Schatbewaarder van Oranje

Het Gelderse vestingstadje Buren heeft innige banden met ons koningshuis. De overvloedige bewijzen daarvan zijn door een nijvere Orangist bijeengebracht in het lokale museum. ‘We krijgen hier van alles over de vloer. Zelfs Republikeinen.’

‘Het is mijn schuld dat dit museum er is gekomen,” zegt Jan Thijsen, glunderend van oor tot oor. En hop, daar legt hij weer een hebbedingetje op het stapeltje dat hij voor ons maakt in de ruim gesorteerde giftshop. Het is een verjaardagskalender met ‘wat aquarelletjes’ die hij zelf heeft gemaakt. “Kijk,” zegt hij, wijzend op een vel herdenkingszegels met afbeeldingen van leden van het Koninklijk Huis, “deze heb ik eens aangeboden aan Willem-Alexander en Máxima. U mag er ook best een meenemen, hoor, zo zijn we wel hier.” En hij plaatst de zegels op de verjaardagskalender, die weer rust op het stripboek De ontvoering van Philips Willem, een historisch beeldverhaal over een donkere periode in de Tachtigjarige Oorlog. “Kijk, mijn correspondentie met Willem-Alexander staat erin.” Thijsen wijst op twee brieven die in de zomer van 2006 zijn verzonden. In zijn eigen schrijven maakt hij de kroonprins attent op de aanstaande publicatie van het beeldverhaal. Vijf dagen later krijgt hij antwoord. “Zeer geachte heer Thijsen, Op verzoek van Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins van Oranje zeg ik u dank voor het faxbericht van heden waarin U de Prins informeert over het uit te geven stripboek ‘De ontvoering van Philips Willem, prins van Oranje en Graaf van Buren’ en hem vraagt dit stripboek van een voorwoord of opdracht te voorzien en het eerste exemplaar in ontvangst te nemen in het najaar van 2006. Prins Willem-Alexander heeft het bijzonder op prijs gesteld dat U aan hem hebt willen denken.” En dan loopt de brief schuin weg, de pagina af, zodat nog slechts een paar flarden leesbaar zijn. “Voor wat betreft Uw verzoek om het stripboek van een (-) of opdracht te voorzien moet ik U h (-) zich voorstell (-)”


Het lijkt erop alsof de inleiding uiteindelijk toch niet uit de pen van de troonpretendent is gevloeid. Thijsen: “Ja hoor, die inleiding heeft hij geschreven… Nou ja, hm…” Een vertrouwenwekkende knipoog. Dan: “Ik had alleen zo graag gehad dat hij die tekst met W.A. van Buren had ondertekend. Maar dat wilde-ie niet. Waarom niet? Mwoah, laat maar. Zeg, kan ik u nog blij maken met een leuke placemat?”

Het is duidelijk: inzake de Oranjes zal er geen onvertogen woord over de lippen van Jan Thijsen rollen. De 72-jarige prominente inwoner van het vestingstadje Buren (“Heb een drukkerijbedrijf geleid dat meer dan honderd jaar bestaat en ben 35 jaar openbaar bestuurder geweest, onder andere locoburgemeester”) is verknocht aan De Familie. “Noem mij geen monarchist, ik ben Orangist! De stadhouders zijn mij net zo lief als de vorsten en vorstinnen.” De erudiete Thijsen, een koninklijke onderscheiding op de revers van het geruite colbert, heeft in de loop der jaren een warme band opgebouwd met de Oranjes. “Ik zal niet zeggen dat ik er dagelijks over de vloer kom, maar ik heb wel elk jaar een uitnodiging voor de nieuwjaarsreceptie van Hare Majesteit. Maar u gaat toch niet alleen over mij schrijven hè?”

