Verdwaald in de tijd

Al choqueerde hij de burgerij graag met zijn hysterische woordgeweld, diep in hem school een sentimenteel, nostalgisch heertje. Nico Keuning schreef een monografie over Johnny ‘the Selfkicker’ van Doorn.

‘Een mitraillade van klanken schoot uit mijn keel in een moordend tempo,” schreef Johannes van Doorn (1944) alias Johnny the Selfkicker over de eerste keer dat hij in huiselijke kring een gedicht declameerde. Het waren de jaren vijftig. Gebak stond op tafel en de rook van Agio-sigaren hing in de kamer. Het was de era van Chroesjtsjov, de Melkbrigade en Kapitein Rob, toen geluk nog heel gewoon was en seks een vreselijk taboe.

In zijn pas verschenen monografie Oorlog en pap schetst Nico Keuning een paradijselijk beeld van de Arnhemse jeugd van Johnny van Doorn. Met oog voor detail verhaalt hij over de in alcoholdampen gehulde levensgeschiedenis van deze performer-dichter, die met zijn bezeten ‘Kom toch eens klaar klootzak!’ vooral in de jaren zestig furore maakte. Maar de diepere zieleroerselen van de latere Johnny van Doorn uit de jaren zeventig en tachtig blijven helaas enigszins in nevelen gehuld.

De monografie opent met taferelen uit het Arnhemse gezin waarin de dichter-schrijver opgroeide. Johnny wordt in 1944 geboren in Beekbergen, tijdens de evacuatie van de Slag om Arnhem. Zijn vader is een oppassende kantoorbediende die verdienstelijk piano speelt. Zijn Duitse moeder – naar Nederland gekomen om kokkin te worden – schaamt zich voor haar geboorteland. Haar broers vechten voor Hitler; drie lopen er over naar de Russen.

De verhalen van zijn moeder over de oorlog maken grote indruk op hem; hij zal ze later veelvuldig in zijn werk vervlechten. Als schoolkind moet hij een keurig gekleed, ietwat bekakt sprekend ventje (‘Chapeau’ en ‘Ik sta perplex!’) zijn geweest, in zekere zin de perfecte voorafschaduwing van het potsierlijke heerschap dat hij later zal worden. Hij kan uitstekend kunstschaatsen, ravot graag in Park Sonsbeek en is soms ten prooi aan driftaanvallen. Tot zijn veertiende bezoekt hij het Thorbecke Lyceum. Hij scoort hoge cijfers en lijkt prima te gedijen in de brave sfeer van de wederopbouwjaren.


Maar eind jaren vijftig gaat het mis. Hij ruziet met zijn ouders over kleren, muziek en school. Ze gaan met het lastige knaapje naar een psycholoog, die meent dat de puber niet gek maar geniaal is en hun aanraadt hem meer vrijheid te gunnen. Hij krijgt een tweede kans op de lokale hbs. De rector zal hem later karakteriseren als ‘a displaced person’, iemand die iets met literatuur had en goed kon voordragen. In zijn vrije tijd rookt en drinkt Johnny al stevig. Hij beweegt zich in Arnhemse kunstenaarskringen, bewondert de experimentele Vijftigers, Paul van Ostaijen, en bovenal Simon Vinkenoog, want literatuur moet volgens hem crispy zijn.

Terwijl hij flirt met het existentialisme, verkeert hij onder Arnhemse jazzliefhebbers en nozems, leert kunstacademiestudent Jan Cremer in de lokale hangout Hotel Carnegie kennen, en raakt bekend als licht hysterische bard en dorpsgek onder namen als Vaatje Buskruit en Electric Jesus. Zijn grootste wapenfeit is een geruchtmakend optreden boven op een stapel Perzische tapijten bij de V&D aan het Velperplein, waar hij onder begeleiding van onderaards geloei zijn onstuimige verzen ten gehore brengt. Het publiek beschimpt hem. Johnny kiest ijlings het hazenpad.

Zwalkend door Arnhem, gekleed als poète maudit, reciteert hij fragmenten Shakespeare en voert hij een poëtische vuurwerkact op. Hij verlaat voortijdig de hbs en wordt achtereenvolgens ijscoman en assistent van een fotograaf in berenpak in Burger’s Dierenpark. Zijn aanmelding bij de Toneelschool draait uit op een afwijzing. Johnny besluit zich voortaan alleen nog aan de dichtkunst te wijden en verlaat de provincie, op weg naar Amsterdam, waarvan hij vroeger dacht dat het op een berg achter de Veluwe lag.


Hij voelt zich als een vis in het water in de subcultuur van happenings, de Cotton Club, Provo, marihuana, lsd, pleiners en dijkers. In deze biotoop perfectioneert hij zijn ADHD-achtige performance als hij Selfkicker, een explosief mengsel van razernij, woordgeweld en verbale acrobatiek. Soms pompt hij zichzelf zo op dat hij bijna het bewustzijn verliest.

