meer voort uit de reeks rampen die zich afgelopen jaren in Nederland hebben voltrokken. De ontplofte vuurwerkfabriek in Enschede, het uitgebrande café in Volendam en de Herculesramp in Eindhoven.

Steeds blijkt dat de overheid niet de bescherming kan bieden die ze wel belooft. De regels zijn niet eenduidig, de controle op die regels faalt of ontbreekt geheel, vaak zijn er zo veel overheidsinstanties bij betrokken dat niemand eindverantwoordelijk is en dus aanspreekbaar. En bijna altijd is de uitkomst dat overtredingen worden gedoogd. De wet- en regelgeving in Nederland heeft een schijnveiligheid gecreëerd.

Vroeger tilden ik en veel van mijn studiegenoten niet zo zwaar aan het bezwaar dat meer overheidsingrijpen leidt tot een wildgroei aan bureaucratie en een regelgeving die zo ingewikkeld is dat ondernemers en gewone burgers er gek van worden. Een ouderejaars uit mijn antifascistische studentencollectief deed dergelijk geweeklaag ooit af als de krokodillentranen van een kapitalistische klasse die haar ongebreidelde vrijheid aan banden gelegd zag. We geloofden in de maakbare samenleving en namen de angst voor meer overheidsingrijpen geen moment serieus. Dat was wel zo makkelijk.

Tegenwoordig erger ik me aan het gemak waarmee linkse politici nieuwe regelgeving opperden (hoezo is het belastingstelsel vereenvoudigd?), waardoor het ambtenarenkorps uitdijt, terwijl diezelfde politici de verantwoordelijkheid niet nemen als het misgaat. Na de vuurwerkramp in Enschede bleef de burgemeester gewoon zitten, net als zijn collega uit Den Bosch die volledig miskleunde bij de driedaagse rellen na de dood van een voetbalsupporter. Die van Volendam zag zich wel gedwongen op te stappen, maar was binnen de kortste keren aan een nieuwe gemeente geholpen. Burgemeester Ouwerkerk van Groningen kreeg zelfs promotie naar het grotere Almere, nadat hij eerst moest vertrekken wegens zijn blunders bij de rellen in de Oosterparkbuurt. De PvdA zorgt goed voor haar mensen.


Het patroon in Nederland is dat de overheidsbestuurders de hand boven het hoofd wordt gehouden. Pim Fortuyn spreekt van een regentencultuur, en het is moeilijk hem ongelijk te geven. Ooit was er één politieke partij die met het ondemocratische en nepotistische benoemingsbeleid wilde afrekenen (en destijds trouwens de hartelijke steun kreeg van de Haagse Post), en dat was D66. Maar die partij heeft het ideaal van een gekozen burgemeester wel heel gemakkelijk ingeleverd. Meneer Apotheker, zou dat komen doordat de D66-politici veel te blij zijn met hun mooie baantjes als burgervaders nadat ze waren uitgeblust? En heeft meneer Van Boxtel al een leuke stad uitgezocht voor na de verkiezingen?

Als ik het even heel cynisch zeg: de overheid maakt haar beloften niet waar en dient als bron van werkverschaffing voor politici. Een oplossing zal toch moeten worden gezocht in de richting van een overheid die minder regels handhaaft, maar wel strenger, en ik verwacht niet dat links daarin voorop zal gaan.

Ook als het gaat om sociale zekerheid is de scheidslijn tussen rechts en links nog opvallend helder. Links maakt zich in de eerste plaats druk om armoede in Nederland, rechts vreest dat het sociale vangnet zo comfortabel is dat grote groepen mensen helemaal niet worden aangemoedigd om voor zichzelf te zorgen. En alweer moet ik bekennen dat ik ook in dit opzicht ben verrechtst. Helaas.

Nu maakten we ons er vroeger in discussies ook wel erg makkelijk van af. We geloofden in de goede inborst van de mens. Als er dan toch een enkeling ten onrechte een uitkering genoot, mochten de goeden daar niet onder lijden. En trouwens, wat is misbruik? Het is toch logisch dat iemand in de bijstand er zwart bijklust?


