KOM ERAAAAAAF!!!!

Precies een halve eeuw geleden schreef Peter Koelewijn de allereerste echte meganederrockhit. In zijn geboorteplaats Eindhoven wordt dat met veel lawaai gevierd. ‘Dat nummer is allang niet meer van mij, dat is van het Nederlandse volk. Vergelijk het maar met het Wilhelmus’.

Altijd als Peter Pan Speedrock optreedt, gaat het dak eraf. Alleen ditmaal niet, om de simpele reden dat het dak er nog helemaal niet op zit. De Eindhovense rockband die zoveel motorolie in z’n songs giet, heeft sowieso een makkelijke avond, want eigenlijk hoeven ze maar één nummer te spelen. Maar dat is dan weer niet zómaar een nummer…

We hebben ons met een paar honderd nieuwsgierigen verzameld op het plaveisel van de Heezerweg, die door de Eindhovense volkswijk Stratum loopt. Hier, om precies te zijn op nummer 101, werd een halve eeuw geleden rockgeschiedenis geschreven. Letterlijk. De achttienjarige buurtjongen Peter Koelewijn flanste er een liedje in elkaar dat vandaar een enorme vlucht nam en de componist meesleurde op een vijftig jaar lange triomftocht die hem een fortuin zou opleveren. Het lied in kwestie bleek de start van de Nederlandstalige rock-‘n-roll en tevens het eerste gouden ei dat de hitmaker in spe zou uitbroeden. En hoewel Peter Cornelis Koelewijn, van 29 december 1940, in de daaropvolgende jaren nog veel meer spraakmakende nummers uit zijn pen laat vloeien – van het geile Angeline (M’n blonde sexmachine) via het oubollige Een heel gelukkig Kerstfeest en de evergreen Je wordt ouder papa tot zijn compositorische meesterwerk KL 204 (Als ik God was) – is het lied dat hij in 1959 in dat huis aan de Heezerweg maakte, voor altijd het werkstuk waarmee hij in beginsel wordt geassocieerd.

Jan, eh, Jansen z’n vrouw

die was, eh, koorddanseres.

Maar bij gebrek aan een touw

klom ze op het bordes.

Het eten werd koud

en Jan, eh Jansen werd heet.

En in de straat weerklonk z’n kreet:


KOM!

VAN!

DAT!

DAK!

AF!

Liefst viermaal zou Kom van dat dak af worden opgenomen en uitgebracht. Na de oerversie, die in 1960 op vinyl verscheen, kwam er in 1971 voor het eerst een remake. De derde KVDDA, een live-uitvoering, schoot in 1981 de hitparade in, en de voorlopig laatste variant, een rap-editie met MC Miker G & DJ Sven, lag in de zomer van 1989 bij de platenboer. Maar hoe leuk en aardig ook – niet in het minst voor de bankrekening van Koelewijn – die allereerste KVDDA blijft toch de enig echte. Op 18 november 1959 dook het bandje dat Koelewijn in die dagen vormde, niet al te onbescheiden Peter en zijn Rockets genaamd, de studio in om de sage van Jan Jansen en zijn koorddansende vrouw voor het eerst te vereeuwigen. “Die studio was in Heemstede, en omdat we geen geld hadden om een busje te huren, zijn we met de trein gegaan,” weet Koelewijn zich anno 2009 te herinneren. “In de trein hebben we het nummer toen ingestudeerd.”

De Peter en zijn Rockets van 2009 heten Peter Pan Speedrock, en die Eindhovenaren zijn derhalve de meest voor de hand liggende keuze om een eerbetoon te brengen aan vijftig jaar KVDDA.

En waar breng je zo’n hommage? Juist, op een dak. Maar Heezerweg 101 heeft een puntdak – en de mannen van PPS zijn zelf te weinig koorddanser om daarop te kunnen balanceren. Daarom is besloten uit te wijken naar de hoek van de Amaryllisstraat, een kleine 25 meter verderop.

Daar, naast een winkel die vitrages en schuimrubber verkoopt, is een steiger geplaatst rond een pand in aanbouw, een ideale locatie om de stunt (“Wel een happening hoor, voor Eindhoven,” zegt de ene omstander tegen de andere) gestalte te geven.


Maar dat is niet zonder gevaar, want de steiger is hoog en het trottoir hard. Grootste zorg in dezen baart Dikke Dennis, de halfnaakte, tonronde bandmascotte uit de Amsterdamse Jordaan, die al een biertje (of zes) op heeft en niet de indruk wekt ooit ambitie te hebben gehad om zijn brood te verdienen als evenwichtskunstenaar. Aan de andere kant: als hij van de steiger lazert, stuitert hij toch wel weer terug.

