Hartzeer in de hofstad

Krijgt Geert Wilders’ PVV een poot aan de grond in Den Haag? Of wordt de residentie symbool van zijn aftocht? Met een hypergevoelige thermometer langs ‘white trash’, woedende marktlui en Haagse kak.

Als je ‘Den Haag’ zegt, ligt een gaap op de loer. Is dat niet die stad die op Prinsjesdag als een lieflijke prentbriefkaart de monarchie in het zonnetje zet? Is dat niet die stad waar koningin Beatrix jaar na jaar, via een vaste route en geëscorteerd door hetzelfde beleefde applausje, in bejaardentempo naar de Ridderzaal glijdt? Is dat niet die stad waar oorlogsmisdadigers, bijna op gehoorsafstand van zorgeloze badgasten, hun getourmenteerde hoofd veilig ommuurd in de gevangenis te ruste leggen? Is Den Haag, dat icoon van de internationale rechtsorde, kortom, niet het rustieke schilderij van de gegoede burgerij en zodoende een vruchteloze bodem voor een boze beweging als de PVV?

Wie zijn oor in de residentie goed te luisteren legt, merkt algauw dat onder de vermeende gezapigheid, net als elders in Nederland, een veenbrand van onvrede smeult. Telkens stuit uw verslaggever op twee basissmaken: nonchalance en ingehouden woede. Deze smaken dienen zich in allerlei variaties aan, maar wie de stuurse blikken, de spraakwatervallen en de felle mimiek van het woedende volksdeel afzet tegen het schouderophalen en de structurele agendaloosheid van het nonchalante deel, zou zich zomaar zorgen kunnen gaan maken. Gelukkig reageert een stembiljet niet op de hoeveelheid energie waarmee het wordt ingevuld, telt de nonchalante krabbel even hard mee als het fel bekraste vakje. Anders zou Den Haag weleens in PVV-handen kunnen vallen!

Alvorens we op een steenkoude vrijdag onze neus in de diverse biotopen van het Haagse universum steken, maken we eerst, bij wijze van verplicht huiswerk, een ronde langs plaatselijke media en lijsttrekkers. We gunnen de nieuwe weekkrant van de hofstad, Den Haag Centraal (“We hebben achttienduizend betalende abonnees”), een eerste kijk op het aanstaande strijdgewoel. Politiek verslaggever Jan van der Ven zoomt in op de debatten die links en rechts in Haagse achterafzaaltjes worden gehouden. Hij steekt de loftrompet van PvdA-lijsttrekker Jeltje van Nieuwenhoven, ‘een sterke, ervaren vrouw die het goed doet’. De gedachte dat dergelijke debatten anno 2010 tamelijk lege rituelen zijn voor een vaste groep geïnteresseerden lijkt tamelijk nieuw voor hem. Gevraagd naar zijn verwachtingen omtrent de uitslag van de PVV, komt Van der Ven met het onthutsende antwoord dat hij daar ‘niet zo’n zicht op heeft’. Na enige druk – wat voegt een lokale krant tenslotte toe als die geen voeling heeft met de eigen stad? – verwijst hij, lui, naar de laatste peilingen. ‘”Daarin staat de PVV op vijf of zes zetels, geloof ik.” Hij zegt het op een bedwelmende toon, die doet vermoeden dat er verkeerde bitterballen door zijn slokdarm glijden. Met andere woorden: Den Haag Centraal geeft binnen luttele minuten een nieuwe dimensie aan het begrip ‘plaatselijk sufferdje’. AD Haagsche Courant-collega Maarten Brakema durft ook geen voorspelling aan, maar legt tenminste historisch besef aan de dag. Hij wijst op de Haagse oorsprong van de Centrumpartij (later: Centrumdemocraten), en op harde kernen in de hofstad waar deze partij, in de jaren tachtig ‘s lands eerste kennismaking met extreem-rechts, ooit veel stemmen wist weg te plukken: Duindorp, de Schilderswijk, Transvaal. Brakema vindt het dus ‘geen gekke keuze’ dat de PVV haar geluk in Den Haag beproeft. “Vooral in de volkswijken zullen ze aanzienlijk gaan scoren. Maar of de PVV daarbuiten ook veel impact heeft? Dat is de vraag.” Een andere aanwijzing dat de PVV wel degelijk kan gaan verrassen, is de Haagse uitslag van de Europese verkiezingen in 2009. De PVV eindigde met 17 procent als tweede partij, vlak achter het CDA.