Dat is niet de bedoeling, nee. Dit moet een reportage worden over Buren, beter bekend als Oranjestad Buren. Een cruciale plaats in de geschiedenis van het Koninklijk Huis. In Buren, bij Culemborg, ontstond het eerste – en tot dusver enige – huwelijk tussen een regerend vorst van Oranje en een Nederlandse vrouw. Toen Anna van Egmond gravin van Buren op 8 juli 1551 ‘ja’ zei tegen prins Willem van Oranje, de latere Vader des Vaderlands, veroverde Buren een unieke plek in de Nederlandse geschiedenis. Nog altijd is Buren de enige Nederlandse plaats die op het prinselijk wapenschild prijkt, naast buitenlandse beeldmerken als die van het Franse Orange en het Duitse Nassau. Daar is Buren tot op de dag van vandaag – terecht – trots op. En die trots wordt met vlag en wimpel uitgedragen door Jan Thijsen, die op 30 april 1988 in het voormalige stadhuis het Museum Buren & Oranje opende, waar inmiddels op drie verdiepingen meer relicten uit heden, verleden en vér verleden prijken dan Beatrix zelf ooit kan verzamelen.


“Kijk, dit is een van de laatste ontmoetingen van mij met Máxima.” Alvorens we het museum daadwerkelijk kunnen betreden, maakt Thijsen ons deelgenoot van zijn persoonlijke band met De Familie. En dat levert een uur vol kostelijke anekdotes op. Bij de foto van zijn recente tte-à-tte met de kroonprinses: “Ik wilde speciale bellenblazers overhandigen, met daarop de afbeelding van haar gezin. Klinkt wat arrogant, maar dat soort dingen bedenk ik allemaal zelf. Iemand van de entourage zou die dingen wel even aanpakken en in de auto leggen. Toe zei ik tegen mijn dochter, die naast mij stond: ‘Nou, ik denk dat de prinses deze cadeautjes zelf wel in ontvangst wil nemen!’ Net luid genoeg dat zij het kon horen, natuurlijk. Dus overhandigde ik haar persoonlijk die bellenblazers. ‘Daar komen zeker oranje bellen uit?’ zei ze. ‘Nee Koninklijke Hoogheid,’ antwoordde ik, ‘dat lijkt me niet handig voor uw salon in De Horsten!’ Ach ja, ik wil niet zeggen dat ik me overal tussen probeer te frommelen, maar ik word wel steeds uitgenodigd. Kijk, hier heb je het bewijs dat ik… O nee, dat is een nieuwjaarskaart van de koningin.”

Dan houdt hij een officiële brief omhoog, die hij aan een prominent lid van het Koninklijk Huis schreef. We lezen: “Lieve prinses Amalia, Hierbij stuur ik je nog het kadootje dat ik je had willen geven toen mijn vrouw en ik het Prinses Amalia Concert op maandag bijwoonden. Het was jammer dat je er niet bij kon zijn. Misschien volgend jaar? Het was een prachtig concert. Vooral de ‘Prinses Amalia Mars’ klonk mooi in de oude Kloosterkerk! Graag hoop ik dat je het een leuk kadootje vindt en ik denk dat mama of papa je eruit willen voorlezen. Voor in het boek heb ik iets geschreven over mevrouw Louise van Everdingen jonkvrouwe Meijer, die het heeft geschreven. Zij schreef ook een mooi boek over ‘Het Loo en de Jacht’. Wij kenden elkaar goed en zij was vaak in Buren. De hartelijke groeten aan je lieve papa en mama en natuurlijk ook aan je lieve oma in Den Haag.”


In al zijn middeleeuwse pracht is Buren een juweel voor het Nederlandse landschap. En toch had het nóg mooier kunnen zijn. Even buiten het stadje stond ooit een imposant kasteel. Die burcht, waar de later zo jammerlijk gegijzelde Philips Willem ter wereld kwam, werd in de negentiende eeuw steen voor steen afgebroken. Tot grote woede van Jan Thijsen. “Als ik erbij was geweest, was ik ervoor gaan liggen!” Zijn ambitieuze plannen om Kasteel Buren te herbouwen (“Ik had al oude stenen gekocht in Hongarije”) stuitten op bezwaar van twee ‘importmensen’. “De dokter en de dominee zeiden: ‘Dan kunnen we ons hondje niet meer uitlaten.’ En daarmee verdween onze laatste kans. Doodzonde!” Zuchtend: “Maar in elk geval heb ik persoonlijk kunnen tegenhouden dat er nieuwbouw tegen de stadswallen aan is geplempt.”

