Lastige jongens briljante voetballers

De Confettigeneratie heeft een broertje dood aan autoriteit. Dat botst met de hiërarchie van jeugdopleidingen in het betaald voetbal, waar de wil van de trainer wet is. Tijd voor een nieuwe aanpak. ‘Ik laat de club niet de persoonlijkheid van mijn kind afpakken.’

Een joch van dertien dat scoort met een omhaal à la Messi. Langs de lijn zijn ouders én zijn zaakwaarnemer. Als hij even later wordt gewisseld, scheldt hij zijn trainer uit. Hij bewijst zich een exponent van de mondige generatie. Assertiviteit is in onze hyper-individualistische samenleving de sleutel tot succes. Dat geldt ook voor voetbaltalenten. Veelbelovende spelers zijn zich op jonge leeftijd bewust van hun eigen waarde en willen die zo snel mogelijk verzilveren in een contract. Hun ouders staan met raad en daad terzijde, dromen ervan hun zoons ooit te zien schitteren bij een buitenlandse topclub.

Deze houding staat echter in schril contrast met het klimaat van de jeugdopleidingen in het betaald voetbal, waar spelers nummers zijn en de trainer oppermachtig is. In Nederland zijn er 13 regionale jeugdopleidingen, waar in totaal 37 betaaldvoetbalorganisaties achter zitten. Slechts een fractie van de daar rondlopende spelers zal de top bereiken, de rest valt af tijdens het selectieproces. “Het is knokken,” zegt Zeger van Herwaarden, ontwikkelingspsycholoog en auteur van het recent verschenen Het Oranje WK-boek. “Supertalenten als Dennis Bergkamp en Christian Eriksen, de aanvallende middenvelder die dit seizoen doorbrak bij Ajax, dienen zichzelf aan, maar in de meeste gevallen is de weg naar het eerste lang en onzeker.”

Patrick van Egmond speelde vijf jaar in de jeugdselectie van SC Heerenveen. Hij werd zelfs een paar keer geselecteerd voor een stage bij Oranje onder 15. Maar na vijf succesvolle seizoenen viel voor hem in 2007 opeens het doek. Patrick kreeg tijdens de halfjaarlijkse evaluatie te horen dat hij niet langer tot de selectie behoorde. “Niemand kon uitleggen waarom niet. Ik stond iedere wedstrijd in de basis. Tja, soms had ik wel problemen met de trainer. Die had vier lievelingetjes en de rest stond buitenspel,” analyseert hij achteraf. “Ik was niet altijd een lieverdje, maar ik wilde wel graag beter leren voetballen. Het was moeilijk om over problemen te praten met de trainer, en dat accepteerde ik niet altijd.”


Patrick leerde al op jonge leeftijd voor zichzelf op te komen. Als tienjarig jongetje kwam hij als asielzoeker uit Congo in Nederland terecht. Zijn moeder, Gerda van Egmond: “Wij hebben Patrick opgevoed met het idee dat hij voor zichzelf mag opkomen. Dat hij vraagt naar dingen die hij niet begrijpt. Door de club werd dit niet altijd als positief ervaren.”

Maar goed kunnen communiceren, is volgens Van Egmond juist belangrijk. “Zo’n club neemt tijdens de jeugdopleiding een belangrijk deel van de opvoeding over. De jongens zijn daar vrijwel elke dag langere tijd.” Bovendien, vindt ze, moet plezier in het voetbal voorop staan. “Je kreeg toch te vaak het gevoel dat je zoon alleen maar handelswaar was. Veel was uitstekend geregeld bij SC Heerenveen, maar op dit punt vind ik dat ze zeker gefaald hebben. Jonge jongens die afvallen krijgen al heel vroeg in hun leven te maken met een enorme mentale optater.”

Nadat Heerenveen hem de laan had uitgestuurd, dacht Patrick van Egmond over stoppen met voetballen. Gerda van Egmond: “Zijn vader en ik hebben hem toen ervan overtuigd dat hij niet zomaar moest opgeven omdat hij problemen had met één vervelende trainer.” Na een half jaar bij eerstedivisieclub FC Zwolle, kreeg Patrick een telefoontje van de trainer van de A-jeugd van Vitesse. Nu speelt de negentienjarige centrale verdediger al anderhalf jaar in Arnhem. Met veel plezier, al heeft hij te horen gekregen dat hij vanwege bezuinigingen niet verder mag bij de club. Patrick van Egmond: “De trainer behandelt ons tenminste als voetballers, als volwassenen, en we mogen dingen vragen.”

