Dagboek van een drinker

Steeds meer babyboomers zijn probleemdrinkers. Alcohol is overal, dus nee zeggen doe je niet zo snel. De verslavingszorg ziet de toeloop van 55-plussers met lede ogen aan; de wachtlijsten zijn lang. Journalist Fred Krijnen (59) werd pas na heel wat gedram in een afkickcentrum toegelaten. Een persoonlijk verslag.

Belize, Centraal-Amerika, winter 2010. Ik word wakker in een politiecel. De betonnen vloer is nat van de urine van mijn celgenoot. Ik moet ook plassen. “Let me out, I’m innocent,” brul ik. Geen reactie. “Why have I been arrested?” Nu komt er wel een reactie. Een boomlange geüniformeerde neger opent de traliedeur en heft zijn wapenstok. Terwijl ik met mijn rechtarm de klap afweer, schiet mijn linkerbeen naar de rechterknie van de bewaker. “Fuck you,” kermt de man, en knuppelt me met zijn toegesnelde collega vakkundig in elkaar.

De volgende ochtend word ik wakker in urine en bloed. Wat is er gebeurd? Waarom ben ik gearresteerd? Vage beelden van de vorige avond. Een discussie met mijn partner L., die we voerden op het hotelterras van een bevriend Belgisch echtpaar. L. was een paar dagen voor haar terugkeer naar Nederland plotseling vertrokken uit ons strandhuisje en had haar intrek genomen in dat hotel. Ik zou nog een maand in ons huisje blijven om mijn bundel reisverhalen te voltooien. Waarom heeft L. me verlaten? En waarom lig ik hier in een cel?

Een uur later geeft een charmante vrouwelijke politieofficier antwoord. “You were making trouble sir, but you are free to go now.” Making trouble? Wat is er in godsnaam gebeurd de vorige avond? Zwetend en trillend waggel ik naar ons huisje aan de rand van het strand. Onderweg passeer ik John, een bevriende rastaman. “Yeah man, I heard you were arrested, it seems that you tried to force the door of the hotel that is owned by those Belgian people.” Nog steeds herinner ik me niets, en grijp bij thuiskomst meteen naar het grapefruitsap en de rum. Ik moet bedaren.

Alles weer onder controle krijgen. John lurkt intussen aan een joint en kijkt me bedachtzaam aan. “I think you drink too much,” zegt hij dan, “you must have had a black-out.” Een black-out? Dat overkomt échte alcoholisten. Maar mij toch niet? Onmogelijk. Ik drink al sinds het begin van mijn journalistieke carrière. En heb als drinker een solide reputatie opgebouwd. Fred kan er goed tegen – daar waren de meeste mensen in mijn omgeving het toch wel over eens.

De volgende dagen probeer ik wanhopig e-mailcontact met L. te krijgen. Dat lukt pas na een week. Haar reactie is kort. “Ik laat me niet meer door een dronkelap tiranniseren. Je hebt me zelfs geslagen. Je bent gearresteerd omdat je bij de Belgen de deur probeerde in te trappen. Je moet onmiddellijk stoppen met drinken. In combinatie met die tropenzon maakt het je gek.”

Gek, tropenzon, geslagen, stoppen met drinken. Die woorden blijven door mijn hoofd zoemen. Ze beginnen al ’s morgens tijdens het ontbijt. Dat bestaat uit twee flesjes stout (bier met 6,5 procent alcohol) en wat verse bananen. Meestal is het dan ook al tijd voor een door rastavriendjes geoffreerde joint. Daarna volgt de wandeling door de brandende zon naar het internetcafé. Meestal is er geen mail van L. Of hooguit een hatelijke. “Blijf daar maar.” Na die dagelijkse marteling bieden rum en jointjes weer troost. De dagen verglijden verder met oeverloos geouwehoer met plaatselijke blowende en drinkende losers. Van het geplande schrijfwerk komt niets terecht.

Vlak voor mijn vertrek naar Nederland stuurt L. een mail. Ze wil me voorlopig niet thuis hebben en heeft geregeld dat ik bij vriendin T. te Nijmegen kan logeren. Nijmegen, begin april. Daas staar ik naar de imposante verzameling lege wijnflessen en bierblikjes op de salontafel van de gastvrouw. Ik probeer te traceren hoe ik hier gekomen ben. Hoe ik vanaf het schiereiland in Belize die zeshonderd kilometer naar Cancún heb afgelegd. Ik zie flarden van de grensovergang met Mexico, waar ik bijna gearresteerd werd omdat ik vergeten was mijn visum te verlengen. Ik zie de vage contouren van de hotels waar ik overnachtte en ik zie losers. Die zitten met bevende handen naast me op de bank.

Na een burn-out raakte gastvrouw T. enkele jaren geleden aan de drank. Haar riante domicilie werd geleidelijk een soort café. Om tien uur meldden de eerste bezoekers er zich al met een treetje bier. Aanvankelijk vond ik dat gezellig. Een leuk toevluchtoord. En met de gastvrouw zou het uiteindelijk ook wel goed komen. Een jaartje burn-out, door drank weggepoetst; moest kunnen.

Lees het gehele artikel in de HP/De Tijd van deze week.

Meer leuke content? Like ons op Facebook

Fred Krijnen