Slappe zakken

De hedendaagse man van in de dertig, veertig is geen vent meer. Hij wil zich niet binden, behalve aan zijn werk, want dat is zijn identiteit. Kinderen? Verantwoordelijkheid? Hij kijkt wel uit!

Zo, De Jong. Je moet genieten daar, in je eigen bunker. Alle avonden sport op tv, de vertrouwde bonenprut, ongehinderd geluiden producerend terwijl je een blik bier opentrekt, én veilig verstoken van verplichte nummertjes en beklemmende toekomstscenario’s. Santé De Jong! Voor jou geen vruchtbare dagen meer. Ja, drink er nog een op! Er is niemand die zich nog met je gezondheid bemoeit, niemand die überhaupt nog let op wat je doet of nalaat. Je bent bevrijd van druk, verklaringen en overleg. Je bent de koning te rijk. Je hebt het rijk alleen – al is het maar een eenmansrijkje, De Jong.

Nee, dit schrijven is niet alleen een persoonlijke afrekening met een ex. De aanhef had ook Boermans, Croonenberg, De Vries, Fransen, Veenhuijsen of Van der Sman kunnen luiden. Het betreft hier een aanklacht namens vrouwen, gericht aan mannen van dertig tot eind veertig, die zich niet willen binden. Kinderen? Ze zijn wel gek om hun vrije leventje in de waagschaal te leggen voor zo’n aandachtzuigend mormel. Samenwonen? Zien ze als het betreden van een arena, want hooguit twee op de zeven dagen kunnen wij, ‘hormoonslaafjes’, het in hun ogen opbrengen om níet aan hun kop te zeuren. En gezeur en gezeik, daar zijn ze allergisch voor. Deze generatie mannen wil in alle rust kunnen spelen en jong blijven. En ze noemt zichzelf ‘manmoedig’ omdat ze weerstand weet te bieden aan het meisje-huisje-kindje. Maar hoezo manmoedig? Hoeveel mankracht en moed is nodig om het vaderschap te ontlopen en te blijven funnen? Ik noem ze slappe zakken.

Er is iets flink misgegaan tussen de seksen van onze generatie, de afgelopen drie, vier decennia. Als dochters van de d’Ancona’s en Dresselhuysjes is ons altijd voorgehouden dat die kinderen ‘later’ vanzelf wel kwamen. Wij gingen studeren om onze onafhankelijkheid veilig te stellen, want ‘een slimme meid is op haar toekomst voorbereid’. Met deze maatschappelijke boodschap werden wij de grotemensenwereld in gestuurd, een doos Marvelon in de rugzak. Bij een onverhoopte zwangerschap werd ons de abortuskliniek geadviseerd, want eerst moest die arbeidsmarkt worden veroverd. Dan zou geheid een prins van zijn paard springen om ons te bevruchten. Tegen die tijd ook zou onze man zich tevens een zorgzame vader tonen. Het is nu ‘later’. Dat ons indertijd een feministensprookje werd verteld, is ons vrouwen de afgelopen jaren steeds duidelijker geworden. Nu wij dat voorname baantje binnen hebben, is het eenvoudige mannetje-huisje-kindje verworden tot een ingewikkeld en langdurig (onderhande-lings)project.


Zes jaar geleden was ik nog niet bekend met het fenomeen slappe zak. Ik was dertig en dacht dat ik een domme doos was – om in mannenterminologie te blijven. Ik dacht (zoals een vrouw altijd eerst denkt): het ligt aan mij. Ik zocht niet goed of niet lang genoeg, want uitgerekend in mannen die zich moeilijk lieten binden, zag ik de ideale vader van mijn kinderen. Zoals daar was de geduldige, invoelende beeldhouwer, zowel thuis als in de natuur, zowel in de gereedschapskist als achter het fornuis. Dat de kunstenaar meer dan menig ander behoefte had aan introspectie, en dus rust en zijn eigen stulpje nodig had, daar had hij me bijtijds voor gewaarschuwd. Maar ik dacht (zoals een vrouw denkt): hij bedenkt zich wel. Mannen, redeneerde ik, menstrueren nu eenmaal niet en hebben vanwege hun stabiele hormoonhuishouding moeite met verandering – behalve wanneer het vrouwenlijven betreft, dan kan de afwisseling niet groot genoeg zijn (bij mijn beeldhouwer was dit uiteraard louter professionéle interesse).