Het Museum Buren & Oranje trekt bezoekers uit alle windstreken. “Laatst had ik hier een groep Japanners, inclusief de schoonouders van de Japanse kroonprins, incognito. Wist niemand. Ik wel. Ach, we krijgen hier van alles over de vloer. Zelfs Republikeinen. Daar doen we niet vies over. Die mensen hebben ook belangstelling voor vaderlandse geschiedenis. Maar ze moeten natuurlijk geen verkeerde dingen zeggen! Kan ik u trouwens trakteren op koffie en iets van een punt?”

Dat kan hij, en dus benen we kort daarop naar de tegenovergelegen taveerne. Onderweg passeren we een bronzen beeldje van het bruidspaar Anna en Willem (“Heb ik ontworpen”), dat pontificaal voor de Sint Lambertuskerk prijkt. “Ik ben zelf trouwens nog met mijn vrouw te gast geweest op het huwelijk van Willem-Alexander en Máxima. Maar mwoah, dat moet je allemaal maar niet opschrijven, hoor…”


“Weet je wat het is,” zegt hij even later, nippend van een matineus pilsje, “die titel ‘van Buren’, daar wordt zo ontzettend mee gesmeten. Juliana wilde Pieter van Vollenhoven graaf van Buren maken, want het was zo zielig dat hij geen adellijke titel had. Toen hebben ze aan het hof moeten zeggen: ‘Majesteit, dat kán helemaal niet, want u bent de gravin van Buren. Dan zou u dus met hem getrouwd moeten zijn!'” Knabbelend op wat pinda’s: “Het stadhuis kwam vrij en ik wilde er beslist iets mee doen. Dus ik dacht: ik begin er een oudheidkamer. Toen zeiden ze tegen me: ‘Jan, dat moet je niet doen, want daar gaan ze alleen heen als het begint te regenen of als de kinderen een plasje moeten doen. Je moet een Oranjemuseum beginnen!’ Was een goed idee. Niet dat ik het zelf niet had kunnen bedenken hoor…”

Staand in de huiskamer van zijn monumentale woning, waar we worden voorgesteld aan zijn vrouw: “Ja dat klopt, we zijn allebei gedecoreerd. Gewoon ridder, hoor. Zo’n lintje krijg je voor VAW, zeg ik altijd maar. Voor Veel Avonden Weg. Maar onze huiskamer noem ik sindsdien wel de Ridderzaal. Zeg, zullen we de collectie eens gaan bekijken?”

Terug in het museum gaat de onvermoeibare Thijsen ons voor op een wandeling langs de meest uitgebreide verzameling pronkstukken van Oranje die ooit iemand bij elkaar heeft kunnen brengen. “Kijk, dat zijn sokken die Juliana in Canada breide.” De grijze voetwarmers excelleren grofweg tussen de kinderschoentjes van haar moeder Wilhelmina en een brief van Juultjes onderwijzeres C.L. van Dalen, waarin te lezen is dat die erg tegen de lessen had opgezien ‘omdat mij stellig verzekerd was dat de prinses idioot was.’ Om de hoek hangt een liefst twee meter lang gedicht, dat Beatrix in 1964 voor dr. Sophie Ramondt, conrector van het Baarnsch Lyceum, maakte. Het epistel is verluchtigd met tekeningetjes die nog eens bewijzen dat er aan onze vorstin een groot beeldend kunstenaar verloren is gegaan. Rien Poortvliet zou geduchte concurrentie hebben gehad!


