Het begin

Leuk voor als Jan Mulder nog eens de Nobelprijs voor de Literatuur wint: zijn eerste zinnen in het eerste stuk dat hij ooit schreef. Hij was uitgenodigd voor het ‘Hollands Dagboek’ in NRC Handelsblad, bijna altijd het domein voor bobo’s. Nu was er een voetballer gevraagd, een Ajacied, ‘voor 1,3 miljoen overgenomen van Anderlecht’, zoals de redactie erbij schreef. Het was opgevallen dat hij leuke interviews weggaf, dus hij zou het ook weleens aardig kunnen opschrijven, was de gedachte. Datum: 24 november 1973, de week van een Holland-België. De schrijver was 28. “Bij het aannemen van de opdracht drie kolommen te vullen dezer krant schoten mij allerlei ideeën door het hoofd. Vlug even een kleine trip naar Parijs met mijn vriendin Johanna om daar de laatste sculpturen te bewonderen van de Franse kunstenaar Cézar zou bijvoorbeeld bij de lezers van de zaterdagse bijlage aardig chic overkomen.”

Wat hij echt deed: met zijn ‘twee kleine jongetjes’ naar het Stedelijk gaan, naar de tentoonstelling van Tinguely, de Zwitser die van schroot ingenieuze machines maakte. “Ik vraag me af of de kunstenaar daar nou wat mee verdient (de profvoetballer komt boven, zoals u merkt).” Hij tipte en passant Nederland als kanshebber voor het aanstaande wereldkampioenschap in Duitsland, een gouden prognose. Een leuk stuk, zo herinnerde zich drie jaar later de redactie van De Tijd, toen het weekblad iemand zocht voor de sportrubriek. “We moeten Mulder vragen.” Aan mij de taak de inmiddels oud-voetballer te benaderen. Hij was zeer verbaasd over het verzoek columnist te worden. “Ik? Kan ik dat? Ik heb tot nu toe alleen maar brieven geschreven.” De Tijd vond hij wel een net blad om in te schrijven. Hij ging het doen. Zijn start werd in het nummer van 12 maart 1976 bescheiden aangekondigd: “De oud-voetballer Jan Mulder debuteert als sportcommentator.” Plus een fotootje van Jan op de perstribune. Hij had gekozen voor de wedstrijd Utrecht-Ajax. ‘Ajax struikelt over jukbeen’, ging het heten.

“Toen De Tijd mij vroeg Ajax eens te belichten in deze moeilijke periode (van Ajax) dacht ik eventjes: De Tijd. Maarten de Vos sta op en serveer ons deze week een gedegen stuk over de situatie in de Amsterdamse Meer.” Zo begon hij. Mulder suggereerde dat dit niet mogelijk was en dat de redactie het daarom maar aan ‘de eerste de beste voorbijganger’ had gevraagd: hij dus.

Hij bleef, jarenlang, elke week zijn stuk leveren, elke maandagmorgen gebracht, tot grote tevredenheid van de redactie, gezien de verrassende kwaliteit van zijn bijdragen. Het schrijven was hem een vreugde en gaf hem grote voldoening, zo liet hij blijken. Hij was gedisciplineerd: altijd op tijd, ook als het bij uitzondering vroeger moest, of groter, of kleiner. Toch was er al gauw een kleine aanvaring: eindredacteur Paul Klare had zich verstout een kleine verandering in de tekst aan te brengen. Dat mocht nooit meer gebeuren, liet Jan weten. De hoofdredactie steunde hem. Klare reageerde knorrig. “Dat is dan de enige medewerker wiens kopij heilig is.” Maar ook nu nog zegt hij: “Jans kopij was een genot voor de eindredactie: altijd verzorgd, ook qua taal en woordgebruik.” Het was de bedoeling dat Mulder het over sport zou hebben. Maar hij wist dit gebied al gauw uit te breiden tot het leven als zodanig. Hij werd aangezocht ook voor de Volkskrant te gaan schrijven, ging televisie doen, maar bleef De Tijd twaalf jaar lang trouw, tot 1988. Toen ging hij van de ene week op de andere als columnist naar Elsevier, vanwege een verdubbeling van honorarium.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

P. van der Eijk