Een authentieke windvaan

Nu zijn partij als een raket omhoog schiet in de peilingen, vraagt iedereen voortdurend zijn commentaar. En commentaar geven doet Alexander Pechtold bijzonder graag. Maar heeft hij eigenlijk wel ideeën?

Voor de media belichaamt hij zo ongeveer het ideaal: lang, rimpelloos, plooibaar, charmant en eloquent. Niet voor niets constateerde Zomergasten-presentatrice Margriet van der Linden dat hij waarschijnlijk ‘meer óp televisie is dan ernaar kijkt’. D66-leider Alexander Pechtold (43) is niet alleen mediatalent van formaat; zijn huidige plek, als aanvoerder van een kleine oppositiepartij, verschaft hem het perfecte alibi om onbeperkt zijn gezicht te laten zien en de natie voortdurend in kennis te stellen van, ja, van wat eigenlijk? Wat heeft Pechtold ons de afgelopen jaren in al die kranten- en weekbladinterviews en tijdens al die tv-, radio- en YouTube-optredens proberen duidelijk te maken? Het klinkt sullig, maar wat hij ons vooral heeft laten zien is: zijn inschattingsvermogen. Pechtold is een meester in het ontrafelen, benoemen en doorredeneren van wat er zich afspeelt in het politieke landschap. Of het nu gaat om het gedrag van collega’s, de laatste schermutselingen op het wereldtoneel, populistische onderstromen in de meningsvorming of een kersvers incident in de Tweede Kamer: Pechtold voelt het allemaal feilloos aan en weet het, in klinkende zinnen, haarfijn te typeren en tot hanteerbare proporties te herleiden. Een soort steward.

Met die gave alleen al scoort hij veel punten in de Haagse arena. Te midden van ‘concurrenten’ als Mariëtte Hamer (vlak), Femke Halsema (verongelijkt), Mark Rutte (studentikoos), Agnes Kant (bozig).

Pieter van Geel (onzichtbaar) en Arie Slob (wie is dat?) is Pechtold een wonder van evenwicht, originaliteit en ontspannenheid. Volgens een naaste medewerker uit zijn kortstondige ministerstijd in Balkenende-II is Pechtold een ‘natuurtalent’, en heeft zijn loopbaan als veilingmeester zijn intuïtie over hoe adequaat te reageren op zalen en individuen verder aangescherpt. Pechtold schijnt aan een paar sleutelwoorden genoeg te hebben om een willekeurig publiek drie kwartier lang in zijn greep te houden. Hoewel kwalificaties als de ‘Nederlandse Obama’ misschien wat overdreven lijken, beaamt campagnestrateeg en publiciste Kirsten Verdel (30) – die als staflid volop meedraaide in de Obama-trein – dat er duidelijke overeenkomsten zijn. “Ze zijn beiden goed in staat om kiezers emotioneel aan te spreken. Veel politici mikken op het verstand en komen niet verder dan argumenten voor of tegen een bepaald standpunt. Als je daar de zogenaamde ‘demagogen’ tegenover zet, die vooral op het gevoel spelen, zitten Obama en Pechtold in het midden. Ze zijn inhoudelijk gemotiveerd, maar weten de gevoelige snaar te raken bij een groot publiek.”