Zijn weerzin tegen de voortplanting ontdekte ik pas anderhalf jaar later, toen ik hem erop attendeerde dat mijn kinderwens was omgeslagen in een prangende baarmoederjeuk. Ho! Zo klonk hij die eerder kinderen als ‘fascinerend’ had geduid. Zijn intellect was hem toch niet toebedeeld om zich te laten leiden door primaire driften zoals het doorgeven van zijn genen?! Mijn ‘natuurman’ had een hogere scheppingsdrang en de beiden handen vol aan de verantwoordelijkheid voor zijn eigen leven.

Met kramp in de eierstokken peilde ik zijn boezemvriend: meende de beeldhouwer wat hij zei? Uit het antwoord kon ik niets anders concluderen dan dat deze weerzin tegen alles wat naar het gezinsleven rook mijn mannelijke kennissenkring typeerde. Er bestond een gentlemen’s agreement, verkondigde de boezemvriend met twinkelende ogen. Samen, zo hadden ze afgesproken, zouden ze zich laten steriliseren. Waarom ze als bijna-veertigers de ingreep nog niet hadden ondergaan, daar had hij niet echt een antwoord op. Grootspraak, oordeelde de vriendin met wie hij tien jaar latte, over hun zogenoemde ‘stil verbond tegen de broedmachines’. Eerst zien en dan geloven, zei ze, over het voornemen van haar macho afstand te doen van zijn mannelijkheid. Mijn beeldhouwer was geen macho. Op een donkere dag liet hij zijn zaadleider doorknippen toen zijn boezemvriend (weer) in een depressie zat omdat zijn vriendin van 41 (weer) zwanger bleek en (deze keer) de vrucht weigerde te aborteren. Hoewel ‘de boezemvriend’ niet voor maar tijdens het zingen de kerk was uitgegaan, was hij erin geluisd. Hoewel hij wist dat zij moeder wilde worden, wist zij toch dat hij ouders ‘lui van het sufste soort’ vond. Dus moest zij maar zien hoe ze ‘het’ groot kreeg. Geen haar op zijn gesjeesde-psychologiestudentenhoofd peinsde erover zijn leven te laten dicteren door zo’n egocentrisch wezen.


Ik kuste de beeldhouwer gedag, gaf zijn boezemvriend een schop en liep prompt de volgende slappe zak tegen het lijf. Dit type beperkte zijn aanwezigheid allerminst tot mijn ‘vriendenkring’. Het bleek ook in groten getale aanwezig in mijn werkomgeving. Journalist F., om eens iemand te noemen, die voortdurend over zijn schouder bleef kijken en maar niet wilde hokken met de Scandinavische schone die zeven jaar eerder voor hem naar Nederland was gekomen. En freelancer R. Die deed er járen over om zijn vriendin ‘mijn vriendin’ te noemen, maar toen hij door haar opzwellende buik begreep dat er geen weg terug was, rekende hij zich ineens rijk. Op veilige afstand van het kraambed richtte hij een website voor vaders op, en hij voert nu (onder het mom van papaworkshops) met overheidssubsidie een offensief tegen ‘de moedermaffia’. Dan mijn collega-redacteuren A., E., G. en J., steevast proostend op hun bewegingsvrijheid en zich in hun dagelijkse roes niet meer bewust van de contradictie in hun eenstemmige opvatting dat kinderen ‘de grootste bedreiging’ van hun zorgeloze leventje vormden en het ‘een egocentrische vrouwenwens’ betrof.

