Ein tolles Spiel

Een wedstrijd bezoeken van Bayern München, dat is herinneringen ophalen aan glorieuze en minder glorieuze voetbalmomenten die je in het Duitse hebt beleefd. Je komt er bovendien achter dat de anale fixatie der Schlachtenbummler de jouwe verre overtreft.

Het was een mooie dag om naar Bayern München te gaan. Eigenlijk was het dat helemaal niet, want het regende. Maar voor een thuiswedstrijd van het zelfbenoemde FC Hollywood, de mooiste en grootste voetbalclub van heel Duitsland, was het altíjd een mooie dag. Dat er een heuse derby op het programma stond, gaf het een extra feestelijk tintje. En dat München en Stuttgart, waar de tegenstander van hedenmiddag vandaan kwam, 265 kilometer uit elkaar liggen, speelde bij de naamgeving geen enkele rol. In Duitsland noemen ze zo’n treffen een derby, waar we in Nederland noodgedwongen van een internationale wedstrijd zouden spreken.

Je zoefde met de metro langs station Donnersbergerbrücke en realiseerde je dat het stadion van Bayern, de Allianz Arena, de laatste stop in de binnenste ring van het openbaar vervoer was. Onwillekeurig dwaalden je gedachten af naar Amsterdam, waar ze station Bijlmer ArenA destijds net buíten de tweede zone hadden geplaatst, zodat iedereen lijdzaam moest accepteren dat er een extra hap uit zijn strippenkaart werd genomen. En al wist je dat die moffen door de jaren heen niet altijd even fatsoenlijk waren geweest, dit was toch wel erg netjes van ze.

Je bereikte het Hauptbahnhof en dacht terug aan de tijd dat Bayern nog in het Olympiastadion speelde. Hoewel dit bouwwerk met z’n spinnenwebdak een architectonisch hoogstandje was, kon je het niet bepaald een gebruikersvriendelijke tent noemen. De foeilelijke sintelbaan, die het publiek van de voetballers scheidde, maakte het gebruik van een verrekijker bijna tot een vereiste. Sportief gezien had je gemengde herinneringen aan die olympische tempel. Er was om te beginnen het verschrikkelijke pak slaag dat Ajax in 1980 van FC Bayern kreeg. Maar liefst 5-1 werd het – nadat Frank Arnesen nota bene namens Amsterdam de score had geopend. Je weet ook nog hoe je zelf tegen de vlakte werd geslagen, toen je het waagde om in een vlaag van volkomen misplaatst naoorlogs verzet iemands beker bier te jatten.


Daartegenover stond de EK-finale van 1988, waar je met eigen ogen zag hoe Marco van Basten het leer onhoudbaar achter de Russische doelman Dassajev ramde. Je weet nog hoe je tranen in je ogen kreeg toen op het scorebord verscheen dat Nederland Europees kampioen was geworden. In het Duits, dat maakte het extra mooi. Het Olympiastadion was de plek waar de Europese kampioenen door Theo Reitsma ‘een goed stel hoor’ werden genoemd, toen in beeld kwam hoe ze op een houten bankje zaten te hossen. Zeven jaar later ging je even op datzelfde bankje zitten, tijdens de training voorafgaand aan de volgende editie van Bayern-Ajax (0-0). Je weet nog dat het ding volkomen vermolmd was. Al met al moest je toegeven dat het goed was dat FC Bayern naar de Allianz Arena was verkast, al betekende het ook dat je niet langer met de metro langs station Scheidplatz zou komen. En die naam, zo gaf je tot je grote schande toe, was elke keer toch weer goed voor een grijns.

Terwijl je in een volgepakt treinstel op het eindstation Fröttmaning afstevende, realiseerde je je plots dat je al vier alinea’s lang in de je-vorm aan het ouwehoeren was. Was dat misschien omdat je net zo populair wilde worden als schrijver Robert Vuijsje? Dat zou kunnen, maar een plausibeler verklaring was dat je je onbewust het voetbaljargon had eigen gemaakt. Wie iets boven recreatief niveau tegen een bal trapt, hanteert ineens de tweede persoon enkelvoud als hij het over zichzelf heeft. Die linguïstische deformatie, ooit in gang gezet door Ronald Koeman, is dermate ingeburgerd dat profvoetballers thans aannemen dat het onderdeel is van hun vak. Zelf besefte je al doende dat het een ongelooflijk makkelijke manier van schrijven is – en dus besloot je de resterende alinea’s ook maar in deze vorm te gieten. Om stijlbreuk te voorkomen, hield je jezelf voor.


