‘Muziek moet een obsessie zijn’

Ter gelegenheid van zijn nieuwe album Get Lucky en de daaropvolgende wereldtournee, gaf Mark Knopfler een miniconcert in de historische Bush Hall in Londen. Een dag later toont het zestigjarige gitaarfenomeen zich bereid om over zijn leven als muzikant te praten.

Bush Hall is de droom van iedere concertganger. In 1902 oorspronkelijk gebouwd als danszaal, werd deze ruimte vol barokke, gestuukte ornamenten, oversized kroonluchters en rood pluchen gordijnen gebruikt als respectievelijk biljartpaleis, bingohal en soepkeuken. Aan het begin van het nieuwe millennium werd de zaal weer in de oorspronkelijke staat teruggebracht en groeide de club uit tot een podium waar – om maar een paar namen te noemen – Adele, Amy Winehouse, Sufjan Stevens, Nick Cave en Kings of Leon met plezier optraden.

Het podium is nog geen vijftig centimeter hoog en wie op tijd komt, kan de musici letterlijk aanraken. En bij grootheden als Knopfler, die alleen nog maar in stadions of andere onpersoonlijke megahallen te zien zijn, is dat een bijna surrealistische, soms een beetje ontluisterende ervaring. De jonge god met de goudblonde lokken en de trademark bandana ziet er nu uit als een wat nurkse opa met de schuin afhangende ogen van een basset. Hij speelt schijnbaar emotieloos, trekt soms een mondhoek op wanneer hij een snaar opdrukt, glimlacht spaarzaam als een van zijn muzikanten iets moois of onverwachts doet.

‘Music from schoolteachers for schoolteachers’ zeiden de hardcore rockers vroeger over de muziek van Dire Straits. Luisterend naar de verrichtingen van Knopfler op dit poppenhuispodium lijkt deze kwalificatie maar weinig aan kracht te hebben ingeboet; zijn muziek is nog steeds sophisticated en bepaald niet van de straat. De singer-songwriter, met een overmatig talent voor het bespelen van de elektrische gitaar, verdient meer respect dan de genoemde schoolmeestersanalogie. Het zinnetje ‘Bob Dylan ontmoet J.J. Cale in Schotse folkclub’ doet zijn muziek, zeker het in met fiddles en fluiten gedrenkte Get Lucky, meer eer aan.


Niet dat Knopfler en zijn begeleidingsband veel van het nieuwe album spelen: het titelstuk Get Lucky en het aan Knopf- lers gitaarbouwer John Monteleone opgedragen Monteleone zijn de enige twee. Het publiek heeft daar geen problemen mee. Zowel de aanwezige platenbonzen als de weinige uitverkoren fanclubleden krijgen, soms tegen wil en dank, toch even kippenvel wanneer als toegift het monumentale Brothers in Arms wordt ingezet, een lichamelijke reactie waar het huiskamergevoel van Bush Hall voor een deel debet aan is.

Mark Knopfler noemt Bush Hall een dag later ‘een lastig, niet erg leuk zaaltje’ en wanneer zijn ondervrager zijn verbazing over zijn denigrerende woorden uitspreekt, haast hij zich om zijn uitspraak met een ‘nou ja, het kon er mee door’ enigszins te nuanceren. “Het was eerder het geluid op het podium dat niet zo tof was,” wijdt hij verder uit. “Verder is er niks mis met zo’n kleine zaal. De intimiteit en eenvoud bevalt mij wel.” In Before Gas and TV, een van zijn nieuwe songs, getuigt de gitarist van een bijna weemoedige hang naar de jaren vijftig, het decennium van zijn vroegste jeugd. Met zijn dylaneske stem bezingt hij de tijd van voordat er benzine en tv waren, voordat we auto’s hadden, we rond het vuur zaten en een gitaar doorgaven. Is dat nostalgie? “Ja,” reageert Knopfler zonder aarzelen. “Vooral musici hebben dat. Samen mu- ziek maken is echt iets fantastisch. En de eerste ervaringen met samen mu-ziek maken vinden meestal plaats in een intieme omgeving, in pubs of kleine zaaltjes. De emoties die je dan ondervindt zijn heel erg sterk. Maar wanneer je professional wordt, verandert dat allemaal. En ja, dan mis je het om samen in een kleine ruimte te musiceren.”


