Uit het leven van Don Diks@U:Frans van Deijl

29. Waarin Don Diks, redacteur Speciale Projecten van het landelijke dagblad De Tribune, in de smaak valt bij uitgever Van Billo, een Docentenagenda cadeau krijgt en een oude bekende tegenkomt.

Uitgever Tristan van Billo oogde aanmerkelijk jeugdiger dan de beeltenis die Don Diks kende uit de kranten. Hij sprak de redacteuren toe, midden op zaal, en al was zijn stem niet zo krachtig, er ontging niemand een woord. In nog geen kwartier tijd bevestigde hij het nieuws dat het personeel een dag eerder in de café Strasbourg te horen had gekregen: De Tribune moest tien miljoen bezuinigen, en de gevreesde Chris Noordijk stond klaar om Dieter Corstjens als hoofdredacteur op te volgen. Alleen over de nieuwe koers bleef Van Billo op de vlakte, waaruit Don Diks afleidde dat dat nu kennelijk niet de hoogste prioriteit verdiende. De vragen die vervolgens op Van Billo af werden gevuurd waren pittig, maar ze leken hem nauwelijks te deren.

“En als wij er nou eens níet mee akkoord gaan?” vroeg misdaadverslaggever Bart Vugts ten slotte.

“Dan eh, ontstaat er een nieuwe situatie,” antwoordde Van Billo, met een verwrongen uitdrukking op zijn gladgeschoren, glimmende gezicht. De stilte die volgde was voldoende om die woorden te herkauwen en er de meest voor de hand liggende conclusie uit te trekken: dan retireerde Van Billo, en dat betekende het einde van De Tribune.

“Over de benoeming van een hoofdredacteur,” probeerde Vugts nog, “zegt het redactiestatuut…”, maar Van Billo viel hem venijnig in de rede: “Met dat ding veeg ik mijn achterste af.”

Er trok een siddering door het gezelschap, waarna een salvo van verontwaardiging losbarstte. Dit kon Van Billo niet maken, vond de een; er sprak een koloniaal aandoend dedain uit voor wat tal van vorige generaties hadden bevochten, zei de ander. Don Diks overzag de situatie en hield zijn blik gericht op Van Billo, die zijn vingertoppen bewoog alsof er lijm op zat.


“Mensen, luister,” riep de uitgever uit, “die laatste opmerking neem ik terug… Echt, sorry, neem me niet kwalijk… dit slaat nergens op.”

De jongensachtige glimlach waarvan dit mea culpa vergezeld ging, zag er dermate oprecht uit dat de gemoederen tot bedaren kwamen.

“Jullie hebben je rechten en daaraan zal ik heus niet tornen. Maar het is mijn stellige overtuiging dat redacties te veel zeggenschap hebben gekregen, waardoor er een managementcultuur is ontstaan die ik zou willen kenschetsen als tandeloos. Aldus zijn te veel zaken genegeerd en bitter noodzakelijke veranderingen tegengehouden. We leven in andere tijden, en het water staat De Tribune aan de lippen. Er is geen tijd meer voor oeverloos overleg, voor zaken vooruitschuiven, voor pappen en nathouden. Ik maak het niet erger dan het is, maar het wordt erop of eronder. Dus vraag ik jullie nu heel simpel: doen jullie mee, kan ik op jullie rekenen? Want zonder jullie red ik ook het niet, hoor.”

Er werd naar elkaar gekeken, gemompeld, en Van Billo begreep dat hij vijftig mensen tegelijk in hun nekvel had. “Ik ben geen beul die met een kapmes door de begroting snijdt en zo z’n tien miljoen bij elkaar graait. Help mee. Zeg waar bij jullie de pijn het minst wordt gevoeld. Dat weten jullie zelf het beste, toch? Ik begrijp dat er al een werkgroep is geformeerd, een taskforce die een en ander gaat onderzoeken…”

Het zweet brak Don Diks uit, en een paar handen duwden in zijn rug.

“Ik juich zo’n initiatief van harte toe,” vervolgde Van Billo, en even meende Don dat de uitgever hem zocht, herkende en toeknikte.