Marjorie Slory-Esajas, de moeder van voormalig Feyenoorder Andwele Slory, merkte ook dat haar opvoedingsstijl botste met die van de trainers van haar zoon. Andwele, die dit seizoen uitkwam voor de Britse tweedeklasser West Bromwich Albion, doorliep tussen 2000 en 2005 de jeugdopleiding van Telstar.


Slory-Esajas: “Ik heb Andwele opgevoed met het principe dat je respect voor je medemens moet hebben, terwijl hij op de training leerde hoe je een tegenstander op een geniepige manier verrot kon trappen. Ik zei tegen mijn zoon dat ik geen rode kaarten wilde zien.” Ze diept een anekdote op: “Het is wel eens voorgekomen dat Andwele vlak voor een wedstrijd brutaal was geweest tegen zijn vader. Ik wilde hem pas naar de club brengen als hij ‘sorry’ had gezegd. Toen belde zijn trainer woedend dat ik nu moest gaan rijden, omdat ik anders het belang van de club saboteerde. Belachelijk hoe hij mij onder druk zette.”

De voetbalmoeder bracht haar zoon pas toen die zijn excuses had gemaakt. “Op dat moment besloot ik dat ik de club niet de persoonlijkheid van mijn kind zou laten afpakken. De trainer is zijn begeleider tijdens het voetballen, maar ik ben te allen tijde de ouder. Niet andersom.”

De kritische houding van ouders als Slory-Esajas en Van Egmond tegenover de trainer en de club, is uitzonderlijk. Slory verbaast zich over de onderdanige opstelling van voetbalouders. Op de school waar ze werkt, het Augustinus College in Amsterdam Zuid-Oost, merkt ze hoe mondig Nederlandse ouders kunnen zijn. “Maar op de club zeggen ouders op alles ‘ja’ en ‘amen’ en bedelen ze om een contract voor hun dertienjarige zoon.”

Een individualistische opvoeding enerzijds en onderwerping aan de club anderzijds: het zijn twee kanten van dezelfde medaille. Hun ouders geven voetballer- tjes het gevoel dat ze bijzonder zijn, dat de wereld om hen draait, maar op het voetbalveld moeten ze zich volledig voegen naar de wil van de trainer. Dat veroorzaakt bij veel jongens kortsluiting.


Ouders die, zoals Slory-Esajas en Van Egmond, verlangen dat hun zonen zich ook op het voetbalveld assertief opstellen, versterken dit effect. Niet zo gek dus, dat hun zonen als moeilijke jongens te boek staan.

Maar niet alleen de talenten zitten in een spagaat, ook de opleidingen zelf. De economische crisis heeft het Nederlandse betaald voetbal hard getroffen. Geld om talent uit het buitenland te halen is er nauwelijks. Het kapitaal moet dus op eigen velden worden gekweekt. De crisis verhoogt daardoor de druk op clubs om topspelers af te leveren.

Om het hoofd boven water te houden, zien Nederlandse clubs zich genoodzaakt hun talentvolste spelers steeds vroeger te verkopen aan royale betalers als Real Madrid en Liverpool. Ter illustratie: Johan Cruijff was 26 toen hij naar het buitenland vertrok, Marco van Basten 22. Royston Drenthe en Ryan Babel waren beide 20 toen ze in 2007 naar de Spaanse en Engelse liga vertrokken. Clubs als Arsenal en Chelsea hebben al Nederlandse jeugdspelers vanaf 15 jaar onder contract.

Spelers willen zelf ook op steeds jongere leeftijd weg. De Eredivisie is een springplank geworden naar Europa, waar het grote geld ligt. Trouw zijn aan de club die het talent de kans heeft geboden zich te ontwikkelen, is allang niet meer van deze tijd. Voetballers zien de jeugdopleiding als een investering in zichzelf en niet zozeer als investering in de club. Clubliefde bestaat nauwelijks binnen de huidige generatie.

Begin jaren negentig begonnen trainers als Louis van Gaal en Co Adriaanse met het professionaliseren van jeugdopleidingen. Het scouten van talent gebeurde op steeds jongere leeftijd, omdat de jongens dan nog kneedbaar zijn. Voetbalopleidingen werden professionele instituten met strenge regels. ‘Voetbalfabrieken’ noemt Van Herwaarden ze.