Een vriend vroeg me laatst nog: “Iemand moet toch bijstand kunnen krijgen als-ie even niet zo’n zin heeft om te werken?” Jaren geleden was ik waarschijnlijk wel bereid geweest dat te beamen, maar nu niet meer. Niet van mijn belastinggeld. Misschien komt het ook doordat ik te veel verhalen heb gehoord van mensen die bij de Sociale Dienst in Amsterdam werken, waardoor ik nu ben gaan geloven dat een meerderheid van de bijstandsgerechtigden fraudeert.

Maar het is niet in de eerste plaats het misbruik van de bijstand waar ik me kwaad over maak – het gaat tenslotte ‘maar’ om 360.000 mensen – maar de onwil van links om iets te doen aan de zogenoemde armoedeval en aan de instroom in de WAO.

De ‘armoedeval’ is het fenomeen dat mensen in de bijstand of met een Melkertbaan zo veel kleine extraatjes hebben – huursubsidie, bijzondere bijstand, witgoedvergoeding, een zwart bijbaantje – dat het helemaal niet aantrekkelijk is een reguliere baan te zoeken. Je gaat toch geen geld inleveren om meer en harder te mogen werken? Als er vroeger politici waren die dit een probleem vonden, omdat mensen helemaal niet worden aangemoedigd aan het werk te gaan, dan vond ik dat op mijn beurt maar rechts gezeur.

Inmiddels denk ik daar anders over, en dat is te danken aan verhalen uit de praktijk, bijvoorbeeld van een vriendin die personeelsmanager is bij een tuincentrum en zegt dat ze door de telefoon al kan horen of mensen alleen maar voor de vorm solliciteren. Vaak geven de ‘sollicitanten’ dat zelfs ruiterlijk toe. “Ze willen gewoon niet,” concludeerde deze vriendin, die ik niet hoef te verdenken van rechtse vooringenomenheid: vroeger was ze vrijwilliger in een blijf-van-mijn-lijfhuis.


Het is toch ongelooflijk dat de PvdA-ministers van Sociale Zaken acht jaar lang geen serieuze poging hebben gedaan om werken financieel aantrekkelijk te maken? En vlak voor de verkiezingen komt Vermeend met een plan om de vele lokale extraatjes te vervangen door een landelijke regeling. Daarvoor komen bijstandsgerechtigden pas na drie jaar in aanmerking, mits ze geen uitzicht hebben op een baan. Het klinkt mooi, maar het is een waardeloos idee. Het komt neer op: u bent twee jaar werkloos, nog even een jaar volhouden, dan krijgt u een beloning. Bovendien worden de sociale diensten opgescheept met een onmogelijke taak, namelijk vaststellen wie wel en wie geen uitzicht heeft op werk, maar als dat misgaat zal Vermeend de sociale diensten wel weer de schuld geven.

Zou rechts gelijk hebben met de kritiek dat uitkeringsgerechtigden worden aangemoedigd om zichzelf vooral als slachtoffer te zien? Kijk eens naar de WAO. Toen die bijna een miljoen klanten telde en Ruud Lubbers met zijn ‘Nederland is ziek’ kwam aanzetten, vond ik dat pathetisch. Man, je bent zelf ziek, dacht ik. Het zijn alweer verhalen uit mijn eigen omgeving – bijvoorbeeld van een man die dankzij een WAO-uitkering de helft van het jaar in Frankrijk zit om daar eigenhandig een vervallen huis te herbouwen tot zomerverblijf – waardoor ik rechtser ben geworden. En hardvochtiger. Dat is niet leuk, maar wat moet ik dan? Of is het gezond dat de linkse partijen iedere poging de instroom naar de WAO te verminderen, blokkeren? Doen ze dat soms omdat van die één miljoen WAO’ers er toch al snel 900.000 op de PvdA en GroenLinks zullen stemmen? En is het verantwoord dat de vakbonden nu zelfs proberen de WAO-uitkeringen te verhogen? Wordt het niet eens tijd dat ik mijn lidmaatschap van de FNV opzeg?