“Is het een idee om de redactieraad, en misschien kunnen de leden van de taskforce aanschuiven, deze week nog te laten kennismaken met Chris Noordijk, en daarvan verslag uit te laten brengen aan jullie?”


Opnieuw gloeide het van binnen op bij Don, want, dacht hij: de taskforce, c’est moi, en hij zag zichzelf al met zijn collega’s van Speciale Projecten, Bert den Braber en Kick Zuthe, tevens respectievelijk voorzitter en secretaris der redactieraad, messcherpe vragen stellen aan deze Noordijk – een ogenblik spookte het door Don heen dat de gesprekken ‘s avonds gehouden moesten worden, buiten werktijd in elk geval, omdat Noordijk overdag nog elders moest werken, maar dat beeld vervaagde gelukkig snel.

Terwijl Van Billo afrondde en zijn personeel door de naakte waarheid in beteuterde staat achterliet, realiseerde Don zich net op tijd dat hij een afspraak had met Hans Pais, de baas van de postdoctorale opleiding journalistiek van de universiteit, waaraan hij zich voor twee dagen in de week zou verbinden als docent journalistieke vaardigheden. Onder excuses maakte hij zich los van de collega’s, die hem nu met heel wat meer respect leken te bejegenen, en verliet hij het pand.

Onderweg in de tram betrapte Don zichzelf erop dat hij in opperbeste stemming verkeerde. Het was koud en grijs weer, maar in de straten en stegen die hij passeerde, leken allemaal mensen langs de kant te staan die naar hem zwaaiden met vlaggetjes en hun duimen omhoog staken. Ineens zong hij een deuntje van een kerkliedje van vroeger, en maakte hij een praatje met een Indische heer naast hem, die zweeg en slechts grinnikte. Toen hij zijn bestemming had bereikt en uitstapte, wilde hij rennen naar de ingang van het universiteitsgebouw. Maar het lichaam temperde al te frivole bokkesprongen, en bij nader inzien was hij daar blij om, want toen hij bij de deur aankwam, ging er net een groepje studenten naar buiten die al ergens reuze lol over hadden.


De ondertekening van het contract, dat meteen na de kerstvakantie zou ingaan en eindigde op 1 juli waarna tot verlenging kon worden overgegaan, vond plaats op de kamer van directeur Hans Pais. De stemming was feestelijk, en Pais schonk een glaasje champagne in, al zwoer Don dat het appelcider was. Nadat de inkt was opgedroogd, adviseerde Pais hem om binnenkort eens kennis te maken met de collegae en wellicht vast een proeflesje te draaien. Don maakte meteen afspraken.

“Noteer het hier alvast maar in,” sprak Pais, en uit de lade van zijn bureau haalde hij een boekwerkje van aanzienlijke omvang tevoorschijn dat een Docentenagenda bleek te zijn. “Welcome on board,” zei Pais en hij schudde de hand van Don Diks, die slap en drijfnat was.

Toen hij even later de kamer verliet, probeerde hij de agenda in zijn colbertzakje te stoppen, maar dat lukte niet. Terwijl hij de trap naar de aula afdaalde, sprak Don zichzelf in gedachte bemoedigend toe – het was één seizoen, zes maanden, vierentwintig weken, achtenveertig, nee, vierentwintig lesdagen en eigenlijk nog minder, want daar zaten nog allerlei kleine vakanties tussen, dus wat maakte hij zich nou druk? En net toen hem weer te binnen schoot dat zijn entree in het onderwijs samenviel met het einde van de stage van Lousewies Moos bij De Tribune en zij het laatste half jaar van haar studie zou ingaan, liep hij uitgerekend tegen haar aan.

“Hé Don,” gilde ze en vloog hem om z’n nek. “Wat leuk om je te zien… Zullen we wat drinken in de sociëteit? Kom, ik fuif.”

Dat ze dat woord gebruikte, dacht Don nog, want het was meer iets uit zijn tijd, en hij liet zich als verdoofd meeslepen naar het donkere hol van het reeds grommende leeuwinnetje.


Volgende week: waarin Don en Lousewies heel wat met elkaar te bespreken hebben.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

import feuilleton