Bij de lijsttrekkers van de gevestigde partijen klinkt onverholen leedvermaak door in hun commentaren. Vooral Jeltje van Nieuwenhoven (PvdA) en Marjolein de Jong (D66) beschrijven in geuren en kleuren het magere partijprogramma van de PVV. “Hun voornaamste punt is dat ze ruim honderd miljoen op kunst en cultuur willen bezuinigen,” zegt De Jong jolig. “Ik hoef u zeker niet uit te leggen dat wij daar fel op tegen zijn. Daar wordt de stad niet vrolijker van.” “Tja, hoeveel pagina’s is het eigenlijk?” hoont Van Nieuwenhoven. “Niet veel in ieder geval. Over de sociaal-economische thema’s lees ik vrijwel niets. Koopkracht? Volkshuisvesting? Ruimtelijke ordening? Op al deze punten is de PVV volkomen afwezig.” Van Nieuwenhoven is strijdvaardig, maar ook tactisch uit de kluiten gewassen. “Nee, ik sluit de PVV niet op voorhand uit. Het plezier van een cordon sanitaire gun ik ze niet.”

In een debat op TV West knalt PVV-lijsttrekker Sietse Fritsma – kaal, brildragend, pretoogjes, type onvermoeibare pestkop – om de haverklap de frase eruit dat er rigoureus bezuinigd moet worden op al die ‘multiculturele onzin’. Hij weet een betere bestemming voor al die miljoenen. “Wij willen dat al dat geld naar de bestrijding van de criminaliteit gaat. En naar betere ouderenzorg. Dat is veel urgenter dan het in stand houden van hobby’s voor een kleine elite.” Het woord ‘elite’ staat prominent in de canon van de PVV. Fritsma heeft het achtereenvolgens over ‘eliteclubjes’, ‘speeltjes voor de elite’ en ‘elitaire feestjes’. Er kan geen misverstand meer bestaan: als de PVV het voor het zeggen krijgt, blijft er geen enkele euro achter de strijkstok van een violist, acteur of dichter hangen. Het adagium lijkt: eigen rollators eerst! En dat Fritsma de begrippen cultuur en multicultureel structureel door elkaar haalt, lijkt niemand te deren. De debatleidster van TV West niet, zijn politieke tegenstanders niet.


De Haagse Markt, aan de rand van de wijk Transvaal, is een onmisbaar cliché als het over de onderbuik van de hofstad gaat. Hier komen alle nationaliteiten tezamen, volgens een kraamhouder verenigd door één eigenschap: “Negenennegentig procent van wat hier rondloopt, heeft een uitkering.” Allochtonen op de markt hebben de reputatie onbenaderbaar te zijn voor de pers, zeker als je ook nog een foto van ze wilt maken. Ze kijken schichtig naar onze bewegingen en als we, kiezend voor de makkelijke weg, voorzichtig bij tassenverkoper Jack binnenwaaien met een neutrale vraag over de verkiezingen, is het meteen raak. “Ja, natuurlijk is het goed dat de PVV hier meedoet!” zegt hij, een minuut of wat later, zonder enige aarzeling. “Wat denk je dat hier rondloopt aan zakkenrollers? En hoe vaak denk je dat ik hier ben aangevallen als ik aan het einde van de dag met een zak vol geld naar huis wil?” Jack kijkt ons, de fotografe en mij, met de nodige minachting aan. Je ziet hem denken: die verwende studiehoofdjes gaan zeker een dagje proeven van ‘het echte leven’. Ondertussen gaat hij driftig verder met het uitstallen van zijn handel. Volgens Jack is de markt een boevennest, en ja, de PVV is zijn partij. De politie treedt ‘veel te slap’ op. Andere politieke partijen? Die bestaan voor Jack niet. Het is capituleren of terugslaan. En terugslaan, dat doet in zijn ogen maar één partij: de PVV.

Even verderop staat het stel John en Angelique achter hun kraampje met sieraden. Ze haken gretig in op de conversatie. “Geloof het of niet, ik kom net van het politiebureau,” zegt John. Hij vertelt over een uit de hand gelopen meningsverschil met de marktmeester van Marokkaanse afkomst, die na een onderlinge ruzie aangifte heeft gedaan wegens discriminatie. “Dat laat ik niet op me zitten,” zegt de praatgrage John. “Dus heb ik net ook aangifte gedaan tegen hem.” John komt oorspronkelijk uit Groningen; hij geeft een kort historisch overzicht van dwarse politici: van Boer Koekoek tot Pim Fortuyn. Elke verkiezing gaat voor hem over de keuze tussen meer van hetzelfde of een nieuw geluid.