Eén ding lijkt zeker: Pechtold weet zelf ook donders goed dat hij die gevoelige snaar weet te raken. Hij zegt zelden ‘nee’ en de journalisten lusten er ook wel pap van. Laatst nog, tijdens een parlementair bezoek aan Suriname, was het een gnante vertoning: terwijl zijn collega-fractievoorzitters regelmatig ongestoord rondliepen, dromde de journalistenschare permanent rond Pechtold, de nieuwe ‘rockster’ van de Nederlandse politiek. Niet gehinderd door een bemoeizuchtig partijapparaat is hij het voorlopige eindstation van de personalisering van de politiek. Staat hij op en vindt hij dat er te scoren is door Geert Wilders een racist te noemen? Dan roept hij in zowat in dezelfde ademstoot: “Wilders is een racist.” Heeft hij trek in het afkammen van Bos, het ridiculiseren van het kabinetsbeleid of het sneren richting SP? Hij stilt zijn trek diezelfde dag nog en fileert zijn tegenstanders terstond. Een paar weken nadat hij in 2005 aantrad als minister van Bestuurlijke Vernieuwing verkondigde Pechtold, dwars tegen het kabinetsstandpunt in, dat softdrugs gelegaliseerd moesten worden. Hijzelf noemt deze eigenschap geen verbale incontinentie, maar steevast ‘authenticiteit’. En hij is er maar wat trots op. “Een politicus heeft in essentie maar twee dingen nodig, authenticiteit en een inhoudelijke agenda,” verkondigde hij onlangs luchtigjes in Buitenhof.

Veilingmeester of politicus, volgens publicist en filosoof Dick Pels (61), mede-oprichter van Waterland (een progressieve denktank), is Pechtold ongekend efficiënt bij het pakken van de ruimte die anderen laten liggen. “Links zit momenteel in een leiderschapscrisis. Bos zit met zijn hoofd bij de staatskas, Hamer is een verlengstuk van het partijapparaat en Halsema en Kant lijken bezig met een achterhoedegevecht. Heel progressief Nederland hunkert naar een krachtige stem tegenover Wilders. Pechtold verzorgt die. En brengt het met verve.” Campagnestrateeg Verdel sluit daarbij aan. “Veel PvdA’ers willen fermere standpunten van de partij zien. Op hen oefent Pechtold veel aantrekkingskracht uit. In zijn huidige rol kan hij uitgesproken zijn, en dat voordeel buit hij maximaal uit.” Volgens Pels is Pechtold communicatief sterk, juist omdat hij weinig ankerpunten heeft en steeds ‘met het debat mee buigt’. Je zou zoiets windvaangedrag kunnen noemen, maar Pels vindt hem een ‘eclectisch denker’.


Vult Alexander Pechtold nu de spreekwoordelijke ‘leegte op links’? Of is hij er het product van? Pels houdt van ‘bohémien-achtig leiderschap’ en vindt het geen bezwaar dat de fractievoorzitter van D66 veel meer in steekwoorden denkt dan in concrete maatregelen. Barack Obama heeft immers ook een natie verleid met steekwoorden als Hope en Change. “Pechtold staat voor modernisering, voor groen, voor een soepeler arbeidsmarkt, voor meer openheid en, niet te vergeten, voor Europa. Inderdaad! Hij is daarin de absolute tegenpool van Wilders. Dat is geen toeval. Dat is berekening.” Gijs Weenink (40), mediatrainer en directeur van de DebatAcademie, onderschrijft Pels’ analyse. “Pechtold heeft maar één belang: zichtbaar zijn in het debat! Dus zit hij constant in de slipstream van Wilders, maar dan met tegenoverliggende standpunten. Dat doet hij meesterlijk.”