Mijn laatste verkering, met De Jong, leek vruchtbaar. Hij zag in mij een moeder, al had hij meerdere argumenten om geen vader te willen worden. Kinderen associeerde hij met ADHD én met de verkeerde vriendjes én met zowel geld- als tijdverspilling. De enige reden waarom hij ‘eventueel overstag zou gaan’, was om mij te plezieren. Maar ik moest niet verwachten dat hij als een lulletje achter een kinderwagen ging lopen, minder zou gaan werken en met mij en ‘dat kind’ onder één dak zou gaan wonen. (Alleen al met een vrouw was dat de reinste karaktermoord, had een eerdere ervaring hem geleerd.) Ik dacht nu: ach, als de baby er eenmaal is, ziet hij vanzelf wel in dat samenwonen praktischer is. Maar hoe de buit binnen te halen als uitgerekend rond de eisprong de impotentie toeslaat? Dat ‘eventueel overstag gaan’ heeft mij drie vruchtbare jaren gekost. Noem me een domme doos, maar was er een alternatief?


Accountmanager Inez: “De mijne vindt kinderen particulier vrouwengezeik.” Stiliste Else: “De mijne spreekt over horRORmonen.” Pedagoge Diana: “Die mannen ontkennen het oerinstinct.” IT’er Mirjam: “Een beetje vent gunt zijn vriendin een baby.” Kok Femke: “Ga anders geen relatie met ons aan.”

Ik wist dus inmiddels: de slappe zak is overal.

Natuurlijk kennen wij hem ook, de papa met zijn vertederende blik aan de rand van de zandbak, die nu in gedachten de revue passeert. Maar zelfs dit plaatje oogt fraaier dan de werkelijkheid die erachter schuilgaat. Ter plekke kan hij tegenover dat leuke (bam)moedertje naast hem wel beweren dat kleine Julia het beste is dat hem ooit is overkomen (het werkwoord zegt het al), maar als het aan hem had gelegen, was zijn hartediefje nooit geboren.

Afgezien van een enkele stoere bink is het de vrouw die het onderwerp ‘kinderen’ op de relationele agenda zet, zo blijkt ook uit onderzoek. Vervolgens vereist de gewenste bevruchting doorgaans zeven (!) jaar van haar geduld omdat de man zich standaard beroept op ‘de voorwaarde van een stabiele relatie’. En dat lijkt misschien te getuigen van een enorm mannelijk verantwoordelijkheidsgevoel, maar het is een lul-excuus. In de praktijk gaat het steevast zo. Zij: “Liefje, ik wil een kind.” Hij, terugdeinzend: “Daar overval je me mee, schat.” Zij, twee maanden later: “Ik wil echt dolgraag moeder worden.” Hij: “Daar moet ik over nadenken.” Zij: “Maar de klok tikt.” Hij: “Zet me niet zo onder druk.” Zij: “Ik zeg het gewoon.” Hij: “En ík zeg toch dat ik erover nadenk!” Zij: “Ik heb het gevoel dat je mijn verlangen niet serieus neemt.” Hij: “Zeur niet zo, trut! Ben je weer ongesteld?” Zij: “Zak!” Dit gesteggel keert terug, loopt op en eindigt met zijn woorden: “Met al deze ruzies begin ik zéker niet aan kinderen.” De kans bestaat dat hij, net zoals mijn ex De Jong, op een dag in allerijl zijn biezen pakt omdat hij ‘in een project zit’ dat het zijne niet is. Wordt het pleit uiteindelijk toch in het voordeel van de vrouw beslecht, is de baby ‘haar ding’ en luidt het antwoord op moeders vraag om even met Julia naar de speeltuin te gaan: “Jíj wilde toch een kind?!”


In de tijd dat de d’Ancona’s en Dresselhuysjes nog vruchtbaar waren, droeg een man zijn vrouw nog over de drempel, en kwam hij zonder morren zijn huwelijkse plichten na. Wat is er sindsdien met onze ‘kerel’ gebeurd? Dat vragen wij vrouwen ons af. Uiteraard, wij vrouwen zijn van nature altijd meer op binding gericht geweest dan mannen omdat wij hun spierballen nodig hadden om een veilig nest te bouwen en ons kroost een herteboutje te kunnen voeren. Mannen, geschapen met het jagersinstinct, willen na de opwindende boslucht te hebben geroken hun vrijheid niet meer kwijt.