Hij wordt de hofnar en profeet van de Amsterdamse ‘sien’ in de sixties. Ondertussen woont hij in bij rookmagiër Robert Jasper Grootveld, die hem betrekt bij zijn happenings en andere manifestaties, waarbij theater, muziek en dichtkunst een belangrijke rol spelen. De nog maar zeventienjarige Johnny ontpopt zich als exponent en chroniqueur van de tegencultuur, hoewel hij geen ambitie als wereldverbeteraar heeft. Met Provo wenst hij niet veel te maken hebben. Gaandeweg ontstaat er dan ook een verwijdering tussen Grootveld en Van Doorn.

Het is interessant om te zien hoe hij speelt met zijn imago van verdorven dichter à la Rimbaud en Dylan Thomas. Hij experimenteert zogenaamd met allerhande geestverruimende middelen, maar in werkelijkheid moet hij van slikken, snuiven en spuiten niets hebben. Hij schuurt langs de tijdgeest en zal dat altijd blijven doen. Ook zijn verschijning doet anachronistisch aan: een negentiende-eeuws heertje in een Tip de Bruin-pak, geurend naar Lavender- aftershave, verdwaald in de moderne tijd.

Zijn officiële entree in de letteren vormt zijn debuut in het literair tijdschrift Podium in 1963. Maar écht opzien baart hij pas met zijn optreden tijdens het door Simon Vinkenoog georganiseerde dichtersfestival Poëzie in Carré in 1966, waar hij volgens een verslaggever van De Tijd ‘de meest obscene dingen als rotte appels de zaal in’ smijt. Zijn optreden roept bij het publiek vooral afkeer op. NRC Handelsblad zal hem smalend ‘meer een stuntmaker dan een dichter’ noemen.


Zijn woeste uitbarstingen van dadaïstische energie, gecombineerd met een hysterische motoriek en expressieve armgebaren, zijn een novum in het bedaagde dichterswereldje. Hij schreeuwt over seks, drank en drugs en vermeit zich in provocaties en obsceniteiten; toch blijft hij diep in zijn hart een huisbakken mannetje. De tweestrijd tussen de ‘wellustige ploert’ en het ‘potsierlijk heertje’ zal uiteindelijk beslist worden in het voordeel van de laatste.

Wanneer de Bezige Bij zijn eerste bundel, Een nieuwe mongool (1966), publiceert, voelt hij zich officieel erkend als dichter. Maar van meet af aan zal de kritiek hem vooral als het fenomeen ‘the Selfkicker’ bespreken en verzuchten dat men een plaat met zijn stem mist, ‘want de poëtische merites zijn niet bepaald groot’ (Bernlef). Toch wordt hij gewaardeerd, omdat zijn exuberante en hoogromantische geluid aangenaam contrasteert met de ingetogen Nieuwe Zakelijkheid in de poëzie van Verhagen, Sleutelaar en C.B. Vaandrager. Van Doorn zal altijd achtervolgd worden door twijfels. Hij is een orale dichter pur sang, die moeilijk aansluiting vindt bij het officiële literaire circuit, dat altijd afstand tot hem zal bewaren. Of had hij zelf weinig behoefte aan toenadering?

Tegen het eind van de jaren zestig tekent zich een kentering af. Hij wordt beschouwelijker en zoekt ‘de Kosmische Kern van de Natuur’, het hogere en magische. Veel succes oogst hij met het bezwerend gedeclameerde ‘EEN MAGISTRALE STRALENDE ZON’, afkomstig uit de bundel De heilige huichelaar (1968).

Op de lp Eureka, het ei van Columbus (1969), onder regie van Wim de Bie, geeft hij lucht aan zijn gemengde gevoelens over de sixties. Voor het eerst ontpopt Johnny van Doorn zich als entertainer en rasverteller, een man met heimwee naar de ooit zo vermaledijde jaren vijftig. Dit zal zijn geliefde thematiek blijven tot zijn vroege dood.


Een ware ommekeer luidt zijn verhuizing naar Amsterdam-Noord in, waar zich inmiddels een kleine kunstenaarskolonie – met onder anderen Aat Veldhoen, Wim de Bie en Dick Wiarda – heeft gevestigd. In de eenzaamheid van zijn flat, ver van kroeg en theater, ontdekt hij dat schrijven een moeizame bezigheid in afzondering is. Hij is ondertussen gelukkig getrouwd met radiopresentatrice Yvonne Mousset en vader van een moeilijke, eenzelvige zoon.