De aanpak van Van Gaal betekende een enorme boost voor de jeugdopleiding van Ajax. Hij plaveide de weg voor de gouden generatie die in ’95 de Champions League won. Maar zijn veel geprezen werkwijze had ook een schaduwzijde. Van Gaal houdt niet van onvoorspelbaarheid en wil toeval zo veel mogelijk uitsluiten. Dus was hij degene die dacht en niet de spelers zelf. Van Herwaarden: “Van Gaal had minder aandacht voor het individu. Je ziet dat veel spelers na zijn vertrek in een zwart gat vielen. Denk bijvoorbeeld aan oud-Ajacied Andy van der Meyde, die totaal verpieterde bij Inter. Uiteindelijk moet de ontwikkeling van een speler niet afhankelijk zijn van zijn trainer. Hij moet in elk land en in elk systeem kunnen presteren.”

Toen Van Gaal in 1997 wegging bij Ajax, viel voor veel jongens alle structuur weg. Rody Turpijn (32) was een van hen. De vleugelspeler voetbalde vanaf zijn dertiende bij Ajax. Hij maakte zijn debuut in 1996, in het team van de Champions League-winnaars. Kort daarna vertok Van Gaal naar Barcelona. Zijn opvolger Morten Olsen zag niet veel in Turpijn en in 1998 werd zijn contract beëindigd. Na vijf seizoenen bij FC De Graafschap zette hij een punt achter zijn profvoetbalcarrière. Op zijn 25ste begon hij met Europese studies aan de UvA. Turpijn, tegenwoordig werkzaam bij Randstad, kwam goed terecht, maar een aantal voormalig teamgenoten bleef vergeefs dromen van een voetbalcarrière. “Een oud-teamgenoot raakte behoorlijk aan de drank, moest zijn huis uit en woont nu weer bij zijn ouders.”

Turpijn, die regelmatig invalt als jeugdtrainer bij Ajax, beaamt dat er op het voetbalveld een enorme mentaliteitsverandering heeft plaatsgevonden. “Spelers hebben een grote mond, luisteren niet meer naar de trainer. In mijn tijd was het veel strenger. Hoe goed je ook was: als je shirt niet in je broek zat, zat je op de bank. En als je het nog een keer niet deed, dan werd je weggestuurd. Nu niet meer. Trainers zijn bang dat talenten overlopen naar een andere club. Bij de training van de C-tjes staan er standaard Engelse scouts langs de lijn.”


Zelf heeft Turpijn zich nooit afgezet tegen de hiërarchische structuur van zijn jeugdopleiding. “Ik houd van duidelijke regels. De trainer was God, inderdaad. Ik vond dat prima.” Terugkijkend heeft Turpijn wel de persoonlijke begeleiding gemist in de Ajax-jeugd in de jaren negentig.

Slory-Esajas vindt dat jeugdopleidingen ook nu nog te weinig rekening houden met de persoonlijke ontwikkeling van spelers: “In het betaalde voetbal bestaat er een enorm spanningsveld tussen de prestaties en de ontwikkeling van het kind. Bij een normale ontwikkeling mag een kind fouten maken, in het betaalde voetbal worden die afgestraft. Daarmee is duidelijk dat het gros van de trainers geen kaas heeft gegeten van pedagogiek.”

Ze maakte voor de KNVB een studie over de sociaal-emotionele ontwikkeling van jeugdvoetballers. Ze concludeert dat veel opleidingen de creativiteit van hun pupillen doden en dat de keuzes van trainers bij de selectie vaak neerkomen op nattevingerwerk. “Veel talenten halen de eindstreep niet omdat ze alleen maar bezig zijn met de vraag: ‘Hoe wil de trainer dat ik ben?’, en niet ‘Wie wil ik zelf zijn?’ Want de wil van de trainer is wet.” Zuchtend: “En dat is duidelijk te merken. Ze kunnen of willen hun keuzes vaak niet onderbouwen. Als de trainer Andwele op de bank zette, vroeg ik hem of hij mijn zoon ook kon uitleggen waarom dat zo was. Dat werd mij niet in dank afgenomen.”

Slory-Esajas vermoedt dat hierdoor veel talent verloren gaat. “Het eigen karakter van een speler kan hem dat extra beetje souplesse en vurigheid geven, waardoor die op het veld voor verrassende acties zorgt. Als clubs de individuele kwaliteiten van spelers systematisch de kop indrukken, zal er in Nederland geen nieuwe Messi opstaan.”


Opleidingshoofd Pascal Jansen van de jeugdopleiding van Sparta wil niets van doen hebben met de opvattingen van Van Herwaarden en Slory-Esajas. De publicaties van Zeger van Herwaarden kent hij niet. “Ik distantieer me van hun opvattingen.” De jeugdopleiding van Sparta is zich bewust van de individualistische aanpak die de huidige generatie nodig heeft om optimaal te presteren, zegt hij. “De maatschappij is veranderd en voetbalopleidingen moeten daarop inspelen.”