Dat is een gegeven waar zij ons maar al te graag op attenderen. Paradoxaal genoeg is onze oerman wat het verspreiden van zijn zaad aangaat wel ver van de natuur afgedreven. Daar waar zijn vader het bezwangeren van zijn ‘prooi’ nog zag als een trots bewijs van zijn vruchtbaarheid, is zijn zoon trots op het aantal ‘prooien’ en bewijst een kind hem enkel last.

Sla er ook maar eens een boekje van een auteur uit deze generatie mannen op na. “Het kind,” zo schrijft Henk Hanssen in Babymanagement, “is een product waar alles om draait. Met als input aandacht en geld, en met als het rendement…?” Juist. Vraagteken. Kennelijk ziet de man zijn opportunistische persoonlijkheid niet graag weerspiegeld in zijn nageslacht. Kennelijk wil de ene man de andere vooral waarschuwen om Het Grote Gevaar te mijden. “Begin er niet aan,” schreeuwt de bestsellerauteur die zich Kluun noemt via Help, ik heb mijn vrouw zwanger gemaakt de wereld in. “Tel uw zegeningen en ga door waar u mee bezig was – een gelukkig onbezorgd leven met voldoende slaap en seks!” Juist. Uitroepteken.


Wij vrouwen snappen de mannenhumor niet? Valt daar meer uit op te maken dan dat de kerel van weleer vandaag de dag in de pubertijd is blijven steken? Wanneer we Kaas & de evolutietheorie van filosoof Bas Haring ook nog eens beschouwen, kunnen wij toch echt geen andere conclusie trekken dan dat onze ‘vent’ een kind als een bedreigende concurrent ziet van de zoveelste wip. “Mannen willen alleen seks, geen kinderen,” luidt de opmerkelijke ‘evolutionaire’ gedachtegang van deze eind-dertiger. Uiteraard behoort Haring zelf ook tot het slappe slag dat zich, gottegot, tot in lengte der dagen wil vergewissen dat het de jagerskunsten nog beheerst om daarna voldaan in slaap te vallen. Natuurlijk. Wat let jullie? Als eenzame, oude, sneue krabbelaars kunnen jullie met hulp van een viagraatje alsnog dat kind maken (in een poging om dat jonge ding aan je te binden).

Wij winden ons inderdaad op, ja. Natuurlijk! Onze klok tikt door. Maar denk vooral niet dat wij lijden aan penisnijd. Dankzij onze baarmoeder weten wij allang wat jullie (de oudsten onder jullie lopen al tegen de vijftig) onderhand toch ook zouden moeten weten. Namelijk dat de verpakking anders kan zijn, maar dat het snoepje ongeveer hetzelfde smaakt. Nou dan! Is het niet de hoogste tijd om een nieuwe fase en de echte diepte in te gaan? Anders doen jullie niet alleen ons, maar ook jezelf te kort. Want kinderen, lieve mega-ego’s, doen een beroep op vermogens die anders onder jullie bureau blijven. Kinderen zorgen voor emotionele verdieping van jullie competitieve aard. Kinderen, beste oplossingsgerichte vrienden, zijn ook een investering voor de oude dag, want kinderen en niet langer de welvaartsstaat verzorgen jullie straks tot in het graf. En tot slot, waarde tobbers, kinderen relativeren op de depressieve dagen waarover jullie mannen je veelvuldig beklagen.


