Lachen op niveau

Het Leids Cabaret Festival 2010, gewonnen door de Vlaamse rebel Jeroen Leenders, was een kleinkunstfeest dat bijna uit z’n voegen barstte van kwaliteit. Vanaf de eerste snik tijdens de audities tot aan de laatste, knallende champagnekurk na afloop van de finale was het puur genieten. Verslag van een maand lang spanning.

Najib Amhali, Sara Kroos, Kees Torn, Javier Guzman: allemaal sjokten zij ooit met lood in de schoenen richting Sociëteit De Burcht, het culturele hart van Leiden, waar in de monumentale negentiende-eeuwse Fonteinzaal al zeventien jaar lang de audities voor het Leids Cabaret Festival worden gehouden. Wellicht destijds niet door sneeuw en vrieskou, zoals op deze winterse zondag in januari; maar hoe de weersomstandigheden ook waren, de weg van audities naar finale zal altijd wel een barre tocht vol obstakels, valkuilen en afzien blijven. En slechts één doorzetter mag aan het einde van deze expeditie zijn vlag op de Olympus van het Nederlands cabaret planten. Dit jaar was die eer voor de quasi-nonchalante, anarchistische Jeroen Leenders. De publieksprijs ging naar Emilio Guzman, die een intelligent, razend knap gecomponeerd half uurtje cabaret neerzette. Bart Cannaerts, de tweede Vlaming in deze finale, bleef met lege handen achter. Deze even sympathieke als hilarische Antwerpenaar kende één schrale troost: het was een fotofinish, of, zoals zijn landgenoot Leenders de finale samenvatte: “Eigenlijk hebben we alle drie gewonnen.”

Voor de 32ste editie van het Leids Cabaret Festival (LCF) meldden 52 kandidaten zich aan door middel van het opsturen van een videofilmpje. Festivaldirecteur Helga Voets, die met haar rechter- en linkerhand Geert Vriend de selectiecommissie vormt, zat urenlang aan een beeldscherm gekluisterd om zich door deze overvloed aan beeldmateriaal te worstelen. Worstelen was soms het woord: het was niet altijd een onverdeeld genoegen om naar de verrichtingen van al deze wannabe-cabaretiers te kijken. Verbijsterend, noemt Voets het gebrek aan zelfkritiek dat sommigen van hen tentoonspreidden. Maar anderzijds zagen zij op een van die filmpjes ook de finalisten en de winnaar van dit jaar. Die bevonden zich tussen de inzendingen van de 21 gelukkigen die uiteindelijk auditie mochten doen, allen hoopvolle, jonge theatermakers die verdeeld over drie zondagmiddagen in groepen van zeven, gedurende twintig minuten mochten laten zien wat zij in huis hadden. De overige 31 inzenders werden vriendelijk doch beslist bedankt.


Niet geschoten is altijd mis, moeten deze 31 dromers gedacht hebben. Jaarlijks doen, verdeeld over de vele cabaretfestivals – naast ‘Leiden’ zijn dat onder meer het Rotterdamse Cameretten, het Amsterdams Kleinkunst Festival en het Groninger Studenten Cabaret Festival – zo’n 120 aspirant-cabaretiers een gooi naar een carrière op de podia en – dat komt er meestal ook wel van – op de televisie. Wie op de middelbare scholen de vraag ‘wat wil je later worden?’ stelt, krijgt steeds vaker het antwoord ‘cabaretier’ te horen. Cabaretier staat bij de jeugd hoog in de toptien van favoriete beroepen. Het vak lijkt de snelste weg naar de meest begerenswaardige status die in dit nieuwe millennium valt te veroveren: het Bekende Nederlanderschap. Even een cabaretfestivalletje winnen, vervolgens een jaartje op tournee door het land, en de rest van je carrière zit je net als Marc-Marie Huijbregts, Dolf Jansen of Claudia de Breij geheid met je kop op de tv.

Gelukkig denken de geselecteerde acht deelnemers die aan het festival zelf mee mogen doen, meestal niet zo. Alle 21 auditanten hadden, naast een gezonde dosis ambitie, zelfs ook een behoorlijke hoeveelheid talent in hun bagage. In De Burcht werd eigenlijk niet eens het kaf van het koren gescheiden. Het was, op een enkele uitzondering na, meer een kwestie van bepalen wie het meeste talent had, want het niveau was hoog in 2010.