“Ach, de PVV,” zegt hij meewarig. “Ik verwacht er niet zoveel van. Inhoudelijk stelt het weinig voor. Ik ben niet dom. Het hoogste dat je kunt bereiken, is dat ze de rest schrik aanjagen. En dat de hoge heren achter hun oren beginnen te krabben.

Fortuyn was daar heel goed in.” Eén ding weet John zeker: de PvdA is een maffiabende geworden, die de fouten en nalatigheden van onder meer woningbouwverenigingen afdekt en vergoelijkt. Hun wethouders komen ergens een spade in de grond steken, lachen naar de fotografen en sturen post over ernstige constructiefouten, brakke kozijnen en lawaaiige buren door naar communicatieafdeling X of Y. John: “Die gasten kijken verlekkerd naar maquettes en mooie tekeningen over de toekomst, maar opkomen voor mensen als wij, ho maar!”

John heeft de politiek, naar eigen zeggen, zien afglijden. Met liefde (een ander zal zeggen: misplaatste nostalgie) praat hij over de goede oude tijden van Den Uyl, Wiegel en Van Agt. “Dat waren mensen waar je wat mee had. Die stonden ergens voor. Daar werd over gepraat op de markt. Nu heeft niemand het meer over politici. Als je ze al kent, gaan ze bijna meteen weer iets anders doen, in Europa, bij de VN of lekker droogkoken als commissaris van de koningin.” Ondanks hun geringe verwachtingspatroon omtrent Wilders en kornuiten, is er voor John en Angelique geen enkele twijfel over wat ze op 3 maart gaan stemmen: PVV.

Bij een gevoelstemperatuur van -10 stappen we op de fiets en bewegen ons, allengs omgeven door duurdere woningen, naar het Statenkwartier: een wijk vol expats en hoogopgeleiden. Het stoempen op de trappers, tegen de wind in, voelt onwillekeurig als een statement tegen de globalisering en de online-journalistiek, waar de wereld vanuit een steriele werkplek of op acht kilometer hoogte van achter een laptop becommentarieerd wordt. Aangekomen bij een lieflijk speeltuintje op ‘de Fred’ (plat Haags voor de Frederik Hendriklaan) lijkt de opwinding van de markt al zowat een vorig leven. In de aangeharkte wereld van het Statenkwartier spelen ouders op hun vrije vrijdag ontspannen met hun kroost. Vader Jelle woont al jaren ‘tot grote tevredenheid’ in de buurt. Hij is zo tevreden dat elke aandrang tot stemmen ontbreekt. “Nee, er zijn geen issues waarvan ik zeg: daar moet ik dringend voor naar de stembus.” Een piepklein, schuldbewust ‘sorry’ ontsnapt aan zijn lippen.


Vader Bart is iets uitgesprokener. Hij vindt het ‘jammer’ dat de PVV meedoet in Den Haag, de stad waar hij al zijn hele leven op wisselende locaties woont. Waarom jammer? “Ik ben het niet met ze eens. Ze wakkeren tegenstellingen aan. Dat vind ik geen goede bijdrage aan de politiek.” Bart maakt van de gelegenheid gebruik om zijn stad en de plaatselijke autoriteiten juist een complimentje te geven. “Den Haag is de afgelopen decennia een leukere stad geworden. Vroeger moest je toch echt zoeken naar een gezellige kroeg. Nu kun je op loopafstand een volgende tent in duiken.”

Als Jelle en Bart illustratief zijn voor de gewone kiezer – tevreden, met een gezin, niet de minste neiging tot extremisme – dan mag Den Haag hartstochtelijk hopen dat hun kindjes op 3 maart niet massaal de mazelen krijgen of een vervelend hoestje, want daar zouden ze met een doktersbezoek zonder aarzeling voorrang aan geven boven de tocht naar het stembureau. Het is een schril contrast met het profiel van de PVV-stemmer, die bij wijze spreken niet kan wachten tot het verkiezingsdag is, desnoods hardnekkige hoofdpijnen of maagkrampen negeert om op het stembiljet gretig het hokje van de PVV op te sporen en rood te maken.

Ondertussen denkt de elite: vanwaar al die woede? Die boosheid? Heeft de Hagenees zoveel te klagen met een opgeknapte en deels autovrije binnenstad? Met een rijk cultureel leven? Met spannende plannen om in zee te gaan bouwen? Is het geen genot om in de doorgaans vriendelijke en licht conservatieve residentie je leven te slijten?