Serieuze evolutiebiologen stellen dat de mens, dus ook de man, een ingebouwde drang kent om zijn genen door te geven, maar nooit eerder liep de ‘kinderstrijd’ zo hoog op. Waardoor is onze ‘kerel’ zo ver van de natuur afgedreven? Dat de voortplanting ondergeschikt is geraakt aan het orgasme mag duidelijk zijn. Maar dat verklaart de hedendaagse weerzin van mannen tegen kinderen niet. Dat geldt evenmin voor de opvatting van bioloog Midas Dekkers (ook geen kinderfan), die stelt dat er voor een man maar één reden is om kinderen te krijgen: “De voortplanting is goed voor de soort.” In dat geval namelijk waren onze mannen er eens flink tegenaan gegaan. Want Nederland ‘verdomt’ omdat lageropgeleiden meer kinderen krijgen dan hogeropgeleiden. Nederland ‘verkleurt’ omdat er meer allochtone dan autochtone kinderen bij komen. En krijgt om diezelfde reden een islamitische signatuur. Nederland krimpt omdat het geboortecijfer (met 1,7 kind) is gedaald tot onder het niveau om de bevolking in stand te houden. En Nederland vergrijst. Maar nee! Het zal ‘onze vent’ een zorg zijn wie straks zijn prostaatoperatie uitvoert en betaalt. Hij is losgeraakt van het gemeenschapsdenken. Hij levert hooguit een financiële bijdrage aan de maatschappij door de aanschaf van zijn technische speelgoed, want ‘onze vent’ lijdt aan het Peter Pan-syndroom. En dit jongetje dat niet wil opgroeien, wil zeker niet opvoeden.

Dat mannen geboren in de jaren zestig en zeventig weigeren ouder te worden in de zin van vader, maar eveneens qua geestelijke leeftijd, is ook bekend bij hoogleraar Sociale Demografie Jan Latten, gezinssocioloog Kees de Hoog, hoogleraar Sociale Wetenschappen Christien Brinkgreve, seksuoloog Rik van Lunsen en zijn collega Hans Peter Gramberg (werkzaam voor onder andere de spermabank). Daar waar zijn vader door het huwelijk in een klap volwassen werd, gedraagt zoonlief zich nog steeds als een puber. Hij leeft in het nu, mijdt verantwoordelijkheid en zoekt de maximale vrijheid, want wat let hem? Seks staat niet meer voor trouwen, kinderen zijn een keuze, en aangezien het hem aan een baarmoeder ontbreekt, is zijn weg naar volwassenheid een oneindig traject geworden.


Dat blijkt ook uit cijfers en het straatbeeld. De oprukkende opa-vader is niet meer alleen de vijftigplusser aan de tweede, maar steeds vaker ook aan de eerste leg. Toegegeven: het uitstellen van kinderen is een maatschappelijk verschijnsel waarin wij werkende vrouwen ook een aandeel(tje) hebben (zoals eerder gezegd wachten wij op hem), maar ons eierwekkertje loopt zo rond de veertig af, en uitstel leidt bij hem veel vaker dan bij vrouwen tot afstel. Lang leve de lol is zijn adagium.

Als product van ouders die de autoriteit en traditie in de ban deden, bindt hij zich niet langer aan een baas, vrouw of vereniging. Hij rijdt zoals de boezemvriend van de beeldhouwer met zijn makkers op identieke rode Ducati’s (motor, in damestaal) om ergens een pandje op te kopen, en zoekt samen met hen boven de wolken in hun eigen Socata (vliegtuig) hun absolute geluk. De eigen ‘ik’ is heel belangrijk, ook in zijn oppervlakkige relaties. Een keer slikken is er niet meer bij. Hij wil de lusten, niet de lasten. Bij gezeik zoekt hij een ander. Makkelijk zat, want (bekijk alleen al eens de datingsites) de vijver waaruit hij kan vissen zit overvol. Juist ja, met ons, baargrage vrouwen, die in hem de ideale vader van hun kinderen denken te zien.

Nee, dat is niet dom-dom-dom van ons, weet gezinssocioloog De Hoog. De slappe zak weet namelijk dat hij begeerlijk is als hij zu haben lijkt, dus doet hij alsof hij ons helemaal wil (“Kindje maken?” zegt/mailt hij handenwrijvend), waarop wij in allerijl het bed verschonen, waarin hij slechts instantbevrediging zoekt. Want dat kind bindt, en hij heeft van zijn ouders vooral begrepen dat zelfontplooiing héél belangrijk was.