Wie bij de naam Fonteinzaal aan een Versailles-achtige entourage denkt, komt bedrogen uit. Alleen de hoogmoed om een ordinaire caféruimte zo te noemen, komt overeen met de megalomanie van de Franse Zonnekoning, maar daar houdt de vergelijking wel op. Gezellig is het er, dat wel, en vanwege de nostalgie zal niemand het ook anders dan zo willen. Maar relaxed een voorstelling spelen op een in de hoek gepropt, mobiel podiumpje, terwijl publiek zelfs achter je rug zit, is wat anders. De ultieme vuurdoop, zullen we maar denken. Na zich verkleed te hebben in een ruimte die nog het meest doet denken aan het gymzaaltje van een kleuterschool, worstelen de kandidaten zich langs de toog, waar het publiek nog snel even een biertje of een cappuccino tracht te bemachtigen voordat de bar, uit respect voor de optredende, gaat sluiten. Wat sfeer betreft heerst er een vreemde discrepantie in de zaal: het publiek komt, vaak uit nieuwsgierigheid om te kijken ‘wat erbij zit’, gewoon voor een gezellige middag in de kroeg. De deelnemers weten dat het betreden van het podium een kleine stap voor een mens is, maar carrière-wise een reuzenschrede zou kunnen zijn. Najib Amhali stapte in 1998 op deze heilige grond en verkoopt nu de Heineken Music Hall uit. We bedoelen maar. En iedereen is zich ervan bewust dat er van de 21 deelnemers maar acht door mogen naar de voorrondes van het eigenlijke festival. Een simpele rekensom leert dan dat er per auditiemiddag 4,3 van de zeven kandidaten het veld zullen moeten ruimen. Hoewel het nooit echt gnant wordt, is het op alle drie de middagen meestal wel duidelijk wie dat zullen zijn: sommige optredens blijven te veel steken in goede bedoelingen. Na drie uiterst vermakelijke zondagen verschijnen de namen van Les Canards, Jasper van Kuijk, Timzingt, Bart Cannaerts, Emilio Guzman, Jeroen Leenders, Suzanne Mateysen en Lies Lefever op de website van het LCF: zij mogen in de voorrondes gaan strijden voor een plaatsje in de halve finale. Saillant detail: van de zeven geselecteerde Belgen bereiken er drie de voorrondes, en belanden er twee in de finale. Emilio Guzman waarschuwt in zijn finale-optreden heel ad rem voor de ‘vervlamisering’ van het festival, ‘want ze pikken natuurlijk wel onze banen in…’ Roy Aernouts, de Vlaamse winnaar van 2007 die tijdens de halve finale het gastoptreden verzorgde, suggereerde zelfs om het festival voortaan maar in België te organiseren.


Na afloop van de voorrondes moet het deelnemersveld worden teruggebracht van acht naar vijf kandidaten die door mogen naar de halve finale. Voor het zover is, vindt er een workshopweekend plaats, waar alle kandidaten met de regisseurs Minou Bosua, Wimie Wilhelm, Jessica Borst en Arjan Schoolderman aan de slag gaan met hun voorstelling. LCF wil zich onderscheiden van de andere festivals met een topteam dat zich het hele jaar bezig houdt met cabaret. De expertise van dat team en het talent van de kandidaten vormen de basis voor het succes. Leenders, Guzman en Cannaerts zijn na de workshops meteen de gedoodverfde finalisten: het zijn podiumdieren met zowel humor als inhoud in hun show. Les Canards, een wat studentikoos duo dat eigenlijk alleen maar grappig wil zijn, en Suzanne Mateysen, een goede zangers maar een matig cabaretière, deden eigenlijk alleen maar voor de vorm mee in de halve finale. Een echte kans hebben zij nooit gehad. Jasper van Kuijk, die niet alleen muzikaliteit, maar ook een scherpe blik op de samenleving etaleerde, zou een betere keuze voor de halve finale zijn geweest; maar de jury, bij monde van Colette Notenboom, was een andere mening toegedaan.

Tja, en dan was er die droomfinale, waarin Leenders, Cannaerts en Guzman zichzelf nog eens overtroffen. Leenders, die ons leert dat we eigenlijk bezig zijn met zo lang mogelijk niet dood te gaan in plaats van zo lang mogelijk te leven, bezit het vermogen om megaproblemen terug te brengen tot behapbare proporties. Zoals het terrorisme, dat volgens hem op den duur eigenlijk alleen maar vervelend is. Als op de markt van Bagdad iedere dag iemand zich opblaast, dan is dat vervelend, meer niet. “Heb je zin in tomaten en sta je later bij dat stalletje en dan boem! Ah! Vervelend! Ik had net zo’n zin in tomaten!” Niet na te vertellen, oordeelt de jury – en zo is het ook. Het is Leenders zelf, en niet zozeer de grap an sich, die hilarisch is.


Ook bij Cannaerts gaat het erg om zijn persoonlijkheid, hoewel hij ook grossierde in goede taalgrappen. Emilio Guzman, broer van Javier Guzman, de winnaar van 2002, verweeft een persoonlijk verhaal met een haarscherpe blijk op de maatschappij, en doet dit in een wervelende verteltrant. Fantastisch, maar wel in de voetsporen van zijn broer, Theo Maassen en nog een aantal succesvolle cabaretiers. Daarom koos de jury uiteindelijk voor de volkomen authentieke Jeroen Leenders, de man die het ook nog eens bestond om in de finale zijn programma om te gooien door nog niet eerder gespeeld materiaal uit de kast te halen. Die moed en zucht naar perfectie werden beloond. Na afloop van de workshops bekende Emilio Guzman al dat hij zeer onder de indruk was van Leenders, en sprak hij de altruïstische woorden dat hij ‘het niet erg zou vinden om van hem te verliezen’. Na afloop van de verloren finale stond hij nog steeds achter die uitspraak. “Maar,” voegde hij eraan toe, “jammer is het wel, want ik vind namelijk dat ik een heel erg mooi programma heb.” En dáár heeft hij helemaal gelijk in.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Ruud Meijer