Nog even één anekdote over de ‘verpampering’ van Nederland. Een bevriend stel dat drie jaar in het buitenland had gewerkt, wilde bij terugkeer van hun spaargeld gaan leven, maar dat bleek niet te kunnen. De woningbouwvereniging wilde hun alleen een huis toewijzen als ze een uitkering aanvroegen. De vrouw in kwestie was verpleegster en vond al snel een tijdelijke baan, met veel nachtdiensten. Ze kreeg direct bezoek van een medewerker van Cadans, die kwam vertellen: “Mevrouw, u hoeft helemaal niet te gaan werken, hoor. U heeft recht op een uitkering.”

Verrechtsen gaat niet geleidelijk. Het gaat met schokken, kleinere en grotere gebeurtenissen waardoor een mens ineens een stukje opschuift. Voor veel mensen zal 11 september 2001 zo’n moment zijn geweest. Een schokje voor mij persoonlijk was een inbraak vorig jaar in mijn huis, op klaarlichte dag met bruut geweld. De inbreker was volgens buurtbewoners een man van buitenlandse komaf, waarschijnlijk een latino – een gegeven dat ik vroeger helemaal niet zou hebben vermeld. Maar goed, veel erger was dat de politie onbereikbaar was, waardoor de inbreker alle tijd had om te verdwijnen. De weken daarna moest ik even geen Marcel van Dam meer horen die uitlegt dat het wel meevalt met de criminaliteit in Nederland.

Links worden ging bij mij ook met schokken. Belangrijk was Het dagboek van Che Guevara, een klassieker die ik op de middelbare school las en die bol stond van idealen over ‘een nieuwe mens’. Romantiek speelde een grote rol, en om die reden moesten ik en de meesten van mijn politieke vrienden weinig hebben van wat toen het reëel bestaande socialisme heette. We hadden weinig op met de oudere, linkse generatie die gemene zaak maakte met het Russische, Chinese of Albanese communisme. Ons was wel duidelijk dat daar geen ‘nieuwe mens’ kon opstaan. Zelfs Cuba was begin jaren tachtig al geen heilstaat meer. De onderdrukking van homo’s maakte ons duidelijk dat staatterreur het daar al had gewonnen van bevlogen idealisme.


Maar misschien zouden de linkse idealen te verwezenlijken zijn onder de sandinisten, die in 1979 de macht hadden gegrepen in Nicaragua? Ik dacht van wel. En de brute manier waarop de Amerikanen reageerden op dit politieke experiment in hun achtertuin, bevestigde al onze ideeën over de vernietigingskracht van het kapitalisme.

Het heeft bijna tien jaar geduurd voordat zich zo’n eerste schok voordeed waardoor ik naar rechts opschoof. Het was nadat de sandinisten de verkiezingen hadden verloren en ik hoorde hoe de partijleiders met de nederlaag in het vooruitzicht zich nog even snel wat villa’s met zwembaden hadden toegeëigend. Ordinaire zelfverrijking door de gasten voor wie ik honderden keren ‘hun strijd, onze strijd, internationale solidariteit’ had staan roepen. En tot mijn ergernis: mijn politieke vrienden kozen ervoor maar geen ruchtbaarheid te geven aan deze misstap van onze compañeros.

Hoe klein ook, het voorval was een grote klap voor mijn naïviteit en mijn principiële geloof in de goedheid van de mens.

Niettemin bleef ik in de jaren die volgden voorstander van een idealistische buitenlandse politiek. Destijds hadden we gedemonstreerd tegen kernwapens, en nu was ik voorstander van VN-vredesmissies. Dat Nederland voorop ging in Srebrenica vervulde Nederland met trots, en mij ook een beetje. Pas na het debcle in voormalig Joegoslavië begon ik fundamenteel te twijfelen aan de zin van alle bevlogenheid. Na de aanslagen in New York sloeg de twijfel om in verrechtsing. De harde realpolitik waarmee de Amerikanen reageerden leek me zeer op zijn plaats, en ik begreep weinig van linkse politici als Wim Kok die opriepen tot een ‘gematigde’ reactie. Alsof extremistische moslims dan tot inkeer zouden komen. Ik betrapte me zelfs op ergernis toen ik anderhalve week na de aanslagen een advertentie las van allerlei linkse organisaties waarvan ik zelf lid ben, en die onder aanvoering van de Novib waarschuwden voor een geweldsspiraal. Hoezo dat? De Amerikanen hadden groot gelijk dat ze de bedreiging serieus namen en alles in het werk stelden om het islamitische terrorisme uit te schakelen. Maar ‘mijn’ clubs stonden liever klaar met het geheven pacifistische vingertje. Die zaterdag vroeg ik me af of het niet tijd werd dat ik mijn lidmaatschap van de Novib opzegde.