Vorig jaar won zijn jeugdopleiding de Rinus Michels Award voor de beste Nederlandse jeugdopleiding. De jury prees de goede prestaties en grote doorstroming naar het eerste elftal, maar vooral het zelfontwikkelde spelervolgsysteem. Jansen is dus trots. “Veel clubs tonen interesse in onze methode. Ook de jeugdopleidingen van Ajax en PSV, die een veel groter budget hebben dan wij.” Vergeleken met de geschatte vier miljoen die Ajax jaarlijks in zijn jeugdopleiding steekt, is de acht ton waar Sparta het mee moet doen inderdaad bescheiden.

Maar juist de schaarse middelen zetten aan tot innovatief denken. Jansen: “Naast de fysieke en tactische vooruitgang van de spelers, besteden wij ook veel aandacht aan de mentale ontwikkeling. Dat is innovatief aan Sparta’s werkwijze. Wij denken dat juist de mentale kracht bepaalt of iemand slaagt in de maatschappij. Niet per se als profvoetballer, maar als mens.”

Vroeger gingen clubs er volgens Jansen van uit dat de trainer die mentale ontwikkeling wel kon begeleiden, maar bij Sparta vinden ze dat daar specialisten voor nodig zijn. “Daarom werken we samen met mental coaches van de talentenacademie uit Den Bosch. Het idee achter ons spelervolgsysteem is dat we alle informatie bij elkaar hebben en dus in één oogopslag kunnen zien waar we een jongen extra moeten begeleiden. Sommige spelers hebben van nature een ijzersterke mentaliteit; neem een Dirk Kuijt. Maar er zijn ook spelers die technisch heel sterk zijn, maar mentaal een extra steuntje in de rug nodig hebben.”


Jansen vindt het belangrijk dat zijn pupillen een reëel zelfbeeld ontwikkelen. Hij wijst naar twee posters op het prikbord. ‘Mentale verschillen bepalen wie de winnaars zijn’ en ‘Je moet het lef hebben om te falen als je succesvol wilt worden’ staat erop. “Als jongens weten waar hun kracht en hun zwakte ligt, kun je veel meer met ze bespreken.

We willen een sfeer creëren waarin ze op elk moment vragen kunnen stellen. Want dat hoort bij deze generatie en bij deze tijd. Besef wel dat we het hebben over kinderen die geboren zijn tussen 1991 en 2002.”

Sparta betrekt ook ouders bij de opleiding. “Vorig jaar hebben we een klankbordgroep opgericht, zodat ouders vragen kunnen stellen. Als we vermoeden dat een jongen het jaar waarschijnlijk niet gaat halen, vertellen we dat eerlijk. Maar we bewaren wel afstand. Er zijn ouders die zich overal mee willen bemoeien. Dan zeg ik: ‘U gaat toch ook niet bij uw zoon in de klas zitten?'”

Ook belangrijk bij Sparta: de beslissing of een jongen doorstroomt naar het volgende jaar, neemt de trainer niet alleen. “Het hele team van begeleiders heeft daar inspraak in, ook de mental coach. Als het met een speler niet lekker loopt, kijken we ook naar de chemie tussen hem en de trainer. We zijn heel kritisch op onze trainers. We kijken of ze goed functioneren en overweg kunnen met de leeftijdgroep. Ook daarin is Sparta een voorloper, geloof ik.” Saillant detail: Rinus Michels, de naamgever van de award waar Sparta ook dit jaar op hoopt, stond bekend om zijn autoritaire trainingsstijl. Spelers hadden geen naam, maar waren nummers.

Ook andere Nederlandse voetbalopleidingen zullen zich moeten aanpassen aan de eisen van deze tijd. Dat houdt in: aandacht voor het individu en jongeren met een open houding benaderen. De trainer kan zich de rol van alleenheerser niet langer permitteren. Die nieuwe benadering brengt echter ook een moeilijkheid met zich mee; namelijk het evenwicht bewaren tussen de eigenheid van een speler en de op papier vereiste kwaliteiten voor topsport. Toch is deze benadering noodzakelijk om toptalenten – die je tegenwoordig niet eeuwig kunt vasthouden – zo lang mogelijk te behouden. Slory-Esajas: “Maar voordat alle jeugdtrainers dat inzien, moeten er nog bergen worden verzet.”

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Laura de Jong en Sterre Lindhout