Dat je altijd om Scheidplatz had kunnen lachen, vond je op slag niet meer zo erg toen je station Fröttmaning goed bekeek. Boven de perrons hadden ambulante handelaren er hun collectie sjaals, petten en shirts uitgestald, en meteen werd duidelijk dat Duitsers een nog veel grotere anale fixatie hebben dan jijzelf. Dat maakte je al op uit de eerste de beste sjaal die je onder ogen kreeg. “KANNST DU NICHT KACKEN – DENK AN NÜRNBERG DANN WIRD’S KLAPPEN.” Met daarbij de afbeelding van een rol wc-papier. Plus, wellicht ten overvloede, nog eens de kreet ‘SCHEISS NÜRNBERG’. In diezelfde categorie: “GRÜN UND WEISS – DER TOTALE SCHEISS”, een in honderd procent acryl geweven belediging aan het adres van VfL Wolfsburg. Duitse voetbalfans, de zogeheten Schlachtenbummler, naaien nog steeds badges op een mouwloos spijkerjack, een gewoonte die de laatste Nederlandse voetbalfan rond 1982 heeft afgeleerd. In de Bondsrepubliek zijn opnaai-emblemen – en dan met name die met kwetsende teksten aan het adres van andere clubs – nog altijd gouden handel; vandaar dat de collectie schier onuitputtelijk is. Subtiliteit is ook hier ver te zoeken, constateerde je met open mond. Bij de afbeelding van een varkentje in lederhose en een naakte prostituee met een verbodsteken over haar intieme delen: “WER IST KLEIN UND DARF NICHT REIN? EIN 1860 SCHWEIN.” Plaatsgenoot TSV 1860 München verhoudt zich inmiddels tot Bayern als Eindhoven tot PSV, maar dat betekent kennelijk niet dat je die dreumesen niet alsnog de grond in moet trappen.

Dat laatste moet zelfs letterlijk worden genomen, want je zag ook een plaatje hangen van een overlijdensadvertentie voor datzelfde 1860. In elk geval, zo drukte je jezelf op het hart na het zien van lollig bedoelde teksten als ‘WENN ARSCH-LCHER FLIEGEN KNNTEN, DAN WRE GANZ AACHEN EIN FLUGHAFEN’ en ‘FRANKFURT – DAS TOTALE SCHEISS-HAUS’, is het dus wáár wat ze vroeger altijd zeiden: dat de bundel ‘100 jaar Duitse humor’ net zo dik is als het Biafraanse kookboek. Uit schaamte sprak je ter plekke met jezelf af nooit meer te lachen om station Scheidplatz.


Je besloot daarop nat te gaan in de Paulanergarten. De futuristische Allianz Arena, die van afstand oogt als een albinoradiaalband, ligt in een niemandsland. Dus om de bezoekers toch de gelegenheid te geven om tussen station en stadion op prettige wijze de keel te smeren, heeft men er een heuse Biergarten uit de grond gestampt, compleet met lange tafels waar- aan het sociaal klotsen is. Nog meer klantvriendelijkheid: naast druipende braadworsten blijken er in een speciale kiosk ook sigaretten en sigaren te koop. Zelfs als niet-roker was je oprecht blij dat eenieder hier zelf kan beslissen of hij de vlam zet in een rol tabak; van zoiets bevoogdends als een rookverbod moeten ze in de Allianz Arena niets hebben. En nóg meer service: Bayern München heeft een speciale ingang voor vrouwen, waar deze doelgroep uitsluitend door seksegenoten wordt gefouilleerd. Dat bij elke wedstrijd wel een paar heren de onnozele uithangen en quasi-nietsvermoedend juist díe poort willen penetreren, zal bij de totstandkoming vast zijn ingecalculeerd.

Je ging comfortabel zitten in de volledig uitpuilende arena en terwijl je langzaam maar zeker genoeg begon te krijgen van het acteren in de jij-vorm, nam je het programmablad ter hand: een 84 pagina’s dikke glossy waar desondanks slechts 1 euro 50 voor hoefde te worden neergeteld. Op de cover zag je een interview met Markus Babbel aangekondigd, en met je onuitroeibare neiging tot het maken van woordgrappen constateerde je voor jezelf dat het erg makkelijk moet zijn om iemand met die achternaam te ondervragen. Je bladerde door het magazine en genoot van de prachtige foto’s, de dito vormgeving en de talrijke advertenties voor peperdure luxeartikelen. Niet voor niets dus, zo stelde je, heet München in het Italiaans ‘Monaco’. Lachen deed je ten slotte om de wervingspagina van Paulaner Bier, waarop een deel van de Bayern-selectie zich in klederdracht rond een aantal ferme glazen gerstenat heeft geposteerd. Met de punt naar voren spelend valt Louis van Gaal als eerste aan.