De bewieroking van zijn reactievermogen mag dan vrijwel unaniem zijn, hoe zit het met Pechtolds initiërend talent? Met welke ideeën, plannen en vergezichten gaat hij ons land verblijden? In de lege studio van Zomergasten – waar doodse stilte heerst en hij ruim baan krijgt om zichzelf als persoon en politicus van de broodnodige inhoud te voorzien – maakt het kijkerspubliek ineens kennis met een heel andere D66-leider. Wat hij tot dan toe heeft geëtaleerd aan scherpte, timing en flamboyantheid, komt abrupt tot stilstand. Bij afwezigheid van politieke tegenstanders en het dagelijks gedruis van het meningencircus, wordt het plotseling opvallend stil. Daar zit hij dan, de man die het allemaal in de smiezen heeft, die feilloos de pin weet te trekken uit de paniekzaaierij van de PVV, die de toestand van het land steeds bondig weet samen te vatten – maar wat heeft hij te zeggen als het over hemzelf gaat: Alexander Pechtold? Welk leven is er aan zijn politieke carrière voorafgegaan? Was dat wel een leven? Of moet je de krasjes op zijn ziel er zelf bij verzinnen? Hij ‘opent’ de avond met een Toppop-hitje uit 1980 (‘jeugdsentiment’), wil later een fragment van Jules Deelder zien (‘ik houd van die Rotterdamse directheid’) en grijpt vervolgens, wanhopig bijna, het Indische oorlogsverleden van zijn vader aan om de avond nog wat gewicht te geven. Eén ding wordt schrijnend duidelijk: Alexandertje is een vat vol magere clichés. Als zondagskind is hij niet alleen probleemloos maar ook vrij kleurloos door de rangen gewandeld. Tv-recensent Bert Brussen constateert een dag na de uitzending ‘een teflonhuid’ waar kritiek ‘als een lauwe eierdooier van afglijdt’.


En de Inhoud? De Visie? Die geeft Pechtold, indien aanwezig, nog niet prijs. Als getalenteerd observator wil hij zo lang mogelijk buiten het speelveld blijven. Commentaar geven, niet meeballen. “Ik houd mijn kaarten tegen de borst,” zegt hij deze lente tegen NRC Handelsblad. “We gaan niet weer de fout uit het verleden maken. Wij ons kwetsbaar opstellen, terwijl de anderen hun goddelijke eigen gang gaan en wij het slachtoffer worden. Wij de ambities formuleren en de rest laat het bij het oude.” Pels heeft begrip voor deze terughoudendheid. Hij vindt die zelfs te prijzen. “Pechtold heeft de kracht en de uitstraling om aan te sturen op progressieve blokvorming. Ik ben daar voor. Hoe uitgesprokener zijn D66-programma is, hoe moeilijker die bindende rol zal worden. Dus richt hij zijn pijlen op Wilders, en smeedt daarmee eenheid aan de linkerzijde. Dat juich ik toe.”

Weenink van de DebatAcademie is een stuk cynischer. Hij vindt dat Pechtold actief wegloopt voor de zaken waarvoor hij zou moeten staan. “Wat is de waarheid? Zaken als de gekozen burgemeester en het referendum zijn niet meer in trek bij kiezers. Er valt voor Pechtold niets mee te winnen. Dus wat doet hij? Hij moffelt ze weg. Terwijl democratische hervormingen nog niet zo lang geleden de raison d’tre waren van D66!” Zelfs Pels raakt in verwarring als de staatshervormingen ter sprake komen. “Is hij een nieuwe regent? Of wil hij de democratie een ander gezicht geven? Ik weet het ook niet meer. Soms houdt hij een passievol betoog over een democratie die vastgelopen is. Andere keren tapt hij uit een heel ander vaatje. Praat hij luchtig over de kroonjuwelen van D66, die zogenaamd ‘niet meer in de etalage staan, maar uit voorraad leverbaar zijn.'” Als minister van Bestuurlijke Vernieuwing schopte hij in ieder geval geen deuk in een pak boter, vindt ook Pels. “Die Nationale Conventie van hem (het adviescollege dat had moeten helpen de kloof tussen burger en politiek te verkleinen – red.) is een complete mislukking geworden. Als ergens een rapport in een onderste la is beland, was het daar wel. Hoezo facelift voor de democratie?”


Maar Pechtold zou Pechtold niet zijn als hij zijn zwakke plek niet zelf herkent. Onlangs nog zwoer hij bij verkiezingswinst in de Tweede Kamer te blijven. ‘In je kracht blijven zitten’ heet dat tegenwoordig, en Pechtold belooft dat plechtig te gaan doen. Hij koppelt een hoogdravende missie (‘ik wil het land bevrijden van de angst’) aan een strikt persoonlijke ambitie (‘ik wil onvoorspelbaar blijven’), en daarin herkennen we de romanticus, de kunstliefhebber, die de verveling voor probeert te blijven en pas aangename spanning voelt als hij het onverenigbare verenigt.

