Een Britse vingerwijzing

Journalisten, opiniepeilers en voorstanders van ‘politieke vernieuwing’ zaten er weer eens helemaal naast. Vooraf werden de Britse verkiezingen ‘historisch’ genoemd, want er zat een wisseling van de wacht aan te komen. De dodelijk vermoeide Gordon Brown zou met zijn niet meer zo nieuwe New Labour eindelijk worden weggestemd, onder de jonge David Cameron zouden de Conservatieven een nieuw tijdperk binnentreden, en onder de frisse nieuweling Nick Clegg, die bij een televisiedebat de show had gestolen, zouden de Liberal Democrats voor een politieke doorbraak gaan zorgen.

De enige voorspelling die echt uitkwam, was dat de verkiezingen helemaal geen beslissing brachten. Het grote voordeel van het Britse kiesstelsel, dat altijd duidelijke winnaars produceert die meteen de volgende dag op 10 Downing Street aan de slag kunnen, werd zo om zeep geholpen. Niks doorbraak, maar een impasse. Ook in Groot-BrittanniĆ« zullen ze nu net als in de meeste Europese landen aan coalitievorming moeten gaan doen. Natuurlijk kun je daar een ‘vernieuwing’ in zien, want het geeft de Liberal Democrats een kans om veranderingen in het kiesstelsel af te dwingen. Maar zij bleven ‘derde kracht’ en verloren ondanks meer stemmen zelfs zetels. Dat is niet het mandaat voor het soort veranderingsagenda dat journalisten graag zien.

Bovendien boekten de Tories als enige partij zetelwinst, onder een leider die eerder lijkt op een conservatieve versie van Tony Blair – het nu verguisde wonderkind van New Labour – dan op boegbeelden als Winston Churchill en Margaret Thatcher. Geen wonder dat de zure Brown nog even aanblijft. Als opvolger van de charismatische Blair, die in 2007 na een premierschap van tien jaar zelf terugtrad, was hij al drie jaar tweede keus, en die ondankbare rol krijgt zo nog een symbolische verlenging. Het is tevens een vingerwijzing voor Nederland, waar op 9 juni verkiezingen zijn. De reeds afgeschreven Jan Peter Balkenende kan moed putten uit de Britse gang van zaken. Charisma en een lovende pers (voor Clegg) zijn geen garantie voor succes. Als er echt gekozen moet worden, gaat de kiezer voor partijen die hij al kent.


Dat neemt niet weg dat het tijdperk van New Labour, in 1997 met veel bombarie aan de macht gekomen onder het motto ‘things can only get better’, voorbij lijkt. Dat kan niet anders, want alles dat zich als ‘nieuw’ aanprijst, wordt vanzelf oud. Maar al diegenen die beweren dat New Labour op een gigantische teleurstelling is uitgelopen, hebben zichzelf voor de gek gehouden. Zij hadden ofwel veel te hoge verwachtingen (journalisten mogen zich dat aanrekenen; zij moeten weten dat het geloof in wonderdoeners van het type Blair of Obama iets belachelijks is), ofwel miskennen dat een politieke beweging die in een gerijpte democratie als de Britse dertien jaar aan de macht weet te blijven wel degelijk iets in haar mars moet hebben.

In het begin leek New Labour vooral het product van handige spindoctors en netwerkers die de gehate Conservatieven uit het zadel hadden gelicht. Met zijn tandpastaglimlach werd Blair vaak met Bambi vergeleken en hij grossierde in modieuze praatjes. Maar toen het moeilijk werd, bleek het beschimpte ‘schoothondje van Bush’ wel degelijk over eigen opvattingen te beschikken en durfde hij de publieke opinie te trotseren. De veelgehoorde stelling dat ‘Irak’ de ondergang van Blair inluidde, klopt niet. Twee jaar na de inval won hij voor de derde keer op rij verkiezingen en hij bepaalde zelf de datum van zijn vertrek. Als dat falen is, falen alle politici. Als de gepolijste Tory-leider Cameron nu meer op Blair lijkt dan op Thatcher, lijkt mij dat een erkenning van het succes van New Labour, dat de scherpste kantjes van de door bittere tegenstellingen gekenmerkte Britse politiek wist weg te slijpen. Helemaal onlogisch is dat niet, want onder Blair en Brown brak New Labour met de oude klassenstrijd. Misschien was de stille transformatie van Labour tot een vaag soort christen-democratie – Brown heeft iets van een ouderling en Blair bekeerde zich tot het rooms-katholicisme – inhoudelijk nog de grootste ‘politieke vernieuwing’ in de laatste jaren. Dat verklaart tevens waarom het nu niet meer zo nieuwe Labour als middenpartij tussen de Tories en de Liberal Democrats een machtsfactor van belang blijft.


Britse socialisten die door hun heroriƫntatie op de middenklasse in een soort CDA zijn veranderd, dat lijkt mij origineler en van meer gewicht dan de opkomst van Nick Clegg. Bij D66 doen ze er goed aan te bestuderen hoe hun Britse pendant omgaat met zijn positie als kingmaker. Ik voorspel dat dit nieuwe licht vakkundig door de gevestigde partijen uit de fittingen zal worden gedraaid.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

import dirk jan van baar