We fietsen door naar Duindorp, even verderop, een zogenaamde ‘white trash’-buurt die door alle opiniepeilers als ‘zwaar PVV’ is gekenschetst. Hier geen hoofddoeken maar verweerde koppen, met brillantine achterover gekamde haardossen en alle merken trainingspakken die je kunt bedenken.


Bij de uitgang van de lokale supermarkt raken we in gesprek met Pim (44), kok, die zichzelf halverwege het gesprek nota bene ‘een wereldburger’ noemt. Als kiesgerechtigde is hij ooit bij D66 begonnen, maar nu afficheert hij zich als lid van een verloren generatie die overal een beetje naast piest. “Doorgaan tot mijn 67ste vind ik op zich geen bezwaar, in andere landen is langer doorwerken allang ingevoerd. Maar toch denk je: waarom weten ze ons, de gewone bevolking, weer zo snel te vinden als er financieel een gat ontstaat?”

En dan die Marokkanen, van wie een flink aantal zich in zijn ogen misdraagt. “Ik werk in een restaurant aan de boulevard. Als je in het weekend ziet hoe die jonge Marokkaantjes zich gedragen. Hoe ze het uitgaanspubliek uitschelden en uit de tent lokken! Dat is om je kapot te schamen. Daar mag wat mij betreft veel strenger tegen opgetreden worden. Daar ben ik niet uniek in. Dat vinden heel veel Hagenezen met mij.” Er wordt bovendien met twee maten gemeten, vindt hij. “Als ík iemand een beuk verkoop, heb ik onmiddellijk een strafblad. Terecht! Maar die Marokkanen mogen gerust een paar keer over de schreef voor ze worden aangepakt. Het is de omgekeerde wereld.” Trots of stoer doet hij niet over zijn keuze, maar Pim gaat wel, en zonder enige aarzeling, PVV stemmen. Ook onder zijn restaurantcollega’s vermoedt hij op 3 maart een brede PVV-steun.

In een overheerlijk winterzonnetje installeren we ons ten slotte, halverwege de middag, in hartje centrum op een terrasje aan de Grote Markt. Tegenover Carlos en Rudi, twee jongemannen van buitenlandse komaf die vloeiend Nederlands spreken. Op de vraag wat ze van het meedoen van de PVV vinden, pakt Carlos het initiatief: “Prima. Dat is toch democratie? Ik denk zelfs dat het goed is dat de PVV meedoet. Veel te lang hebben andere partijen de gevoelens van de Nederlanders in de oude wijken niet serieus genomen. Daarom vierde Pim Fortuyn successen. En nu de PVV.”


Carlos en Rudi vinden Den Haag gewoon ‘relaxed’. En nee, van discriminatie hebben ze nooit iets gemerkt. En ja, ze willen best even op de foto, want ze zijn zeker van hun uiterlijk en ze genieten lekker op deze ijskoude maar zonnige dag van hun Den Haag, in de woorden van Carlos ‘een smurfendorp’, net als Delft, waar hij oorspronkelijk vandaan komt.

Onze gecoördineerde dwaaltocht loopt op z’n eind. We hebben in krap zes uur veel geluisterd in Den Haag. Veel gekeken. Hier en daar bijna vrienden gemaakt. Schichtig, contactgestoord of wraakzuchtig blijken de Hagenezen – althans degenen die wij gesproken hebben – niet te zijn. Je zou bijna denken dat het aanvankelijke beeld van een slaperig plaatsje aan de Noordzee, de heerlijke poel van rust waarin de ambtenaar zich van vergadering naar bureau naar vergadering naar terrasje beweegt, klopt.

En toch: wat blijft hangen, is dat onbestemde gevoel van wrevel en miskenning, dat als een wolk ook boven Den Haag blijkt te hangen. De wolk waar politicologen, bestuurskundigen en andere knappe koppen de exacte vorm en substantie van proberen te achterhalen. Zeker is dat PVV-stemmers doorgaans verhalen hebben, emoties, incidenten, anekdotes, vrolijk dan wel geladen met rancune. En dat de rest, hopelijk voor het establishment een zo groot mogelijk deel van de rest, op 3 maart passieloos zijn stemplicht vervult en een nieuwe coalitie mogelijk maakt die de PVV buiten de deur houdt. Uit naam van het fatsoen en de democratie, die ook in Den Haag heel veel liefde tekortkomen.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Hans van Willigenburg