Terwijl de band middels een soundcheck poogt z’n eigen apparatuur op te blazen en bus 7 naar Aalst-Ekenrooi zich door de aanzwellende menigte wurmt, is het wachten op de Godfather himself, Mister Kom Van Dat Dak Af. Samen met zijn inmiddels bejaarde Rockets, componist/arrangeur Harry van Hoof en een delegatie van het organiserende Eindhovens Dagblad, arriveert hij even na zessen, in een geel busje van Jansen Taxi. De bestelauto van Avrasya Kebab, die van de andere kant de straat in rijdt, komt door de anticiperende, dus over de middenweg uitwaaierende muziekliefhebbers volkomen vast te zitten. Hopelijk heeft men de shoarma en de falafel goed in folie ge- wikkeld, want lauw is die zooi niet te vreten.

Koelewijn blijkt intussen zijn greep op de tijd én zijn geboortestad kwijt te zijn, want hij heeft nog nooit van Peter Pan Speedrock gehoord. “Heeft die jongen het niet koud?” vraagt hij bezorgd, wijzend op Dikke Dennis, op wiens buitenproportionele buik het licht van de bouwlampen weerkaatst. Een zinloze vraag, want het lichaam van Dennis heeft zóveel spek dat vrouwtjesvarkens graag naast hem lopen, omdat ze zich dan lekker slank voelen.

En dan is het zover. ‘De nu populairste band van Eindhoven’, zoals het plaatselijke dagblad PPS omschrijft, wordt gevraagd het bekendste intro uit de Nederlandse rockhistorie in te zetten. Een taak die Dikke Dennis voor zich opeist. Koelewijn kijkt lachend omhoog, voor hij met zijn eigen woorden om de oren wordt geslagen.


HÉ!

HÉ!!

HÉÉÉ!!!!

De chauffeur van Avrasya Kebab legt zijn telefoon neer. Bellen heeft even geen zin meer.

KOM!

VAN!

DAT!

DAK!

AF!

‘k Waarschuw niet meer!

Nee nee nee nee nee nee van dat dak af!

‘k Waarschuw niet meer!

Kom van dat dak af,

dit was de laatste keer!

Waarna PPS-zanger Peter van Elderen brult over Dikke Dennis, wiens vrouw koorddanseres was en op het bordes klom. Dichterlijke vrijheid die Koelewijn maar heeft te accepteren. Bovendien, wie kent Jan Jansen nog? “Ik ben Jan Jansen,” schreeuwt een omstander. “Kijk maar, hier is mijn paspoort!” Johannes Jansen groeide op in de buurt en blijkt zowaar ook muzikant: hij speelde jaren gitaar in de groep Mac Taple.

KOM ERAAAAAAF!!!!

Dat is Dikke Dennis weer. Einde lied. Peter Koelewijn klapt de kou uit zijn handen. “Ik zeg altijd maar zo: dat nummer is allang niet meer van mij, het is van het Nederlandse volk. Vergelijk het maar met het Wilhelmus, dat is ook van iedereen.” De rest van zijn woorden gaat verloren in een nieuwe bak herrie die vanaf de steiger over het publiek wordt uitgestort.

Dikke Dennis, hij weer, brengt zijn solo-nummer Schoppenaas ten gehore, een bewerking van de Motörhead-klassieker Ace of Spades. Avrasya Kebab wacht het niet af en schiet, zodra hij een gaatje ziet, een zijstraat in.

SCHOP-PEN AAS!

SCHOP-PEN AAS!

SCHOP-PEN AAS!

Nog maar een keer Kom van dat dak af, nu we er toch met z’n allen zijn. Als na afloop daarvan de audio-rookwolken optrekken, verklaart Koelewijn dat hij zich erg heeft vermaakt. “Een leuk bandje.” Kritiek is er ook – op zichzelf, nota bene! “Vorige week kwam ik er eigenlijk pas achter dat ik destijds onzin heb geschreven. Jan Jansen z’n vrouw klom op het bordes… Hoe hoog kan een bordes nou helemaal zijn? Een metertje of vijf? En dat is dan een dak? Maar ja, bordes rijmde op koorddanseres.” Gniffelend, alsof hij weer die achttienjarige jongen is: “Harry van Hoof zei me vandaag: je had er koorddanser-slet van moeten maken, dan had je het kunnen laten rijmen op flat. Maar ja, of dat in 1959 had gekund?”


En dan zit de plichtpleging erop. Miljonair Koelewijn: “Nu vertrekken we met z’n allen naar een restaurant, voor een lekkere maaltijd die we gaan besprenkelen met het nodige alcoholische vocht.” Luidkeels: “Daar zoeken we nog een sponsor voor!”

Op dat moment wijkt de menigte uiteen – en tien tegen één dat iedereen hetzelfde denkt.

Koelewijn, je kan het dak op!

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Michiel Blijboom, foto's Herman Wouters