Altijd heb ik gedacht dat er één ergernis is waardoor ik nooit op een rechtse partij zou stemmen, en dat is de vanzelfsprekendheid waarmee rechts het belang van economische groei laat prevaleren boven milieubescherming. Die ergernis bestaat nog steeds, er is alleen een ergernis bij gekomen, namelijk over de misleiding waaraan milieuorganisaties zich schuldig maken.

Het klassieke voorbeeld van het veel te alarmistische rapport van de Club van Rome uit de jaren zeventig kon ik nog beschouwen als een vergissing van voor mijn tijd. Dat was alweer lastiger met Greenpeace, dat de vervuiling van de Brent Spar volkomen verkeerd heeft ingeschat, of met Milieudefensie, die zich pas tegen de Betuwelijn keerde toen het te laat was.

Dat het gaat om meer dan incidenten, is me pas duidelijk geworden bij het schrijven van een verhaal twee jaar geleden over windenergie. Aanleiding was een stukje van Elsevier-columnist Nic. van Rossum, die ik ooit beschouwde als de allerergste inktkoelie van het grootkapitaal, maar die zich nu volkomen terecht bleek rot te ergeren aan de lobby voor windmolens. Linkse milieugroeperingen overdrijven namelijk stelselmatig de bijdrage die windenergie kan leveren door altijd te rekenen met maximaal vermogen, terwijl bekend is dat de molens nooit meer dan twintig procent van dat vermogen kunnen realiseren. Even misleidend is het altijd te spreken over grote aantallen huishoudens die toe kunnen met windenergie, terwijl de voorstanders heel goed weten dat het elektriciteitsverbruik van gezinnen maar een klein deel van de totale energiebehoefte is. De bijdrage die windenergie kan leveren, wordt op die manier wel 25 keer zo groot voorgesteld als hij werkelijk is.


En intussen verhinderen talrijke subsidieregelingen het berekenen van de reële kostprijs van windenergie, en weigeren milieugroepen als Greenpeace en Milieudefensie protesten tegen de aantasting van het landschap door windmolenparken serieus te nemen. Er zijn mensen om slechtere redenen verrechtst.

Graag was ik nog even doorgegaan, bijvoorbeeld over euthanasie, ontwikkelingssamenwerking en opvoedkunde, allemaal onderwerpen waarin ik ben verrechtst. Maar helaas krijg ik van deze hoofdredactie niet meer ruimte. Wat niet los te zien is van de diepgewortelde linkse bijziendheid in de journalistiek, waarvan ook dit blad niet is gevrijwaard.

Nu komen de verkiezingen eraan en zal ik zeker geen PvdA meer stemmen, en ook geen D66, laat staan GroenLinks, zoals ik vroeger nog weleens deed. De ergernis over linkse dogma’s is veel te groot. De realiteitszin van rechts spreekt me veel meer aan. Alleen kan ik het niet over mijn hart verkrijgen op de VVD of Pim Fortuyn te stemmen – dat zijn nog te veel de partijen van de hebzucht en het materialisme – en ook niet op het CDA, met zijn moralisme. Ik zweef. Maar ik durf niet uit te sluiten dat ik nog verder zal opschuiven. Misschien roep ik over tien jaar wel: “Ik ben rechts, en ik ben er trots op.” |

Thieu Vaessen werkt tegenwoordig bij de conservatieve website Welingelichte kringen.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Thieu Vaessen