Nadat je via de geluidsinstallatie door de welbespraakte Mark van Bommel te verstaan was gegeven dat racisme in de Allianz Arena niet wordt getolereerd, ging je er eens goed voor zitten. Je voelde je weliswaar bekocht dat Arjen Robben op de bank was gezet, maar de aanwezigheid van diezelfde Van Bommel maakte een hoop goed. Je zag de beresterke middenvelder op het randje van het toelaatbare schoffelen en stelde vast dat deze man nooit meer in het Nederlands elftal zou mogen ontbreken – wat met een schoonvader als bondscoach ook niet echt meer in Frage zal zijn. Op de dode spelmomenten las je de elektronische reclameborden, waarbij je tot je afgrijzen ontdekte dat er werd geadverteerd voor Bifi-worstjes. Dat hondenvoer is in dit deel van de wereld nog mateloos populair – maar de conclusie die je daaruit zou kunnen trekken, hield je beleefd voor je.

Omdat je ondanks alles niet partijdig was, lachte je niet mee als via het scorebord bekend werd gemaakt dat FC Nürnberg, met wie je laxeertechnisch helemaal niets hebt, achter kwam te staan. Zoals je ook niet juichend opveerde toen de thuisploeg op voorsprong kwam. Je deed evenmin mee met het volgende staaltje volksmennerij:

Speaker: “FC Bayern!”

Volk: “Eins!!!”

Speaker: “VfB Stuttgart!”

Volk: “Null!!!”

Speaker: “Danke!”

Volk: “Bitte!!!”

Dat het niet lang daarna 1-1 en zelfs 1-2 werd, voelde je ook niet echt in je maag. Je zat hier als neutrale toeschouwer te genieten van ‘ein Kampfspiel, ein tolles Spiel!’ Dat, althans, waren de woorden van de radioreporter naast je. Navraag leerde je dat het hier om Günther Koch ging. Een bebaard Beiers boegbeeld, allitereerde je voor jezelf. Koch bleek een verslaggever met een eigen website. En eentje met een geheel eigen werkwijze, zo kwam je gaandeweg te weten, want tijdens zijn live-verslag interviewde hij iedereen in zijn directe omgeving: de rolstoeler op het invalidenplatform achter hem, het kortgerokte meisje van de hospitality, de frisdrankverkoper die zijn deel van de tribune wilde beklimmen en verder iedereen die de trap naast hem besteeg om in de catacomben een consumptie te scoren – of te lozen. “Ik ben een cultverslaggever,” zou hij je na afloop van de wedstrijd met veel zelfkennis toevertrouwen.


Zoals bij een Kampfspiel gebruikelijk is, beleefde je de laatste minuten op het puntje van je stoel. Want eigenlijk, moest je erkennen, gunde je die gekke Van Gaal wel een gelijkspel. Maar over telekinetische gaven bleek je niet te beschikken, want het linkerbeen van de na rust in de ploeg gekomen Robben kon je met geen mogelijkheid het juiste zetje geven. Wat heet: de wondervoetballer uit Bedum zette dat been in de slotfase zelfs totaal verkeerd neer, waarna een immense pijnscheut door zijn lichaam trok en je prompt begon te vrezen voor vervelende consequenties inzake Oranje. Dat de Stuttgart-fans vanaf dat moment onafgebroken ‘Sieg! Sieg!’ scandeerden, maakte het er niet gezelliger op. Natuurlijk, je wist dat Sieg slechts ‘zege’ betekent, maar voor jouw generatie zou dit toch tot in lengte van dagen een besmet woord blijven.

Na afloop van Bayerns eerste thuis-nederlaag in de Bundesliga sinds 25 april 2009 bezocht je nog even de pers- conferentie, om wellicht getuige te zijn van een legendarische woede-uitbarsting. Maar Chef-trainer Van Gaal leek daar geen puf meer voor te hebben. Je hoor- de hem “Es tut sehr viel weh, tenke ich” zeggen, maar voelde je niet geroepen om te zeggen dat het in dit geval ‘den- ken’ is in plaats van ‘tanken’. Dat laatste ging je zelf wél doen, aan de bar in de ruimbemeten perskamer van de Allianz Arena, waar de bierglazen een halve meter hoog zijn. En al slobberend sprak je met jezelf af dat dit de eerste en de laatste keer was dat je een verhaal in de je-vorm beleefde.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Michiel Blijboom