En dan zitten we midden in een andere reden van zijn populariteit: zijn eigentijdse narcisme. Ofwel: in de media verkondigen dat de media bol staan van de hypes, en er zelf ondertussen een schepje bovenop doen. Want wie strooit er aan de lopende band met gimmicks? Wie grossiert er onophoudelijk in oneliners? Wie laat zich met zijn jasje nonchalant over zijn schouder voor de boekenkast fotograferen? Juist, Pechtold zelf! Als je recentelijk de eenmalige personalitybladen een beetje hebt gevolgd – de Dinand, de Ruud, de Matthijs – weet je dat niets anno 2009 zo cool is als dat je in je eigen blad met je eigen voornaam knalgroot op de voorkant verkondigt dat alle publiciteit je gestolen kan worden. En je gevoel van eigenwaarde niet afhangt van een succes zus of een interview zo. Ook Pechtold is bedreven in deze Houdini-act. Zijn klacht over vervlakking en vervluchtiging in de politiek klinkt als Albert Verlinde die jammert over het roddelcircuit. Hoogopgeleide jongeren herkennen zich overigens massaal in deze hybride houding. Op Twitter twitteren dat je ‘twexit’ gaat (stopt met twitteren) is cool. Op Facebook melden dat je je een paar dagen terugtrekt in het bos is een garantie voor adhesie en bewondering.


Volgens de klassieke wetten van het debat bevindt Pechtold zich echter op glad ijs, vindt Weenink. “In zijn succes schuilt een enorme paradox. Hij mag zich dan voortdurend afzetten tegen de bangige sfeer die Wilders in het land zou creëren, zodra de situatie ontspant, normaliseert, zal de aantrekkingskracht van Pechtold snel afnemen. Dus doet hij z’n best die sfeer zo veel mogelijk te benadrukken en, als die afzwakt, stevig op de agenda te houden. Kortom, hij hypet zijn verzet tegen de hype. Want van zijn bijzondere ideeën moet hij het niet hebben.”

In het Haagse wordt Pechtold intussen door lang niet iedereen meer serieus genomen. De media, oké, die zijn zijn speeltuin. Maar het is een publiek geheim dat Pechtold tijdens zijn kortstondige ministerschap amper te sturen was, zijn eigen glazen ingooide. Zodra hij zich buiten het regime van zijn voorlichters en assistenten bewoog, sprong hij alle kanten op. Schoolvoorbeeld: het interview met Opzij-hoofdredactrice Cisca Dresselhuys, begin 2006, toen hij als minister bij het zoveelste kopje koffie onthulde dat hij de Haagse mores maar ‘vies en vunzig’ vond. Over de sfeer in de ministerraad: “We zijn vreselijker dan wie dan ook. Achter elkaars rug om.”

Conclusie? Ondanks de schier ongelooflijke peilingen voor D66 (variërend van 18 tot 25 zetels) heeft Pechtold zich publiekelijk vastgelegd op een langer verblijf in de Kamer, en hoeven we niet bang te zijn voor premier Pechtold. In zijn comfort zone van veilingmeester, van geliefde commentator van politieke bewegingen en schermutselingen, zal hij nog lange tijd zijn mannetje staan. Tenzij, ja tenzij dankzij zijn groeiende populariteit ook die belofte vloeibaar wordt, hij tóch weer gaat twijfelen en ons na de verkiezingen verrast door, ongetwijfeld ‘in het landsbelang’, het tegenovergestelde te doen van wat hij beloofde. Het zou niet de eerste keer zijn. En Pechtold bezit de zeldzame gladheid om ermee weg te komen.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Hans van Willigenburg