Dat is dus goed misgegaan tussen de seksen, de afgelopen decennia. De generatie met de zelfontplooiingsmoraal hoog in het vaandel heeft mét de slimme meid een eeuwige puber afgeworpen. In het buitenland bekend als kiddult, want zoals we uit Sex and The City weten, is de slappe zak een internationaal fenomeen. En daar heeft menig knap hoofd zich over gebogen, want door zijn hedonistische gedrag stevenen we af op een opmerkelijke demografische en onwenselijke sociale verandering. Volgens hoogleraar sociale wetenschappen Christien Brinkgreve leidt het vermijden van duurzame relaties tot een emotioneel oppervlakkige samenleving met veel eenzaamheid.

En waarom? Omdat, als we de gedachtengang van de Canadese filosoof Charles Taylor volgen, deze generatie mannen het begrip ‘authenticiteit’ verkeerd heeft geïnterpreteerd. Ze denkt dat binding met de gemeenschap hem belemmert authentiek te zijn, terwijl de mens, dus ook de man, duurzame relaties juist nodig heeft om zijn ‘ware ik’ te ontdekken. Die misvatting leidt volgens Taylor tot ontkenning van de menselijke natuur oftewel het meisje-huisje-kindje (en eindigt in een eindeloze zoektocht in een bodemloze put).

Dat de slappe zak niet alleen ons vrouwen, zichzelf, maar ook de maatschappij te kort doet, is inmiddels klaar als een klontje. Maar is het niet wonderlijk dat uitgerekend hij (en niet wij) de ouderlijke boodschap wel heel egocentrisch heeft opgevat? Nou nee. Allerminst. De uitdrukking ‘hoe groter de man, hoe groter het kind’ is niet uit de lucht komen vallen. De man is in de aard een ‘schijtlijster’, zoals seksuoloog Rik van Lunsen hen betitelt. Hij wil controle houden over de situatie en grijpt elke gelegenheid aan om onzekerheden te vermijden. En kinderen… zijn eng!


Daar waar zijn vader nog kon dealen met zijn kroost omdat hij ‘s ochtends de deur dichttrok en zich na het avondeten schuilhield achter zijn krant, vreest zoonlief voor zijn onbekommerde leventje. Want tegenwoordig wordt er meer van hem verwacht dan het aansnijden van het vlees op zondag. Hij wordt geacht een werkdag te verruilen voor een ‘papadag’. En zorg voor kinderen maakt hem allerminst gelukkig, blijkt uit een recent proefschrift. Dus gooit hij zijn kont tegen de krib. Mannen van wie een aandeel in de opvoeding wordt verwacht, zo weet demograaf Jan Latten, stellen kinderen bijna tweemaal zo vaak uit als mannen met een vrouw die voor de kinderen zorgt.

Leve de 21ste eeuw! Jullie verwachten dat je salaris niet langer in onze klerenkast verdwijnt, dat wij in gezelschap van collega’s intelligent mee discussiëren en dat wij jullie eeuwig en altijd begrijpen. Jullie verwachten (al sinds ons zestiende) dat wij chemische rommel slikken om jullie voor nageslacht te behoeden, en terwijl jullie alleen nog in de spiegel je zaakje kunnen ontwaren, moeten wij er strak uit blijven zien in de lingeriesetjes die jullie ons op verjaardagen overhandigen (waarvan de bh altijd te groot blijkt en de slip te klein, maar deze mannenfantasie terzijde). Natuurlijk! Wij vrouwen, geschapen om te baren, zijn geestelijk het sterkere geslacht, wij kunnen ons op meerdere dingen tegelijk concentreren, maar helaas hebben wij slechts twee handen. En wat blijkt als we ook maar een luttele opvoedkundige hand- en spandienst van jullie vragen? Dan slaan acuut de mannelijke depressie en bevruchtingsangst toe.