Borstbeelden, gordijnen, speelgoed, oorkondes, hoofddeksels, brokstukken, insignes, kanonskogels (“Die graaf je hier in Buren gewoon in de tuin op. We zijn zó vaak belegerd”), schilderijen, stambomen, wapens, uniformen: de verzameling waardevolle spullen is zó immens dat het voor een gewone burger bijna niet te behappen is. Als één Oranjecollectie de perfectie benadert, dan is het die van Jan Thijsens Museum Buren & Oranje. U vindt er de liturgie van de uitvaart van prins Claus en de kinderwagen van Juliana, maar net zo goed een beschuitje dat alle Nederlandse schoolkinderen in 1938 kregen, toen Beatrix werd geboren. “Niet meer te eten natuurlijk, helemaal versteend.” De ooit roze muisjes op de traktatie zien er thans uit als een portie kaviaar.

Lopend langs de vitrines strooit Thijsen onafgebroken met waardevolle informatie. “Dat daar is Frederik van Egmond, die Schele Gijs werd genoemd. Hier, Anna van Saksen. Onaardige vrouw! Was genegen tot de wijn. Die had op dit tijdstip al drie flessen op. Ze was ook niet mooi; nou ja, daar kun je niets aan doen. En ze had een bocheltje, maar goed, dat zit aan de achterkant. En heb je deze inscriptie gezien? ‘Philips Willem, Prins van Oranje, Graeve van Nassau en Buuren…’ Zó zien wij dat graag, in Buren! En dan heb ik hier nog een stukje van paleis Huis ten Bosch voor u in de aanbieding. Een pilaster, verwijderd toen ze daar zijn gaan restaureren. Als zoiets gebeurt, krijg ik altijd meteen een telefoontje. Want ik kan alles gebruiken. Omgekeerd gebeurt het trouwens ook, hoor. Het Loo belde mij laatst nog om een schilderij in bruikleen te krijgen. Mooier kun je het niet hebben natuurlijk, want daar moet dan later wel weer iets tegenover staan, als je begrijpt wat ik bedoel. Kijk, een maquette van Paleis Soestdijk. Heb ik van prins Bernhard gekregen. Dáár ging ik altijd naar binnen, door de dienstingang. Ik ruik nóg de geur van pijptabak die er in de gangen hing…” Opzij kijkend, met een olijke blik: “Je moet er toch niet aan denken dat je met een lastpak als ik getrouwd bent? Nou ja, mijn vrouw vindt het best, want als er weer eens wat leuks is, mag ze mee.”


Zich herpakkend: “Daar, een kopie van de inhuldigingsmantel. Die doen we aan bij een oma, als die vijftig jaar getrouwd is. Kunnen de mensen van tevoren reserveren. En hier heb ik een tafelzijden robe van Wilhelmina prinses van Pruisen, die leefde van 1751 tot 1820. Heb ik gekregen van Juliana. En kijk, daar heb je Willem III, die ouwe brombeer. Nou ja, hij bezocht ook ondergelopen gebieden en gaf weleens een rijksdaalder weg. Daar is de vlag van Emma trouwens, de eerste autorijdende koningin die we hadden. En hier…”

De schaatsen van Willem-Alexander, waarop hij als W.A. van Buren de Elfstedentocht van 1986 volbracht!

Thijsen: “Nou nee, die liggen even in het Elfstedenmuseum in Hindeloopen. Deze zijn van m’n dochter.”

En dan houdt hij halt voor een modern schilderij waarop beeldend kunstenaar Ger Groeneveld ‘de vrouwen van Oranje’ heeft afgebeeld. Naast de onvermijdelijke Beatrix, Juliana, Wilhelmina en Máxima is dat óók Miss Pepper, de borderterriër van Beatrix die in 1992 stikte in een konijnenhol, terwijl zijzelf op staatsiebezoek in China was. We vóelen dat er een anekdote aankomt als Jan Thijsen zich naar ons toedraait. En hij stelt ons niet teleur. “Zeg, weet je dat ik dat hondje diezélfde ochtend nog op schoot heb gehad?”

www.burenenoranje.nl

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Michiel Blijboom