Too much information

Het was een van de meest onsmakelijke sportgerelateerde berichten waar ik de afgelopen tijd tegenaan botste. “De echtgenoot van de thuishulp die de terminaal zieke vrouw van sportverslaggever Olav Mol verzorgde, beweert dat Olav met zíjn vrouw is vreemdgegaan,” schreef de Privé-pagina van De Telegraaf. Buiten het feit dat het hier om wel héél afgeleide roem gaat – de echtgenoot van de thuishulp van de vrouw van de bij een klein deel van de bevolking bekende Nederlander – voelde het bepaald onprettig om zó’n intieme blik in andermans leven te krijgen.

Alsof Wilma Nanninga je met je neus in een open wond had gedrukt en je er ook nog eens met diezelfde neus in rondroerde. “Olavs vrouw Marjon overleed eind januari van dit jaar aan kanker,” schreef de krant van Wakker Nederland. “Zeventien maanden lang moest ze chemokuren ondergaan en een thuishulp hielp Olav met haar verzorging. Volgens haar echtgenoot hield zij zich dus vooral bezig met Olav.”

Het was typisch een geval van too much information, zoals de huidige generatie dat verwoordt. Noem me een fatsoensrakker, maar ik hoef niet te weten waar Olav Mol ‘m buiten werktijd in parkeert. Waar hij zijn vette bougie laat doorsmeren. Bij wie hij langsgaat voor een grote beurt. Waar hij het liefste krikt. Gesnopen?

En een vrouw die aan de gevolgen van een verschrikkelijke ziekte is bezweken, wens ik te laten rusten in vrede, zonder dat me wordt verteld hoe ze op haar sterfbed zou zijn bedrogen. Gezien het succes van een schoft als Kluun ben ik daarin zo ongeveer de enige, maar die uitzonderingspositie koester ik met graagte. Er zijn nou eenmaal ethische grenzen in dit vak. Ik bedoel: straks gaat iemand nog bij Olav Mol langs om zijn vuilniszakken open te scheu…

Sorry, verkeerde voorbeeld.

Vooropgesteld: Olav Mol is een onaangenaam mens. Hij is iemand die er genoegen in schept om bij regenachtig weer zo hard mogelijk door plassen te rijden met als doel zo veel mogelijk mensen een onvrijwillige douche te bezorgen. Oude vrouwtjes betekenen bonuspunten.

Dat heb ik niet van mezelf, maar van Olav Mol. Het tv-fragment waarin hij dit kwijlend voor de camera opbiechtte, was goed om in het programma van Jack Spijkerman te worden genomineerd voor de Vergulde Nachtspiegel.


Maar, eerlijk is eerlijk, Olav Mol is óók de beste autosportverslaggever die de Nederlandse tv ooit heeft gekend. Terwijl de publieken ons de afgelopen jaren plichtmatig verveelden met het gebrom van de vleesgeworden grindbak Jan Stekelenburg, die in de onrendabele minuten van Studio Sport nog even kwam melden dat Barrichello achter Fisichella was geëindigd (op het moment dat de coureurs zelf alweer in een ander werelddeel zaten), was de Formule 1 in de handen van de commerciëlen allang opgepoetst tot het spectaculaire circus dat het in werkelijkheid natuurlijk ook gewoon ís. RTL en SBS weten een spectaculaire sport op spectaculaire wijze te presenteren. En dat is voor een groot gedeelte te danken aan het kundige maar bovenal enthousiaste commentaar van Olav Mol, wiens vocabulaire kreten als ‘Godsammetieten!’ en ‘Sodecitrus!’ omvat.

Mol, ontegenzeglijk de juiste man op de juiste plek, schreeuwt ‘Swabberdibavski!’ als een coureur met die buitenproportionele stukken autodrop aan de achterkant van zijn bolide de kerbs raakt. Iets anders wil ik op die momenten ook eigenlijk niet horen. Bleef je vroeger op om Muhammad Ali en Joe Frazier een robbertje te zien vechten, nu zet je de wekker om Olav Mol vanuit Maleisië ‘Swabberdibavski’ te kunnen horen gillen.

Ik acht het heel wel mogelijk dat hij ook ‘Swabberdibavski!’ roept als hij de tussenbeense pitstraat van een of andere buitenechtelijke relatie binnen komt sjezen. Maar dát hoef ik dan weer niet te horen. Sommige ritten moeten nou eenmaal Privé blijven.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

import michiel blijboom