U zou kunnen opteren voor het spelen op kleinere podia…

“Da t zou niet realistisch zijn. Ik zou dan alleen maar een enorme vraag naar kaartjes creëren, kaartjes die op eBay een fortuin zouden kosten. Ik bedoel: dat soort dingen heb je niet in de hand. Nee, ik ben daar geen fan van. En nu we het er toch over hebben: we zijn, om de zwarte markt de nek om te draaien, bezig met een systeem op te zetten, waarbij we de kaartverkoop via de fanclub laten lopen: dat je een kaartje krijgt waar je naam op staat. Maar spelen in kleine clubs zou niet werken – dan zou ik te veel mensen moeten teleurstellen. Ik speel dan liever een week in de Albert Hall in Londen. Dat is prima. Voor mij is dat de juiste grootte. Soms hebben ook die hele grote venues wel wat. Bercy in Parijs is groot, maar die zaal voelt niet groot aan, als je begrijpt wat ik bedoel. Die enorme hallen kunnen een bepaald soort intimiteit hebben. Maar ik begrijp wat je bedoelt: het moet niet té massaal worden. De laatste show van U2 bijvoorbeeld is meer een event. En dat is prima, maar op een of andere manier is dat voor mij niet hetzelfde als een concert. En het is niet aan mij om te zeggen dat je dan je ziel aan de duivel verkoopt. Je moet als muzikant gewoon doen wat je hart je ingeeft, doen wat goed voor je is. En ik denk dat ik in het begin van de jaren negentig heb gedaan wat goed voor mij was, door op te houden met Dire Straits. Daarna is het veel beter geworden, hoewel ik bang ben dat het met deze plaat weer opnieuw gaat beginnen. Het enige verschil is dat ik nu een positie heb, waarin ik de regie in handen kan houden. Nu bepaal ik zelf hoeveel tijd ik nodig heb om nieuw materiaal te schrijven of hoeveel tijd ik wil besteden aan het opnemen van een plaat.”


Toch wordt er voortdurend gespeculeerd over een hereniging van Dire Straits. Wordt die druk soms niet te groot?

“Nee. Dat leven heb ik geleefd. Managers, schema’s, verkoop, marketing, fans, privéleven, vrouw, kinderen: alles tuimelde over elkaar heen. Dan kun je wel in een vliegtuig stappen en de wereld rondvliegen, maar wanneer je thuiskomt liggen de problemen er nog steeds. Het enige wat je bereikt met nóg beroemder worden, is dat je nóg langer van huis kunt zijn, maar ook dan liggen de problemen er bij thuiskomst nog. En met het ontbinden van Dire Straits probeerde ik – privé – te redden wat er nog te redden viel. Ik moest gewoon iets doen. Ik was op de vlucht. In een band kun je namelijk helemaal verdwijnen, als je dat wilt. Ik heb nu alles weer onder controle.”

Uw drang tot optreden is echter geble- ven. Is dat waar de song Piper To The End over gaat? De artiest die als een moderne versie van de Rattenvanger van Hamelen – the Pied Piper – de mensen met zijn magische klanken in vervoering brengt?

“Zo zou je die tekst op kunnen vatten. Maar ik zie mezelf niet als een moderne Pied Piper. Het enige wat ik probeer is om een goeie song te schrijven, om een goeie plaat te maken en goeie shows te geven. Meer wil ik niet. Als me dat lukt, ben ik volkomen gelukkig; dan hoef ik voor de rest niets meer. Piper To The End gaat trouwens over mijn oom Freddie die muzikant in het leger was. Hij sneuvelde op twintigjarige leeftijd in de oorlog in Frankrijk. Kun je het je voorstellen? Mijn zoons zijn nu 21. En er sneuvelen nog steeds jonge gasten. Daarom gaan de opbrengsten van de single naar Royal British Legion Poppy Appeal, de organisatie die nu bijvoorbeeld de nabestaanden van de militairen die in Afghanistan zijn gesneuveld ondersteunt.”