Zijn isolement wordt doorbroken door Hans Sleutelaar, die hem vraagt voor HP een serie columns te schrijven, autobiografische jeugdherinneringen, die later opgenomen worden in Mijn kleine hersentjes (1972). Dat wordt door de schrijver als een ‘kleine mythologie van de burgerlijke stand’ getypeerd, maar door de critici weggezet als onversneden ‘jeugdsentiment’. Het boekje ademt nostalgie naar het eenvoudige geluk en de deugden van de jaren vijftig.

Van Doorn zal zijn behoefte aan theater en entertainen vanaf 1975 deels uitleven in de tv-serie Herenleed, samen met Cherry Duyns en Armando. Ook gaat hij weer op tournee door Nederland, met zijn attachékoffertje en gekleed in een ruimvallend kostuum, wat altijd weer tot de nodige hilariteit bij het publiek leidt. Zijn subsidieaanvragen bij het Fonds voor de Letteren worden niet altijd gehonoreerd.

Twee belangrijke adviseurs staan hem in deze tijd bij. Bij De Bezige Bij is dat redacteur Hans Sleutelaar, die flink snoeit en wiedt in zijn barokke proza en een uitgebeende, kale stijl prefereert. Dat redactiewerk lijkt Van Doorn eerder gefrustreerd dan gestimuleerd te hebben. Beter bevallen hem de adviezen van VPRO-radiomaker Wim Noordhoek, die hem de gelegenheid geeft om voor de microfoon zijn verhalen uit te testen en zijn verbale begaafdheid en retorische talent uit te buiten. Getransponeerde versies van deze radiocauserieën verschijnen later in boekvorm.


Maar hij twijfelt hardnekkig aan zijn schrijverschap en worstelt met zijn stijl. Hij is een begenadigd prozaïst op de korte baan, luidt de communis opinio, maar critici horen liever zijn stem. Au fond is hij vooral een performer, een bezeten, expressieve verteller, iemand van de losse inval, de kwinkslag en de improvisatie, geen consciëntieuze schrijver die wikt en weegt, schaaft en vijlt. Daar is zijn temperament te onstuimig en ongedurig voor.

Na het schrijven neemt hij de pont of de taxi naar het centrum. In café Scheltema neemt hij stevig in met journalisten en kunstbroeders, bietst links of rechts een geeltje en gaat na middernacht weer naar huis. ‘s Morgens begint het gevecht tegen het zuur. Is de kater bezworen, dan reist hij van jeugdhonk naar theater om daar zijn potsen en kunsten te vertonen, niet dan na geëist te hebben dat er een halve liter jenever voor hem klaarstaat.

Financieel gaat het hem voor de wind. Hij verdient niet alleen met zijn VPRO-columns, ook lucratieve schnabbels in de reclame zorgen voor de nodige revenuen. Zoals een Nibb-it-commercial, samen met Jules Deelder en Frank Groothof, die hem de lieve som van tienduizend gulden oplevert. Daarnaast trekt hij door het land met zijn onemanshow. Hij zeult een hele huisapotheek met siroopjes en hoestdrankjes mee, bang als hij is zijn stem plotseling te verliezen. Zijn vrouw verwijt hem soms dat hij wel tachtig lijkt.

Kort voor zijn dood keert hij terug naar het landschap van zijn jeugd. In Lieve vrede (1990) komen verhalen over Arnhem, de Veluwe en oude vrienden voor. Het boek wordt amper opgemerkt, of afgedaan als ‘oudemannenpraat’. Dat verneemt Johnny van Doorn als hij met Kerstmis 1990 wordt opgenomen in het BovenIJ Ziekenhuis wegens een vermeende bekkentrombose. Nader onderzoek brengt kanker aan de alvleesklier aan het licht. Veertien dagen later, op 26 januari 1991, overlijdt hij in de vroege ochtend, met zijn vrouw naast zijn bed.


Wie zijn werk herleest, herkent in Van Doorn een uitbundige nazaat van Nescio. Hij was een grootmeester op de korte baan en een voorloper van de huidige podiumdichters. Op de bij het boek geleverde cd is te horen waarom hij zo’n uitzonderlijk voordrachtskunstenaar was. Hij kon bezwerend, meeslepend en bombastisch declameren, was een rasverteller en de ‘Caruso onder de performing poets’ (A.F.Th.). Dat laatste was ook zijn tragiek, want podiumbeesten als de Selfkicker gedijen nu eenmaal niet zo goed tussen twee kaften. Daarom werd het hoog tijd dat er een monografie mét cd met het onvergetelijke stemgeluid van Johnny van Doorn verscheen.

Nico Keuning – Oorlog en Pap. Het bezeten leven van Johnny van Doorn. De Bezige Bij. €24,90. Ook verkrijgbaar via www.ako.nl

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Hans Hoenjet