Ach, what’s new? De zorgvader is nog steeds een zeldzaamheid (amper vijf procent!), weten wij uit de talloze noodberichten in de media. Daar veranderen de steeds bredere en stoerdere banden onder de nieuwste buggy niets aan. En wij vrouwen weten inmiddels hoe het mannelijk mechanisme werkt. Hoe harder we aan ze trekken, hoe dieper zij hun hakken in het zand zetten. Met als eindresultaat…? Dat een kwart van de mannelijke dertigers en veertigers binnen tien, twintig jaar een alleenstaand leven leidt en wij vrouwen het hooguit tot bam-mam hebben geschopt. (Nu mogen we blij zijn dat wij singles tegenwoordig ook op de spermabank kunnen rekenen, maar een kind wil liever een zondagspapa dan geen papa, toch? Anders wij wel.)


Maar hoe dit tij te keren? Tja… Het lijkt erop dat ons niets anders rest dan de hand in eigen boezem te steken. Misschien is dit het moment om te erkennen dat wij vrouwen tijdens onze carrièregang ook enigszins van de natuur zijn afgedreven. Door ons geloof in het feministensprookje zijn we vergeten dat jullie mannen in wezen heel kleine jongetjes zijn, die geknuffeld, vertroeteld en verwend moeten worden voordat we iets van jullie gedaan krijgen. Dat wanneer het kinderen betreft, wij jullie alle verantwoordelijkheid uit handen moeten nemen. Omdat de oerman en de zorgvader niet te verenigen zijn. Dit inzicht drong in 2003 al door tot onze Amerikaanse Sex and the City-generatie via de bestseller The Proper Care and Feeding of Husbands van het belegen relatiefenomeen Laura Schlessinger. Willen vrouwen voorkomen dat mannen weglopen, dan moeten ze lief en sexy zijn en zich vooral zorgzaam tonen. Zo luidt haar devies.

Dit parool komt op ons feministendochters in eerste instantie uiteraard wat pornografisch over, maar de d’Ancona’s en Dresselhuysjes hebben ons ook niet bepaald relationele voorspoed gebracht. En is er een alternatief willen we voor de naderende overgang nog beet hebben? Wanneer wij ons erbij neerleggen dat de zorgvader niet bestaat, bespaart dat ons in elk geval een hoop ergernis, teleurstellingen en negatieve energie.

Zullen we het op een akkoordje gooien, jongens? Wat ons betreft gaan we terug in de tijd en weer ouderwets de taken scheiden. Wij doen de luiers, jullie de vuilniszak met luiers. We zoeken volgens de richtlijnen van De juiste verzorging & voeding van echtgenoten (Dr. Laura is ook uit in Nederland) de vrouwelijke kant in onszelf weer op. We verruilen onze hakken na thuiskomst niet langer voor sloffen, we houden op te zeuren en maken voortaan ook zin in seks op onvruchtbare dagen. Maar dan moeten jullie je ballen tonen, ons zwanger maken en niet bij de eerste kriebel in de piemel voorwaarts gaan. Dat is voor ons beiden winst, jongens. Uiteindelijk zijn jullie ook maar gewoon mensen die (al is het stiekem) naar intimiteit verlangen en anders volgens de wet van de psychologie tegen de muur van eenzaamheid op lopen. Diezelfde natuurwet zorgt er overigens ook voor dat jullie, net als de boezemvriend van de beeldhouwer, (al is het stiekem) een trotse vader zullen zijn.


En jij, De Jong? Geniet nog even nu het nog kan, daar in je eenmansrijkje. Over een paar jaar ben je een van die vijftigers aan de bar die je voorheen ‘losers’ noemde. Dan kijken de meisjes niet meer en duren de kerstdagen wel heel erg lang, want de tafel en stoelen zeggen niks terug. Gelukkig sterft zo’n slappe zak als jij gemiddeld vier jaar eerder dan de ‘getrouwde’ man, dus dat moet een troost zijn, De Jong. Sukkel.

“Na de publicatie van dit stuk ben ik belaagd door kwaaie kerels en bejubeld door vrouwen,” zegt Astrid Theunissen. “Een enkele man bood zich spontaan aan als vader en rende weer weg. Een jaar later was ik zwanger van een zoon.” Hoe dat ging, beschrijft ze in het boek Slappe zakken dat in april 2010 verschijnt bij Thomas Rap.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Astrid Theunissen