U bent ooit leraar en popjournalist geweest totdat u, zo zingt u in Get Lucky, de mazzel had dat uw songs werden opgepikt. Stel dat dat niet was gebeurd, zou u dan erg ongelukkig zijn geweest om hier aan de andere kant van de tafel te zitten?

“Met alle respect, hoor, maar ik denk het wel. Ten eerste moet er, om een goeie journalist of schrijver te zijn, toch een beetje drukinkt door je aderen stromen. Schrijven is meer dan alleen maar je brood verdienen. Je moet ook het verlangen om te schrijven voelen. Op Get Lucky staat een nummer dat The Car Was The One heet. Dat nummer gaat over een groot verlangen van een jongen die coureur wil worden, maar, gezien zijn jeugdige leeftijd, op de racebaan niet verder komt dan de bar. Vanachter een biertje kijkt hij afgunstig naar de winnaar en zijn beeldschone vriendin. Maar wie diep in zijn hart kijkt, weet dat het niet om het winnen of die mooie vriendin gaat: het was zijn auto, een AC Shelby Cobra, die hij wilde hebben. En in dát verlangen herken ik mezelf heel erg terug. Voor mij was het geen auto, maar een Fender Stratocaster. Als je zo’n gitaar had, dan hoorde je erbij. Hank Marvin van The Shadows speelde op zo’n instrument. In mijn puberteit vond ik The Shadows te gek. Dus ik wilde een ‘Strat’. Een rode, welteverstaan. Maar daar moest ik nog lang op wachten. Mijn eerste gitaar had wel min of meer de vorm van een Stratocaster en was ook wel rood, maar was in werkelijkheid een Höfner V2 van vijftig pond. Ik was een jochie dat niet zozeer beroemd wilde worden of prijzen wilde winnen; ik wilde spelen, ik wilde die gitaar. Ik was een jaar of acht, negen toen ik mijn oom boogiewoogie op de piano hoorde spelen. Dat fascineerde mij. Een van mijn adviezen aan beginnende gitaristen luidt trouwens nog steeds: leer dat ritme en die drie akkoorden op de piano te spelen. Bij m’n oom is het begonnen. Maar ik had, zoals die jongen in de bar, nog helemaal niks. Alleen het verlangen om muziek te maken was er, en dat dreef mij steeds verder. Toen ik eenmaal songs begon te schrijven, waren het de songs die mij meer en meer richting een professionele carrière begonnen te duwen. Ondertussen had ik wel goed leren spelen, maar het lukte me nog steeds niet om te bereiken wat ik wilde. Toch moesten die songs opgenomen worden. Je moet een bepaalde vorm van dwangmatigheid hebben. Muziek moet een obsessie zijn, anders red je het niet.”


Meer wilskracht dan mazzel dus?

“Ik denk dat iedereen in de muziek een kans krijgt om het te maken. Je begint met een optredentje ergens in een obscuur keldertje en een week later staan ze op de trap al in de rij. En weer een week later staat er een rij die tot aan de andere straat loopt. Dan ben je opeens een act die iedereen gezien wil hebben, waar iedereen bij wil horen. Op dat moment moet je de bal oppakken en ermee blijven lopen. Je moet niet na één succesje denken: nu ga ik maar eens een film maken, want ik ben het reizen een beetje beu. Het is me opgevallen dat veel artiesten tegenwoordig bang zijn om te reizen. Echt bang. De wereld is niet zo veilig meer als hij was, dus blijven ze liever thuis om naar tennis en cricket te kijken, de hond uit te laten en om aan acht uur slaap te komen. Ik niet. Ik wil onderweg zijn. Ik wil optreden. Mijn leven bestaat nu uit enerzijds tijd voor mijn gezin en anderzijds tijd voor de band. Ik heb vier kinderen, dus bouw ik mijn tournees rond de schoolvakanties, zodat ik op essentiële momenten thuis ben. De tour is meestal lang genoeg om de zigeuner in mij tevreden te stellen. Ik hoef niet meer zo nodig honderd procent van mijn tijd zigeuner te zijn. Maar mijn koffers worden nooit helemaal uitge pakt. Daar moet je van houden.”

Mark Knopfler: 28, 29 en 20 juni in de HMH te Amsterdam.

Get Lucky verscheen bij Universal

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Ruud Meijer